Protestant wil vijf zuilen

„Waar we behoefte aan hebben is vijf zuilen van het protestantisme”, zegt Bart Robbers. Dat idee ontleent hij aan de islam.

Elke dag een lofspreuk, en je eens in je leven een jaar wijden aan de maatschappij of de kerk. Dat zijn twee van de ’zuilen’ die Robbers (65) voorstelt.

De Amsterdammer is behalve kunsthandelaar, beleidsadviseur en landelijk D66-bestuurder, ook al een kwarteeuw actief bij zijn kerk, de Protestantse Kerk in Nederland. Theoloog Robbers schreef boekjes voor geloofsonderricht, zoals ’Allemaal feestdagen’.

„En ik ben de uitvinder van de basiscatechese”, zegt Robbers. „Dat is de protestantse canon. Het is een methode waarin ik jongeren van tien, elf jaar leer wat er komt kijken bij kerklidmaatschap, hoe het eraan toegaat, wat er van je verwacht wordt.” Net als in de onlangs ontwikkelde Nederlandse canon komt er geschiedenis in voor, schoonheid, beleving.

De methode is, aldus Robbers, in driehonderd PKN-gemeenten in gebruik – ongeveer een zevende van alle gemeenten.

Waar loopt de basiscatechese op uit? Robbers: „Voor de één wordt het verinnerlijkt geloven, een ander vindt een thuishaven om terug te keren als het nodig is, of een schatkamer vol zaken die ooit van levensbelang worden, zoals troost, vergeving, toewijding, inspiratie.”

Jarenlang was Robbers voorzitter van het ’samenwerkingsorgaan eredienst’ van wat nu de PKN is. Met die groep produceerde hij (’Ik ben de eerste ondertekenaar’) twee dikke boeken vol liturgische teksten, richtlijnen over hoe kerken, leken en geestelijken zich kunnen ’aansluiten bij de protestantse traditie’.

Deze ’dienstboeken’ hebben flink ingang gevonden in de PKN. Waarom is er dan weer een aanvulling nodig?

Robbers: „De vraag is: Hoe uit je je spiritualiteit? Wat ik mis is iets vanzelfsprekends, dat je als protestant, los van je precieze overtuiging zegt: zó doen wij dat. Het gaat daarbij niet om ethiek, niet om je opvattingen of je kennis – de nadruk daarop vind ik fout. Ik wil dat spiritualiteit vertaald wordt in dagelijks gedrag.”

En waarom heten zijn voorstellen ’zuilen’?

„Een gelovige islamiet geeft vorm aan zijn geloof in dagelijks gedrag. Daar komt het vandaan: moslims hebben hun ’zuilen’ – de stelregels voor een gelovig leven. Bij Joden zie je hetzelfde. Katholieken hebben een schat aan persoonlijke rituelen, al zijn die wat weggesleten. Maar wat hebben wij, protestanten? Zo kwam ik op mijn zuilen.”

Het zijn er, net als in de islam, vijf. De lofspreuk dagelijks, elke week een avondgebed, het vieren van de grote Christusfeesten (Kerstmis, Pasen, Pinksteren, ’Dat kan in de kerk’), ieder jaar een paar dagen retraite (’Dat moet toch kunnen, even iets aan je geestelijk leven doen’) en eens in je leven een jaar ’vrijwillig de verplichting op je nemen voor dienstbaarheid’.

Dat laatste kan, zegt Robbers, in de vorm van een ’diaconaal jaar’ – jongeren besteden wel vaker een jaar aan hulp aan zorgbehoevenden in kerkelijke projecten. „Maar je kunt ook een periode zeggen: ik doe de administratie van de kerk, of de tuin. Of ik zorg voor die drie oudjes verderop in de straat en doe hun boodschappen en klusjes.”

In het rijtje ontbreekt de kerkgang. Dat is opzettelijk. „Vieringen horen niet in de eerste plaats bij het individu, maar zijn een taak van de kerk zelf. We gaan in dit opzicht terug naar de Middeleeuwen: toen waren de vieringen en getijden in handen van kloosterorden en geestelijkheid. Geen mens trok zich iets aan van kerkdiensten.”

Robbers heeft daarvoor in de laatste zuil – vrijwillige dienstbaarheid – wel iets bedacht: „Je kunt een jaar lang elke week twee keer de vespers bijwonen, plaatsvervangend voor al die mensen die niet komen.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden