Review

Prima bedenksel is het hoofd

'Apenlier', zo heet de nieuwe bundel van Rob Schouten en dat is toch wel een hoogst merkwaardige titel.

De lier, nietwaar, is het attribuut van goden en dichters en heeft niets aapachtigs. Het woord staat trouwens ook niet in de Van Dale. Schouten heeft weer eens een neologisme verzonnen waarin ons menselijke laagje beschaving de suggestie meekrijgt vaak een heel dun laagje te zijn over -wat zal ik zeggen?- onze apenklieren. Tegelijk spelen er allerlei andere tegenstellingen in deze titel mee die Schoutens werk sinds zijn debuut in 1978 kenmerken. Die tussen natuur en cultuur, gevoel en verstand, de werkelijkheid en de wijze waarop wij die subjectief waarnemen. Wat dat betreft is hij in een kwarteeuw een zeer consistente dichter gebleken, al is er in formele zin (hij begon als een dichter van vakbekwaam dichtgetimmerde, waar het zo uitkwam confronterende sonnetten) wel veel veranderd.

Al in zijn eerste bundel schreef hij in het gedicht 'Ik dus' over zichzelf als over 'een introverte solipsist'. Dat solipsisme: het idee dat de wereld alleen bestaat in je eigen geest, daarbuiten is niets, - heeft hij later in zijn rigide vorm wel laten vallen, maar toch nooit helemaal losgelaten. Het is ook niet voor niets dat hij in zijn nieuwe bundel, nota bene in het gedicht 'In Paradisum', het brein introduceert als:

'Prima bedenksel is het hoofd

en verre van gevangenis:

gedachten lopen in en uit,

over de balustraden hangen

oude en dierbare momenten,

[...]

Alles heel smaakvol ingericht

met de geschiedenis der mensheid,

en praktisch ook: opdrachten komen binnen

en worden uitgevoerd, instincten stompen af

en groeien aan. Geen flauw idee

wanneer het maar eens afgelopen moet zijn.'

Onze hersens zijn misschien niet almachtig (zie de slotzin van het citaat) maar wel machtig. ,,De schedel galmt van woorden'', schrijft Schouten elders in de bundel, en er wordt 'moeizaam puzzlend' over de wereld nagedacht. En diep in zijn hart is hij misschien nog steeds solipsist: ,,De wereld echt? Kleine bazige wezens / vollerlei wijsheden, de som der dingen, / eeuwig wachten en de zekerheid van de dood? // That all? Dan moet ik als een Hun tekeer''. Dit zijn geen kleine woorden, ook al weet de dichter ze ironisch en bij vlagen grappig spreektalig te toonzetten. En dat hij ons apengemoed, onze niet verstandelijke kant, niettemin geen kwaad hart toedraagt, blijkt uit regels als: ,,Maar je moet het ook niet overdrijven, / het is je schedel maar.''

Het bijzondere van deze poëzie is dat ze eeuwig heen en weer meandert tussen verstand en gevoel, beschaving en dierlijke instincten. Welbeschouwd heeft deze dichter het nooit over iets anders gehad. Het instinctieve element bepaalt ook de meer morsige kanten van deze gedichten. Want zij nemen geen blad voor de mond! Tegen een achtergrond van beschaving, van zeg maar Bach, Schliemann, Schubert, Nietzsche en wie niet al, wordt er geneukt, platgenaaid, gebeft en gepist. De mens is een 'medewolf', grootmoeder een 'pornoster' en als er lichamelijk of geestelijk verlangen gestild moet worden gebeurt dat middels een 'borstig blondje', masturbatie of een zelfverzonnen psalm 151.

Schouten is in zekere zin een experimentele moralist, iemand die de beschaving, die hij hoogschat, voortdurend confronteert met de 'dierlijke' zelfkant van de maatschappij. Hij weet dat ironisch, cynisch of sarcastisch te brengen in gedichten die, als het een beetje meezit, ook nog eens bloedmooi of interessant zijn. Of een beetje schunnig en smerig ook: 'net of de allerergste prut / zo het afvalputje in gorgelt'. Hij staat werkelijk voor de tegenstellingen die hij in poeticis belichaamt. En zijn zelfspot is daarbij misschien nog wel zijn sterkste wapen:

'Vrouwen met krachtige borsten

en kapiteins of piloten,

zo moet het zijn in berg en dal.

Maar op een keer is broos en bleek

ertussendoor geglipt de kamergeleerde,

scholasticus domesticus,

die vindt van niet. Vandaar

het woekeren der kreupelen en junks,

vervallen fallussen, brildragers

en, geef toe, schrijver dezes.'

Deze identificatie met de zelfkant, vanuit een broos en zelfbewust intellectualisme, is ook weer zo'n merkwaardig spanningsveld in deze poëzie. En dat ietwat dubbelzinnige moralisme dat ik de dichter hierboven aanwreef, zal hem zeker niet bevallen, maar toch is het zo. Tot in de kleinste en meest cynische gedichtjes aan toe, zoals in 'Cytologie' (wat 'celbiologie' betekent):

'Een volle zaal met allemaal genieters,

op straat Jan Lul vragen naar politiek

- had het eencellige maar nooit gescheiden!

Maar 't is te laat en van wat zo moet wezen

steekt ook de dichter mooi ziek in zijn vel.'

Dubbelzinnige regels, ik zei het al, en ik denk niet dat er veel dichters zijn die dat zo expressief weten uit te drukken. Maar ja, je moet ook over een apenlier beschikken om dat te kunnen. En dat is een instrument dat maar aan weinigen gegeven is.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden