Priorij pronkt nu met 'doelloze voorwerpen'

Zo'n tweeduizend gulden hoopte men in 1875 te kunnen opstrijken voor een stel 'onaanzienlijke vermolmde en voor de Religieuzen genoegzaam doellooze voorwerpen' in een Udense priorij. Diezelfde ondergewaardeerde voorwerpen staan nu te pronken op een tentoonstelling over Brabantse beeldhouwkunst in Uden. Terug van weggeweest.

Koper van de 'vermolmde' en 'doelloze' beelden was niemand minder dan Victor de Stuers. Samen met de bekende neogotische architect P.J.H. Cuypers had hij de priorij Maria Refugie van Uden bezocht om te kijken of daar iets interessants te vinden was voor een nieuw op te richten museum in Den Haag. De heren kwamen niet voor niets: korte tijd later verhuisden ongeveer 25 beelden naar het museum. In 1883 belandden ze in het Amsterdamse Rijksmuseum.

Voor het kleine klooster een zwarte bladzijde in de geschiedenis, maar niet voor de kunstgeschiedenis. Dankzij De Stuers bleef immers zo een bijzondere collectie van middeleeuwse beelden bewaard, aldus conservator Lon van Liebergen in de catalogus die de grote overzichtstentoonstelling over middeleeuwse kunst uit Brabant begeleidt.

Ruim 120 beelden zijn er te zien, die in het hertogdom Brabant tot stand kwamen. Niet alleen uit musea zijn de voorwerpen afkomstig, ook kerken hebben welwillend hun devotiebeelden tijdelijk afgestaan. Kruisbeelden, Maria's, Annatritsen, blote Christuskindjes, kuise maagdheiligen, koene ridderheiligen laten zich nu in het museum bewonderen. Ze zullen moeten wennen aan de opmerkingen die rondom hen opklinken, want die zullen niet zozeer van vroomheid alswel van smaak getuigen.

Sommige beelden verkeren in erbarmelijke toestand. Van Liebergen ontdekte bij de selectie voor de expositie droevige dingen: scheuren, afbladderende verf en houtworm bijvoorbeeld. Ook de bezoeker kan deze mankementen waarnemen als hij de beelden bekijkt. Vooral de achterkant blijkt interessant, want daar zijn in het uitgeholde hout de scheuren het duidelijkst zichtbaar. Centrale verwarming blijkt in veel gevallen een grote boosdoener.

Het is jammer dat een deel van het tentoongestelde kennelijk nog steeds bedreigd wordt door een onjuiste omgang met de materie, want één ding wordt in Uden wel heel duidelijk: de Brabantse beeldhouwkunst verdient een beter lot.

Van Liebergen zelf heeft het voortouw genomen met het werk van de 15e-eeuwse Meester van Koudewater. Al jaren houdt hij zich bezig met de jacht op beelden van deze kunstenaar, wiens atelier zich mogelijk in Den Bosch bevond. Inmiddels zijn er al 14 beelden van deze kunstenaar achterhaald, gerestaureerd, en nu hier te zien.

Poppengezichtjes met neergeslagen ogen, pruimenmondjes en spitse kinnetjes heeft de meester aan zijn heiligen meegegeven. Ingekeerde gelaatsuitdrukkingen die tot vrome overpeinzing oproepen. Je raakt er niet op uitgekeken, ook omdat de beelden nu bijeen staan en zich goed met elkaar laten vergelijken.

Maar dat geldt ook voor het werk van twee andere Brabantse meesters die hier voor het voetlicht zijn gehaald. Ook zij danken hun (nood) naam aan de plaatsen waar zij meerdere werkstukken voor afleverden: de Meester van Soeterbeeck en de Meester van Leende. De eerste was in de 15de eeuw actief in het noordoosten van het hertogdom Brabant, terwijl de tweede in de 16de eeuw leefde en zich meer richtte op het zuidoosten van het gebied. De beelden van de Soeterbeeckse meester zijn ontdaan van hun verflagen, zodat we nu donkere, notenhouten heiligen zien staan. Bij de Meester van Leende zien we soms kale, soms opnieuw beschilderde beelden. Die beschildering dateert vaak uit de 19de dan wel 20de eeuw en het kost moeite om onder de harde kleuren de schoonheid van het houtsnijwerk te herkennen en te kunnen waarderen.

In de catalogus wordt aandacht besteed aan de geschiedenis van het gebied, aan Noord-Brabantse koorbanken, aan twee Birgittijnse abdijen - het Udense Museum is ondergebracht in een gedeelte van de birgitinnesser abdij 'Maria Refugie' - en aan de hierboven al genoemde Meesters.

Droeve en vreemde gebeurtenissen passeren in de catalogus de revue. Ze worden gelukkig niet altijd alleen serieus, maar ook met humor gesignaleerd. Het merkwaardigst is wellicht de anekdote over de notitie in het Dodenboek van de birgittinesser abdij van Koudewater.

Achter de naam van pater Thomas van Erp, die in februari 1724 overleed, schreef een zuster: ,,Sijn eerwaarde is tot Barlecom gestorven en aldaar in de reformeerde kerk begraven, ons Heer hope sal sijn siel ghenadig weze''. Sloeg dat ene woordje 'hope' op het feit dat de pater in de hervormde kerk van Berlicum werd begraven en dat men hoopte dat hem dit in het hiernamaals niet aangerekend zou worden? Nee dus. De schrijfster van het zinnetje was boos, heel boos. De pater had hun klooster Koudewater namelijk verkwanseld door eigengereid optreden en geruzie.

Het zinnetje is een van de boeiende voorbeelden uit de catalogus waaruit blijkt dat het een misvatting zou zijn om vrouwelijke religieuzen als makke schapen te beschouwen, die alles klakkeloos navolgden. Het zal de huidige moeder-abdis en het kleine aantal zusters van het klooster in Uden tot troost zijn, ook al kunnen zij hun middeleeuwse heiligenbeelden niet langer in hun eigen kerk vereren, maar moeten zij daarvoor naar de kloostervleugel waar het museum is ondergebracht.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden