Progressief manifest

'Het moet nu maar eens afgelopen zijn met die onuitstaanbare leegte van links. En met het leedvermaak hierover van rechts.' Zo begint het Progressief Manifest van de socioloog Dick Pels. Na het Conservatief Manifest (L & G, 18 oktober) en het Multicultureel Manifest (L & G, 1 november) is het tijd voor ideeën die de linkse verwarring opheffen. ,,De kern van dit nieuwe beginselprogramma is het sociaal individualisme. Het zoekt naar een eigentijdse herformulering van het sociaal liberalisme, dat het best is samengevat door Jacques de Kadt in 1939: 'socialisme terwille van het individualisme'. Die visionaire slogan is anno 2004 actueler en politiek aantrekkelijker dan ooit.''

Het moet nu maar eens afgelopen zijn met die onuitstaanbare leegte van links. En met het leedvermaak hierover van rechts. De onmacht en het gebrek aan visie zijn nu wel voldoende geëtaleerd, en nog meer zelfkastijding leidt alleen maar tot zelfmoord. De kale kip van Kok heeft het inmiddels wel erg koud gekregen. Het is hoog tijd dat progressief Nederland weer eens voor zichzelf gaat denken, en de door Fortuyn en de neoconservatieven geworpen handschoen zelfbewust opneemt.

De nieuw-rechtse arrogantie binnen en buiten de regering vraagt om een helder antwoord. Dat op een originele en offensieve manier verwoordt wat progressieve mensen bindt. Ideeën die de linkse verwarring opheffen en de oppositie tegen het conservatieve kabinet scherpte en diepte verlenen. Die een brede progressieve machtsvorming kunnen aanblazen. Ideeën kortom die de basis kunnen leggen voor een nieuwe progressieve doorbraakbeweging die niet al te veel geduld heeft met bestaande politieke hokjes en vakjes. Die zich niet exclusief richt op de

PvdA, GroenLinks, de SP, de smeulende restjes van D66 of de restsocialen in de VVD, maar op iets anders, iets beters, iets leukers en iets groters. Een nieuw verbond van Alle Progressieve Krachten.

Sociaal individualisme

De kern van dit nieuwe beginselprogramma is het sociaal individualisme. Daarom kan dit manifest net zo goed een Individualistisch Manifest heten. Het zoekt naar een eigentijdse herformulering van het sociaal liberalisme die verder gaat dan de Derde Weg en Paars, ook omdat het de uitdaging van Fortuyn en het moderne conservatisme principiëler wil aangaan. Dit sociaal liberalisme wordt het best samengevat in de scherpe formule van Jacques de Kadt uit 1939: 'socialisme terwille van het individualisme'. Die visionaire slogan is anno 2004 actueler en politiek aantrekkelijker dan ooit.

De essentie ervan is dat men individuen gelijke middelen geeft om zichzelf te ontplooien, zodat ze hun waarden, ambities en levensstijl in vrijheid kunnen kiezen, en op die manier gestalte kunnen geven aan een eigen visie op het goede leven. Stel iedereen in staat om persoonlijke autonomie te verwerven en zich te bevrijden van collectieve dwang: van de knellende banden van culturen, tradities, gemeenschappen of instituties; van identiteiten die worden gedicteerd door klasse, zuil, kerk, moskee, gender of etniciteit. Tot die dwingende gemeenschappen en instituties behoren ook de natie en de staat. In die zin wijst het sociaal individualisme een libertaire en vrijzinnige Derde Weg, die trekjes vertoont van het klassieke anarchisme.

Er zijn veel verschillende manieren om persoonlijke autonomie te verwerven, en een democratische maatschappij biedt alle ruimte aan die

pluriformiteit. Niettemin kan de kern van het individualisme hier nog iets scherper worden aangeduid: als nonconformisme. Ook volgens De Kadt is de vrije persoonlijkheidsvorming het kostbaarste element van een werkelijk dynamische cultuur. Nieuwe denkbeelden, nieuwe manieren van doen, nieuwe vindingen en nieuwe waarden moeten meestal tegen de druk van de gemeenschap in door moedige enkelingen worden bevochten. Die ideeën en waarden schaffen de gemeenschap niet af, maar proberen haar intellectuele en morele bereik juist te verruimen en haar 'cultuursnelheid' te vergroten. Zoals Rosa Luxemburg al zei: de vrijheid om af te wijken is de enige vrijheid die er werkelijk toe doet.

Tegen communitarisme en nutsliberalisme

Dit zakelijke en vrijzinnige personalisme staat haaks op het moralistische gemeenschapdenken dat in de traditie van zowel de christen-democratie als de sociaal-democratie sterk de boventoon heeft gevoerd. Hierin staan algemeen bindende normen en waarden, sociale cohesie, orde en gemeenschapszin voorop. Natuurlijk kunnen we ook voor onze individuele ontplooiing niet zonder de beschermende macht en zorg van groepen, culturen en instituties (zoals die van de verzorgingsstaat). Maar die moeten tegelijkertijd permanent worden gewantrouwd, net zoals de mensen (de woordvoerders) die zich ermee vereenzelvigen en namens hen spreken. Laten we kiezen voor een 'dunne' opvatting van collectieve identiteit, tegen de notie dat we alleen maar kunnen samenhangen via 'dikke' normen en waarden. 'De boel een beetje bij elkaar houden': die doelstelling is okay zolang de nadruk maar blijft liggen op een beetje.

Maar het individualisme mag niet asociaal worden. Het stuit op zijn grenzen waar het andere mensen schaadt en in het nauw brengt. We kunnen niet blind blijven voor de kwade kanten van de moderne cultus van het ik: narcisme, graai- en claimgedrag, onverschilligheid, hufterigheid en 'zinloze' agressie. Die risico's worden echter niet effectief tegengegaan door een ethisch of godsdienstig reveil dat saamhorigheid, eigen verantwoordelijkheid en naastenliefde predikt. Aso-gedrag moet niet worden bestreden met zedeprekerij maar met slimme technologieën, duidelijke rechtsregels en een harde handhaving ervan.

Het ontplooiingsliberalisme staat ook haaks op het harde nutsliberalisme dat elke sociale organisatie van het individualisme afwijst. Er is immers heel wat ouderwets socialisme nodig om die persoonlijke autonomie voor iedereen, inclusief de (kans)armen, zorgbehoevenden en werklozen, te kunnen ondersteunen en realiseren. De paradox van het sociaal individualisme is dat socialisatie, dat wil zeggen georganiseerde solidariteit, dat wil zeggen een grotere spreiding van kennis, macht en inkomen, nodig is om een alzijdige groei van het individualisme mogelijk te maken. Dat betekent onder meer dat de genereuze ontplooiingskansen voor de rijken aan de top enigszins moeten worden beperkt om leden van de onderklasse een beetje in dezelfde kansen te kunnen laten delen.

Een vrijzinnig socialisme à la De Kadt streeft naar 'vrijheid, welvaart, beschaving'. Het schrikt dan ook niet terug voor de taak om het opnieuw ontketende kapitalisme beschaving bij te brengen: een taak die door de kabinetten-Kok schromelijk is verwaarloosd (de puinhopen van Paars!) en door Balkenende-II actief wordt genegeerd. Het sociaal individualisme is daarmee zowel individualistischer als socialer dan de sociaal-

democratische Derde Weg, en verschilt op beide punten ook wezenlijk van de missie van het zittende kabinet van conservatieve communitaristen en harde nutsliberalen. Het bepleit een krachtig herstel en een puik onderhoud van de verzorgingsstaat en van de collectieve sector in het algemeen. Dat vereist op zijn beurt een slimme en zelfbewuste overheid die zich niet neerlegt bij de moedeloze gedachte dat de samenleving niet langer maakbaar zou zijn. Dat duidt immers vooral op de onwil of onmacht om er nog iets (moois, althans beters) van te maken. Zodat het (kapot)maken van de samenleving geheel aan de verkeerde mensen wordt overgelaten. Een creatieve en moedige staat zoekt juist de smalle marges van de democratische politiek op, met het doel om ze op te rekken en maximaal uit te buiten.

Voorbij links en rechts

Hoewel het sociaal individualisme een progressief ideaal is dat zich afzet tegen het nieuwe conservatisme, overstijgt het in sommige opzichten de tegenstelling tussen links en rechts. In die zin deelt het niet in de algemene opluchting die het politieke establishment beving tijdens de restauratie die volgde op de populistische Fortuyn-revolte. Gerustgesteld keerde men weer terug naar de vertrouwde tegenstelling tussen een rechtse regering en een linkse oppositie. Ook de luidruchtige neoconservatieven van de Burke Stichting willen dat Rechts zich nu sterk maakt om de enorme schade die Links aan Nederland heeft toegebracht te herstellen. Maar die termen verhullen meer dan ze verduidelijken. Alle interessante politieke verschijnselen van de laatste decennia (en daarvoor) onttrekken zich aan een eenvoudig links-rechts-model. Dat gold al voor het klassieke fascisme, het groene denken, het moderne feminisme en de sociaal-democratische Derde Weg. Het geldt ook voor de Baath-partij in Irak, voor Al-Kaida, voor het naoorlogse rechtspopulisme in het algemeen en voor Pim Fortuyn in het bijzonder. Zelfs de conservatieven van de Burke Stichting flirten met linkse gedachten en zijn dus veel minder rechts dan ze zelf schijnen te denken.

De bronnen van het individualisme vinden we dan ook evenzeer aan de rechter- als de linkerkant van het politieke spectrum. Links is door zijn hang naar collectivisme, macro-ordening en staatsinterventie voor individualisten zelfs in principe verdacht: zij voelen zich eerder thuis bij de erfenis van het klassieke liberalisme. Zij verzetten zich principieel tegen alle vormen van totalitarisme, ongeacht of dit een socialistische, een nationalistische of een religieus-fundamentalistische grondslag heeft. Het idee van de individuele emancipatie beroept zich daarbij zowel op het gelijkheidsdenken van de Verlichting (dat iedereen begiftigt met min of meer dezelfde natuurlijke rechten en talenten) als op het verschildenken van de Romantiek (waarin de nadruk eerder valt op creativiteit, uitzonderlijkheid en leiderschap). Het zoekt naar een nieuw evenwicht tussen democratische gelijkheid en democratisch verschil.

Het klassieke dilemma van vrijheid versus gelijkheid wordt daarmee bewust niet opgelost. Het sociaal individualisme is geen alzijdige nivelleringsideologie. Het waardeert en bevordert op sommige gebieden de ongelijkheden die het in andere dimensies bestrijdt. Wanneer men mensen stimuleert om hun unieke talenten te koesteren en hun ambities te ontwikkelen, zullen gelijke kansen op ontplooiing in veel gevallen resulteren in ongelijke uitkomsten. Sociaal-individualisten streven in die zin naar een vrije elitevorming in alle sectoren van het sociale leven. Naar een werkelijk vrije circulatie van elites in de politiek, het bedrijfsleven en de cultuur, die wordt gevoed door een open en eerlijke concurrentie waaraan ook buitenstaanders effectief kunnen deelnemen. Die alle kartel-, kliek- en monopolievorming bestrijdt en de old boys-netwerken openbreekt, zowel in de economie en de politiek als in de instellingen van de media en de cultuur.

Staat en markt

Anders dan klassieke socialisten erkennen sociaal-liberalen daarmee voluit het creatieve en dynamische karakter van het ondernemerschap en de vrije markt. Maar zoals Marx al wist, neigt de markt voortdurend naar concentratie en monopolievorming: bedrijven streven naar marktmacht, en stellen daarmee het marktmechanisme tendentieel buiten werking. Terwijl dit concentratieproces in Marx's ogen niet ver genoeg kon gaan (het socialistisch staatsmonopolie lag immers voor het grijpen), moet dit monopoliespel juist voortdurend worden bestreden. Werkelijk vrije markten ontstaan alleen wanneer belemmeringen voor de toetreding van nieuwe ondernemers, nieuwe concurrenten, buitenstaanders zoveel mogelijk worden weggenomen.

Daarom kunnen sociaal-liberalen niet uit de voeten met de eenvoudige tegenstelling tussen staat en markt. Zij zoeken eerder de (derde) weg van hun wederzijdse doordringing: niet alleen als constatering van een feitelijke toestand, maar ook als politiek project. Anders dan het corporatistische poldermodel, dat zich vooral richt op gemeenschapswaarden en consensusvorming, gokt het sociaal liberalisme daarbij eerder op particulier initiatief en managed competition. In die zin verzet het zich niet tegen de infiltratie van het 'marktdenken' in bepaalde geledingen van de overheid. Een radicaal voorbeeld hiervan is de beëindiging van de overdreven rechtsbescherming voor ambtenaren en de liberalisering van de arbeidsmarkt in de publieke sector. Het bijzondere ambtenarenstatuut moet worden afgeschaft, om doorstroming te bevorderen en vergrijzing en stagnatie tegen te gaan (denk aan de universiteiten).

Maar tegelijkertijd pleiten sociaal-liberalen voor het behoud van een sterke collectieve sector en een regievoerende staat. Dat impliceert een politisering en regulering van markten, niet in de laatste plaats omdat de overheid optreedt als 'marktmeester': als een autoriteit die ongewenste monopolies breekt en onvrije markten democratiseert. De mislukte privatiseringen van openbare diensten en nutsvoorzieningen moeten worden teruggedraaid. Daarmee worden natuurlijk nieuwe monopolies in het leven geroepen. Maar die kunnen worden gerund als 'publieke' ondernemingen die opereren op 'publieke markten' waar zoiets als een 'socialistische concurrentie' geldt. Die is niet gericht op maximalisatie van aandeelhouderswinst op korte termijn, maar op kwaliteit, efficiënte dienstverlening, goed onderhoud, continuïteit en innovatie op de langere termijn.

Ondernemingszin en zorgzaamheid

Het traditionele linkse wantrouwen tegen de 'prestatiedrang' en de 'drang tot wedijver' wordt daarmee definitief op sterk water gezet. 'Ondernemerschap' is immers een complex en gelaagd begrip, dat zowel verwijst naar economisch zakendoen (in het bedrijfsleven) als naar psychologische eigenschappen zoals zakelijkheid en bedrijvigheid; het gaat zowel over winstbejag als over de bredere ambitie om te 'willen winnen'. Uitbreiding van de marktsector (bijvoorbeeld via privatisering) is dan ook niet hetzelfde als verbreiding van het marktvocabulaire (bedrijfsmatig denken, 'marktconform' werken, afrekenen via prestatiecontracten, zorg en onderwijs als 'producten', de ondernemende universiteit, de BV Nederland). En dat is weer iets anders dan ondernemingszin als aanduiding van initiatiefrijke, energieke en ambitieuze individuen die risico's willen nemen, zich met anderen willen meten en zo het beste in zichzelf naar boven willen halen.

Vaak wordt in dit verband het 'linkse' altruïsme geplaatst tegenover het 'rechtse' streven naar eigenbelang, of het professionele dienstmotief afgezet tegen het commerciële winstmotief. Maar men hoeft niet volmondig in te stemmen met de neoconservatieve overtuiging dat de mens geneigd is tot alle kwaad om in te zien dat eigenbelang en algemeen belang niet zo gemakkelijk van elkaar kunnen worden gescheiden. 'Goed' en 'kwaad' zijn sterker verweven dan moralisten, communitaristen en andere gelovigen graag toegeven. Sociaal-individualisten hebben daarom behoefte aan een realistischer mensbeeld dat rekening houdt met een scala van mixed motives. Maar anders dan veel conservatieven denken, kan die psychologische mix wel degelijk door bewuste wijzigingen in de sociale context worden beïnvloed. Een belangrijke taak (en een groot dilemma) van de verzorgingsstaat is juist om slechte mensen zoals u en ik ertoe te bewegen hun betere ik de voorrang te geven.

In de discussie over de haalbaarheid van het 'reëel bestaande' socialisme werd vaak hoopvol gesproken over de mogelijke vervanging van materiële door morele prikkels. Daar kwam weinig van terecht, en dat lag ongetwijfeld ook aan een te hoog gegrepen ethiek van belangeloze dienstbaarheid. Maar er is misschien een derde weg tussen dienstmotief en winstmotief: die van het eergevoel. Een 'economie van de eer' zet in op een immateriële prikkel (reputatie, prestige, goede naam en faam) die in de huidige cultuur van media-zichtbaarheid en celebrity steeds prominenter is geworden. Een belangrijke doelstelling van sociaal-individualisten zou dan kunnen zijn om de maatschappij zo in te richten dat (boven een bepaald welstandsniveau) de hebzucht zoveel mogelijk wordt vervangen door de eerzucht.

Vervolg op pagina 43

Vervolg van pahina 41

Zodat bij de motivatie van ondernemende individuen een ander en beter prijsmechanisme gaat gelden: niet dat van loven en bieden, maar dat van loven en prijzen. Sociale erkenning en onderscheiding worden dan niet zozeer gezocht via de weg van de poen maar via talent, ambitie en professionele trots.

Maar niemand, ook niet de meest sterke en ambitieuze, kan zonder de aandacht en zorg van anderen. Lang niet iedereen is bovendien voldoende autonoom en weerbaar om zich te kunnen (of willen) begeven in een alzijdige concurrentiestrijd waarin het erom gaat de eerste en de beste te zijn. Sociaal individualisme is niet hetzelfde als een zuivere meritocratie. Onder hoge druk presteren in een niet aflatende wedstrijdcultuur is een nogal beperkte opvatting van het goede leven. Zelfrespect, eergevoel, trots en identiteit kunnen ook worden ontleend aan vormen van zorgzaamheid voor mensen (kinderen, zieken, ouderen), dieren (vegetarisme, kritiek op de bio-industrie) en dingen (de natuur, de openbare ruimte, historische monumenten) die een intrinsieke waarde vertegenwoordigen die door de marktlogica niet wordt herkend.

De beoordeling van wat geldt als een prestatie, wat waardevol is, wat bescherming en zorg verdient, mag kortom niet worden overgelaten aan de markt. De verzorgingsstaat beschermt niet alleen de persoonlijke waardigheid van zwakkeren en hulpbehoevenden, en de beroepseer van de professionals die deze zorg verlenen; zij moet ook mogelijkheden openen voor individuen om aan de rat race, de productiedwang en de stresscultuur te ontsnappen. De harde meritocratie, waar drukte, prestatie en concurrentie als de hoogste normen gelden, moet worden verzacht door een meer relaxte cultuur van zorgzaamheid en onthaasting.

Een rechtvaardiger inkomensbeleid

De paarse kabinetten en de regerende coalitie hebben het kapitalisme kritiekloos omhelsd; de taak is daarentegen om het kapitalisme te beschaven. Een sterke publieke sector is niet alleen nodig om gelijke uitgangsposities te scheppen op de markt, maar ook om onrechtvaardige uitkomsten van het marktproces te corrigeren. Dat moet gebeuren via het onderwijs en de zorg, maar ook via het belastingstelsel en de sociale zekerheid, met onder meer als doel de beteugeling van al te grote verschillen in inkomen en vermogen. Die sociale beschavingsdoelstelling is vanaf het begin van de jaren tachtig door alle Nederlandse kabinetten actief verwaarloosd.

Het is daarom hoog tijd om het debat over de sociale ongelijkheid nieuw leven in te blazen. De staat moet zich opnieuw sterk maken als schild voor de zwakken, en optreden als rechtvaardige herverdeler van de sociale welvaart. De sterkste schouders moeten opnieuw de zwaarste lasten gaan dragen. De huidige regeringsleuze dat iedereen van hoog tot laag 'gelijk' moet inleveren, heeft het omgekeerde tot gevolg. De exhibitionistische zelfverrijking aan de toppen van bedrijfsleven, overheid en media moet veel actiever worden bestreden. Conservatieve populisten zijn niet de enige mensen met politieke onderbuikgevoelens: progressieven ergeren zich terecht groen en geel aan die asociale hebzucht aan de top. Dat heeft niets te maken met sociale afgunst, maar alles met beschaving en goed fatsoen. Zowel de bovenkant als de onderkant van de maatschappij moeten bij die herverdeling scherper en nadrukkelijker in beeld komen. Het kabinet-Den Uyl ging in het midden van de jaren zeventig nog uit van een rechtvaardig verschil van 1:5 tussen de laagste en de hoogste inkomens. Tegenwoordig kijken we alleen al binnen de (semi)overheid aan tegen een inkomenskloof van 1:30, waarbij het salaris van de premier en andere ministers nog in de lagere regionen valt (minder dan tien keer het minimumloon). Morris Tabaksblat liet onlangs doorschemeren dat die inkomensafstand van 1:30 in het particuliere bedrijfsleven als een aanvaardbaar gemiddelde geldt.

Maar met salarissen van boven de miljoen euro, die door bijna alle topmannen van de grote concerns worden opgestreken, zitten we feitelijk al op 1:100, terwijl we aan de hand van Anders Moberg en Patrick Kluivert hard op weg zijn naar een inkomenskloof van 1:1000. Dat is een wereld waar ik niet bij wil horen, zo zei Tabaksblat terecht. Wie is inderdaad zo arrogant dat hij zichzelf dertig keer, honderd keer, duizend keer meer waard acht dan een ander? En waarom moet dit verschil in geld worden uitgedrukt? Laten we niet lullig zijn, en uitgaan van een aanvaardbare minimax-verhouding van 1:10. Waarom zou iemand meer moeten verdienen dan 160 000 euro per jaar?

Aan de onderkant van de maatschappij moet de inkomensvloer daarentegen worden verhoogd. Niet de afbraak van de sociale staat moet hierbij het parool zijn, maar juist de vervolmaking ervan. De verzorgingsstaat is de trots van een beschaafd en democratisch kapitalisme. Het wordt dan ook tijd om een on-modieus debat weer eens op te rakelen: dat over het basisinkomen. Dit sluitstuk van de verzorgingsstaat is juist voor sociaal-liberalen aantrekkelijk, omdat het de individuele vrijheid op een slimme manier combineert met sociale bescherming. Het bestrijdt effectief de armoedeval, verlaagt de loonkosten aan de onderkant van de arbeidsmarkt, bezuinigt op arbeidsmoralisme en de kosten van sociale controle, en verruimt de toegankelijkheid van het vrije ondernemerschap. In de niet-collectivistische, geïndividualiseerde vorm van een negatieve inkomstenbelasting bevat het voldoende prikkels voor mensen om te gaan werken en te presteren. Maar het draagt tegelijkertijd bij aan de vorming van een meer ontspannen arbeidsbestel, omdat de vrijheid en de macht van individuen ten opzichte van de bedrijven en instellingen waar zij werken aanzienlijk wordt vergroot.

Personendemocratie

Ook in de politiek en het openbaar bestuur kan het individualisme verder worden aangewakkerd. Politieke personen (leiders, parlementariërs, kiezers) emanciperen zich steeds meer van hun collectieven (de politieke partijen). Politieke ideeën worden steeds meer losgeweekt uit hun traditionele ideologische samenhang en gaan nieuwe verbindingen met elkaar aan. De politieke partijen hebben al veel van hun representatieve functies moeten afstaan aan de media en andere platforms van openbaar debat, en zijn steeds meer verworden tot gesloten benoemingsbureaus van politiek en ambtelijk personeel. De mediatisering-annex-personalisering van het politieke bedrijf (de 'dramademocratie') is dan ook niet een onverdeeld gevaar maar biedt juist nieuwe kansen voor democratische representatie, politieke geïnformeerdheid en de vorming van politiek vertrouwen. Mediamieke persoonlijkheden met een eigen boodschap en stijl worden nieuwe identificatiepunten voor kieskeurige burgers in een directere vorm van democratie.

Het parlementaire stelsel moet dan ook worden aangevuld en gedynamiseerd door rechtstreekse verkiezingen van gezagsdragers op alle niveaus: van de burgemeester tot en met de minister-president en het staatshoofd. Hierdoor raakt de 'populistische' tegenstelling tussen kiezersvolk en politieke elite niet ondergesneeuwd maar wordt zij permanent opengehouden. De controlerende organen kunnen zich meer toeleggen op 'grondslagendiscussies' en de hoofdlijnen van het beleid. De daaruit volgende aanscherping van het politieke dualisme schept een nieuwe reeks van democratische checks & balances (nieuwe vormen van politieke concurrentie) die het debat verlevendigen en zowel het politieke leiderschap als de controle erop een duidelijker profiel verlenen. Een van de ingebouwde paradoxen van het sociaal individualisme is immers dat de creatieve en doortastende staat, die de individuele ontplooiing waarborgt, tegelijkertijd onder permanente verdenking moet worden gehouden.

In een op individualisme en vrije elitevorming georiënteerd bestel is geen plaats voor een feodale, op de familie-eer gerichte institutie zoals de erfelijke monarchie. Sociaal-individualisten kunnen niets anders dan overtuigde republikeinen zijn. De schandalen van het afgelopen jaar hebben afdoende aangetoond dat de resterende politieke functies van het koningshuis beter door gekozen functionarissen kunnen worden vervuld, terwijl de ceremoniële, emotionele en vermaaksfuncties ervan steeds effectiever worden overgenomen door de moderne celebrity-cultuur. Als symbool van onze collectieve identiteit is de monarchie allang door de geschiedenis ingehaald. We hebben al genoeg te stellen met Oranje als nationaal elftal met zijn matig presterende sterren om nog veel geduld te hebben met de wanvertoning van dat andere Oranje.

Multiculturele tolerantie

Omdat het sociaal individualisme gekant is tegen kleffe vormen van gemeenschapsdenken, is het eerder uit op het verzwakken dan op het versterken van collectieve identiteiten. Dat geldt ook voor onze veelbesproken nationale identiteit. Een hele waaier van politieke moralisten, van Marijnissen, de Volkskrant en Scheffer op links via Balkenende en Zalm tot en met de conservatieven van de Burke Stichting, (wijlen) Fortuyn en Nieuw Rechts, hamert op de noodzaak van het belijden van onze nationale verwantschap en het versterken van ons nationaal saamhorigheidsgevoel als grondslag voor de integratie van vreemdelingen en nieuwkomers. Maar individualisten keren zich even actief tegen monoculturalisten die assimilatie eisen aan een westerse en/of Nederlandse Leitkultur, als tegen multiculturalisten die verschillende culturen als gesloten blokken naast elkaar laten bestaan. 'Behoud van eigen taal en cultuur' is in dit perspectief een conservatief verlangen, ook wanneer dit de vorm aanneemt van Hollands spruitjesnationalisme.

Het individualisme beoogt juist een zodanige vermenigvuldiging van inwendige verschillen dat ook de buitengrenzen van culturen geleidelijk vervagen. Daarom zijn individualisten ook geen relativisten, want zij poneren hun eigen grondwaarde als uitgangspunt en toetssteen ter beoordeling (en zonodig bestrijding) van andere culturen en levensvormen. Maar zij staan tegelijkertijd vijandig tegenover alle absolutisme en fundamentalisme, inclusief het Verlichtingsfundamentalisme volgens het nieuwe evangelie van Fortuyn, Philipse, Hirsi Ali, Cliteur en Ellian. Daarin wordt de individuele vrijheidsgedachte exclusief toegeschreven aan een superieure westerse beschaving die geen relativering verdraagt, en die met harde hand aan 'wezensvreemde' culturen zoals 'de' islam moet worden opgelegd. In die gedachtegang is geen hoofddoekje of gebedsruimte meer veilig. Het emancipatie-ideaal van Hirsi Ali is progressief, maar haar methode om dit ideaal te verwezenlijken (via een 'liberale djihad') is conservatief. Het is een houding die agressie bestrijdt met agressie, fundamentalisme met fundamentalisme, en intolerantie vergeldt met intolerantie, zodat de verklaarde vijanden ineens erg op elkaar gaan lijken.

Een 'nieuw idee van Nederland' moet daarom niet worden gezocht in een sterke maar juist in een zwakke identiteit, die wordt gevoed door bescheidenheid over de waarden en verworvenheden van 'onze' cultuur en beschaving, en daardoor ruimte biedt aan een permanent meningsverschil over wat die waarden en verworvenheden zouden kunnen zijn. Een onzeker idee van Nederland: dat is het beste uitgangspunt voor een nieuwe verdediging van de multiculturele tole-rantie. En voor de integratie van 'onze' cultuur in het grotere verband van Europa en de wereld. Vaderlandsliefde? Nationale trots? Om met Bas Heijne te spreken: een zwak voor Nederland, dat (en niet meer) is wat we moeten cultiveren voor dit kleine maar fijne landje.

Een politiek van onzekerheid

Tegenover de stelligheid en de verkramptheid van conservatieven en fundamentalisten staat de ironie en het relativeringsvermogen van progressieven. De recente discussie over de satire op het koningshuis laat zien dat we worden geregeerd door een stel humorloze fatsoensrakkers die niet inzien dat een democratische machtsuitoefening juist gedijt bij (zelf)relativering en (zelf)spot. De grootste kracht van de liberale democratie schuilt niet in haar eenheid en saamhorigheid maar juist in haar onzekerheid en verdeeldheid, dat wil zeggen haar grotere capaciteit voor culturele tolerantie, politieke concurrentie en principieel debat. Volgens De Kadt is de beste eigenschap van individualisten dat zij de moed hebben 'te leven in het Raadsel'. Maar die houding leidt niet tot afzijdigheid of onverschilligheid. Het is een 'actief relativisme' dat de grondwaarden van individualisme, nonconformisme, ironie en onzekerheid zelf als strijdbare uitgangspunten neemt.

Een progressieve beweging is dus alleen voorstelbaar als een vereniging van individualisten. We willen niet te dicht op elkaar zitten en geen Gemeenschap met elkaar hebben. Geen partij vormen maar een politieke vriendenkring. Die zoekt naar een nieuwe Derde Weg en een nieuw sociaal-liberaal elan. Dat Nieuw Paars zou kunnen heten als die kleur niet zo door Oud Paars door het slijk der aarde was gehaald.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden