Protestant Pierre Bayle kende geen enkel taboe

Overtuigd protestant en atheïstisch denker Perre Bayle ontvluchtte Frankrijk en stierf 300 jaar geleden, op 28 december 1706.

Toen Pierre Bayle (1647-1706) zich in 1681, op de vlucht voor de antiprotestantse repressie van Lodewijk XIV, in Rotterdam vestigde, vond hij de plaats waar hij altijd al had willen wonen: de ’Republiek der Letteren’. Deze vrijstaat van geleerden overschreed nationale grenzen, ze waren de trotse bezitters van het recht op het vrije woord, correspondeerden ongebreideld en debatteerden en bekritiseerden ongehinderd.

Boeken en uitgeverijen waren er in overvloed en Bayle kon ongecensureerd publiceren. Doordat de intellectuelen Frans beheersten, kon hij, de hugenoot, filosoof en journalist, 25 jaar in Rotterdam wonen en werken zonder een woord Nederlands te hoeven leren of te spreken.

Wie vandaag, 300 jaar na zijn overlijden zijn oeuvre overziet, moet wel opkijken van de frappante actualiteit ervan. Die kun je zelfs zonder bezwaar samenvatten met de titel van de laatste WRR-Verkenning: ’Geloven in het publieke domein’. Bayle’s thema’s zitten er allemaal in: de verhouding tussen staat en religie, tussen religies onderling, tussen religie aan de ene kant en rede en moraal aan de andere.

Bayle’s tijd drong hem die onderwerpen op. Nog niet bijgekomen van de aardschok van de Reformatie, emancipeerde de westerse wereld met pijn en moeite van het idee dat het leven zich had te voegen naar het alles bedisselende gareel van de godsdienst. In Frankrijk, Bayle’s vaderland, hadden de absolute macht des konings en de godsdienst zich met elkaar verbonden en probeerde het regime zijn calvinistische onderdanen te pressen – en dat met barbaarse middelen – om het katholicisme te omhelzen.

Een vlammend commentaar dat Bayle tegen deze praktijk publiceerde, viel goed bij de vijanden van Frankrijk die hem gastvrijheid hadden verleend. Dat de praktijken van het regime van de Zonnekoning (wist Lodewijk XIV er werkelijk zelf niets van, zoals de filosoof hoopte?) een flagrante schending inhielden van evangelische waarden, en een bespotting van de klachten van de eerste christengemeenten tegen hun heidense vervolgers – het had in weldenkende kringen in onze streken ieders instemming. Eerder had hij een vermakelijk stuk geschreven tegen het bijgeloof dat het voorbijvliegen van een komeet het oordeel Gods zou aankondigen. „Stel u voor een dame die nooit haar hoofd uit haar venster aan de rue St-Honoré steekt zonder dat ze een karos ziet langskomen. Betekent dit dat haar hoofd de oorzaak is van het voorbijrijden van karossen?” Hugenoten, door Calvijn gevaccineerd tegen het bijgeloof van de astrologie, konden daar wel over gniffelen.

Maar Bayle dacht verder en bracht al analyserend observaties aan het licht die minder in de smaak vielen en die bij elkaar genomen een felle aanklacht opleverden tegen katholieken én protestanten en menig gemoed hebben bezeerd. Neem die superstitiën: het was Bayle opgevallen dat de introductie van het christendom het bijgeloof nauwelijks had doen afnemen. Een aanwijzing dat het geloof in God niet zomaar tot goed zedelijk gedrag leidde. Niet de zedenleer van hun religie beheerste het gedrag van de christenen, maar hun passies, gewoontes en temperament. Een christelijke samenleving was geen haar beter dan een atheïstische.

Bayle kende atheïsten, beschaafde mensen, die gelovigen ver achter zich lieten als het ging om de goede zeden. Daarentegen had je lieden die overtuigd zeiden te zijn van de waarheden van het evangelie, maar intussen tot over de oren in de misdaad zaten. Zouden christenen aan evangelische waarden beantwoorden, dan hadden ze deugdzaam, liefdadig, geduldig, gehoorzaam moeten zijn. Maar de meesten, wist Bayle, wedijverden niet in godsvrucht of goed gedrag maar in de krijgskunst en in politieke streken. Daar hadden zij een superioriteit in ontwikkeld die je in zekere zin moest bewonderen.

Overigens begreep Bayle ook dat een samenleving van deugdzame, liefdadige, geduldige en gehoorzame mensen het tegen agressieve buren niet lang zou uithouden.

Christelijke machthebbers brachten de evangelische beginselen evenmin in de praktijk. Vergeleek je hun principes met wat keizers en kerkvaders ervan hadden gebakken, dan leverde dat een ’bittere grap’ op: telkens hadden ze de grootste waarheden verkwanseld zodra hun belangen in het geding kwamen. In landen als Japan en India moest je niet met de geschiedenis van het christendom te koop te lopen, want als ze daar doorkregen hoezeer christenen zich hebben misdragen, dan lieten ze er niet een meer in! Katholieken én protestanten bedreven dezelfde afschuwelijkheden als aanhangers van heidense religies. Luther, Calvijn en de wederdoper Menno Simons hadden de ’goddeloze gewetensdwang’ ook in de praktijk gebracht en daar waar ze konden hadden ze hun eigensoortig pausdom ingevoerd en de vrijheid om zeep geholpen.

Religie was niet van nature tolerant; ze respecteerde niet uit zichzelf dissidente minderheden. Een zedenleer die vredig samenleven bevordert, kwam niet van de religie. Als een sekte de tolerantie aanhing, was dat omdat zij die nodig had om te bestaan. Maar zodra ze dominant werd, ging die tolerantie dadelijk overboord. Godsdiensten waren alleen redelijk in een minderheidspositie. De verdrukte calvinisten in Frankrijk waren honderd keer beter gereformeerd dan de geloofsgenoten in de Nederlanden waar hun geloof domineerde.

Vrede tussen de religies was alleen mogelijk onder toezicht van een neutrale staat. Was Lodewijk XIV maar atheïst geweest: dan had het hem niet kunnen schelen dat de hugenoten onder zijn onderdanen er wél een godsdienst op nahielden en had hij hen met rust gelaten. En Bayle verdedigde een nieuw tolerantiebegrip. Het ware geloof en het dwalende hadden gelijke rechten. Zelfs een geloof dat je als verkeerd beschouwt, behoort niet alleen maar te worden getolereerd als iets verwerpelijks dat helaas (nog) niet kan worden uitgeroeid, maar gerespecteerd als een uiting van menselijke aspiraties met een eigen autonoom recht.

Pierre Bayle leerde dat je geloof en rede strikt moet scheiden. God had ons de evangelische mysteriën niet gegeven om die te begrijpen maar om te geloven. De meeste gelovigen leefden daar zonder problemen mee. Een boer schoot er niets mee op als men hem ’bevrijdde’ van zijn geloof in de Drievuldigheid. Hij geloofde simpelweg, of: hij geloofde dat hij geloofde. Maar een filosoof had totaal andere uitgangspunten. Wie probeerde volgens de wetten van de logica een samenhangend systeem op te bouwen, moest het geloof achter zich laten. Als christen, aangesloten bij de Waalse kerk van Rotterdam, wilde Bayle het hoofd deemoedig buigen voor de grote waarheden des geloofs, maar zijn logica was atheïstisch en als filosoof was hij vrij en bevoegd alles te onderzoeken wat denkbaar was, zelfs eventueel zaken die tegengesteld waren aan de geloofswaarheden. Bayle kende geen taboes.

De filosoof van Rotterdam heeft geweten dat hij zich met zulke geschriften aan moeilijkheden blootstelde. Nu hij zelf voor Franse vervolgers ongrijpbaar was, pakten ze zijn broer Jacob die in zijn geboorteplaats La Carla (benoorden de Pyreneeën) hun vader als predikant was opgevolgd. Ze smeten hem in een smerig cachot waar hij omkwam. In Rotterdam kreeg Bayle te maken met orthodoxe leden van de Waalse kerk die hem verdachten van atheïsme. De kwestie was dat hij niet altijd het achterste van zijn tong liet zien. Om zijn punt te maken verzon hij bijvoorbeeld twee antagonisten die hij in een dialoog tegengestelde standpunten liet uitdiepen. Hij liet om zo te zeggen zijn twee creaturen het werk doen en bleef zelf buiten schot en dat vonden veel geloofsgenoten verdacht. Hij kreeg een langdurig, hooglopend conflict met de fanatieke, excentrieke predikant Pierre Jurieu, die overigens zijn medevluchteling was geweest. Maar Pierre Bayle is tot het eind toe staande gebleven. Hij bleef trouw naar de kerk gaan – ofschoon ’duizend mijmeringen’ hem van de preek plachten af te leiden – en gaf tegelijkertijd niets toe aan zijn haters.

Nog aan de vooravond van zijn sterven legde hij de laatste hand aan een pamflet voor zijn verdediging. De man van de uitgever die het kwam halen, trof hem levenloos aan. Er lag nog een briefje voor een vriend op tafel: „Ik sterf als een christelijk filosoof, overtuigd en doordrongen van de weldaden en ontferming Gods”.

Pierre van Enk is oud-redacteur van Trouw. In 2007 verschijnt zijn boek over de Reformatie in Frankrijk.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden