Privégeluk en -verdriet in het Rampjaar

Margaretha Turnor, een van de drie briefschrijvers: ''Mijn liefje, mijn duifje'. (Trouw)

Via de belevenissen van drie hoofdfiguren schetst Luc Panhuysen de gebeurtenissen in de republiek van 1672. Trefzekere geschiedschrijving, oordeelt Jos Palm.

Het Rampjaar. Dat klinkt naar de tijd toen vaderlandse geschiedenis nog geen canon of nationaal historisch museum nodig had. 1672 hoorde in het rijtje van de Slag bij Nieuwpoort (1600), en er hoorde ook een mantra bij. Het volk was redeloos, de regenten radeloos en het land reddeloos. Goed vaderlanderschap vereiste kennis van dit jaartal, waarin de bisschop van Münster Oost-Nederland bestookte, de legers van de Franse zonnekoning door Nederland marcheerden en de Engelsen op zee tegen ons in actie kwamen, en waarin het dappere vaderland toch niet verloren ging.

Maar er was ook een ’probleempje’ met het Rampjaar. Terwijl Willem III zich opwierp als redder des vaderlands, werden de gebroeders De Witt gelyncht door dezelfde vaderlanders die de Oranjestadhouder toejuichten. Het was zogezegd een schoonheidsfoutje zoals er velen zijn in de historie. Want de afloop was goed. En deze tekende de nationale herinnering waarin het lastige feit -- de moord op De Witten -- vakkundig werd weggemasseerd.

De historiografie over 1672 weerspiegelt deze nationaal-historische spagaat. In de schoolboekjes was het Rampjaar met goede afloop prominent aanwezig; in de officiële geschiedschrijving mondjesmaat. Het boek ’Rampjaar 1672’ van de historicus Luc Panhuysen komt dus zeer gelegen. ’Hoe de Republiek aan de ondergang ontsnapte’, luidt de ondertitel die aangeeft dat de auteur zich verre houdt van de lang gebruikelijke triomfalistische duiding. Zijn perspectief is dat van de historicus die niets heeft op te houden.

Eigenlijk wil hij maar één ding: een verhaal vertellen dat gaandeweg iets openbaart over het wezensvreemde verleden. Zo trapte Panhuysen eerder de godsdienstwaanzin uit de zestiende eeuw op zijn staart door dicht op de huid te gaan zitten van de ketterse wederdopers in zijn boek over het Godsrijk Münster. En zo was in zijn biografie van de gebroeders De Witt te lezen dat ’het wonder’ van de Republiek mede te danken was aan de cultuur van het wellevend snobisme dat haar bestuurders, de gebroeders voorop, kenmerkte.

Het privéverdriet of -geluk als sleutel tot de algemene stemming en de verhoudingen van een tijd. Dat is wat de auteur – die geschiedenis schrijft alsof hij evenwichtskunst bedrijft – ons biedt. Hij doet wel in familie, maar hij doet ook aan geschiedenis.

Ook in zijn boek over 1672 volgt Panhuysen deze aanpak, en met succes. We lezen niet over het Rampjaar, we zitten er middenin, dankzij de correspondentie van de drie hoofdfiguren: vader Godard Adriaan van Reede, heer van Amerongen; zijn vrouw Margaretha Turnor; en hun zoon Godard, heer van Ginkel. Ze schrijven elkaar omdat de oorlog hen uit elkaar gedreven heeft. De vader was als ambassadeur namens De Republiek op diplomatieke missie (hij wist de keurvorst van Brandenburg tot militaire steun aan Holland te bewegen), de zoon was commandant bij het staatse leger, en de moeder was vluchteling -- kasteelvrouwe zonder kasteel -- te Amsterdam.

Hun belevenissen en zorgen worden vanzelf de onze. Het lijkt wel of men de oorlog denkt te winnen met vergaderen, schrijft Margaretha aan haar man, terwijl ze ook niet uitgeschreven raakt over het redeloze grauw. Hij op zijn beurt ondervindt de treuzelige radeloosheid van Den Haag dat zijn waarschuwingen veronachtzaamt. En dan is er nog de zoon. „Ik hoop dat wij eerder aan de IJssel zullen sterven dan de Fransen daar over te laten komen”, schrijft hij zijn moeder. Landinwaarts vluchten blijkt vervolgens al snel zijn belangrijkste militaire handeling.

Redeloos, radeloos en reddeloos. Het is ook werkelijk zo beleefd. Door deze kleine familie en door heel het land. Alleen al aan het opnieuw voelbaar maken van wat heel lang meer een historische mantra was dan historische werkelijkheid dankt dit boek zijn betekenis. Tegelijkertijd zet het de kleine natie met een groots verleden op haar plaats. Na zo’n kleine eeuw boven haar stand te hebben geleefd was het uit met de pret. Dat Nederland nog bestaat is welbeschouwd te danken aan de grootmachten die de koning van Frankrijk niet als heerser over de christenheid wensten. Hun steun en de waterlinie waren doorslaggevend in 1672.

Onze geschiedenis zou ons bescheiden moeten maken in plaats van zelfvoldaan. Dat is de les van deze pijnlijk trefzekere geschiedschrijving, die bewijst dat het Rampjaar ten onrechte in de canon ’vergeten’ is. Luc Panhuysen zou een lintje moeten krijgen in deze tijd van geroep om onbezonnen historische vaderlandsliefde.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden