Prijsstijgingen maken voorstellingen te duur, kleinere zalen vallen af

AMSTERDAM - D-day is naar verwachting 1 juli. Directeur Jan Knopper van de Vereniging Schouwburg- en Concertgebouwdirecties (VSCD) hoopt dat op die datum de verlaging van het BTW-tarief voor toegangskaartjes van 17,5 naar zes procent een feit zal zijn. Een belangrijk struikelblok voor de oprichting van het Programmeringsfonds - wáár moet het geld vandaan komen - zou daarmee verdwijnen.

Eind 1995 liet staatssecretaris Nuis de Tweede Kamer weten dat schouwburgen en concertzalen een beroep moeten kunnen doen op subsidies voor de programmering van artistiek hoogstaande, maar risicovolle voorstellingen. Het zou daarbij zowel gaan om produkties van de gesubsidieerde gezelschappen als van vrije theaterproducenten.

Het geld voor de financiering van een dergelijk fonds zocht Nuis in de verlaging van de BTW op toegangskaartjes die het kabinet medio mei 1995 goedkeurde en die op 1 januari 1996 van kracht werd. Van het verschil, 11,5 procent, blijft de helft zonder meer bij de BTW-plichtigen in de cultuursector, het andere deel vloeit terug naar het ministerie van OCW. Op die manier krijgt OCW financiële armslag, onder andere voor de oprichting van het fonds.

Voorwaarden voor de operatie zijn dat de BTW-plichtige culturele instellingen hun 'voordeel' niet benutten om de winst te vergroten of om de toegangsprijzen te verlagen. De vrijgekomen gelden moeten worden aangewend om de financiële noden in de kunstensector op te vangen. De eerste afspraak over de invulling van die eis werd 27 oktober al gesloten tussen de Nederlandse Federatie voor Cinematografie en het Nederlands Fonds voor de Film. Wat betreft het Programmeringsfonds bereikte Nuis een kleine maand later in principe overeenstemming met de VSCD, waarbij 125 schouwburgen en concertgebouwen zijn aangesloten.

Directeur Knopper van de VSCD legt uit waarom er een programmeringsfonds moet komen. “Bij voorstellingen waarvoor grotere artistieke risico's worden genomen, valt publieke belangstelling slecht te voorspellen.” Die onzekerheid is met name voor directeuren van middelgrote schouwburgen concertzalen een belangrijke factor. Temeer daar de subsidiënten - de gemeenten en in het geval van Amsterdam, Rotterdam en Den Haag tevens het Rijk - verlangen dat de kosten worden gedekt.

“Als aanbieder van een productie ben je afhankelijk van het aantal schouwburgen dat de voorstellingen afneemt. Hoe meer voorstellingen, hoe lager de overhead-kosten. Maar door de op zichzelf verklaarbare prijsstijgingen van de afgelopen jaren - het publiek is bijvoorbeeld hogere eisen gaan stellen - worden de voorstellingen te duur. Gevolg? Kleinere zalen vallen af, de theatermakers moeten hun overhead-kosten uitsmeren over een kortere serie en dus worden de voorstellingen per stuk nog duurder.” Hetgeen weer leidt tot verdere verschraling van het aanbod.

Die dreigende ontwikkeling houden OCW, toneelproducenten en theaterdirecteuren met argusogen in de gaten. Knopper: “Het is nu al zo dat producties niet worden gemaakt, omdat ze niet voldoende kunnen worden geplaatst. Er is sprake van een neerwaartse spiraal.” Het geven van voorbeelden is moeilijk, omdat het veelal gaat om het schimmige spel dat voorafgaat aan een voorstelling in theater X in plaats Y. Een producent bedenkt iets, stelt een cast samen, maakt een financieel kladje en stapt vervolgens naar de theaters. Als dan blijkt dat onvoldoende directeuren geïnteresseerd zijn, gaat de productie stilletjes af door zijdeur en het publiek is niets wijzer.

“Over het algemeen zal men gráág verantwoord willen programmeren, maar een aantal schouwburgen kan gewoon niet meer tegen de kosten opboksen. Stel nu dat een producent met een mooi voorstel komt en de reactie van een theater is: ik kan mij geen 15 000 gulden uitkoop permitteren, maar wel 10 000 gulden. Voor dat verschil zou het Programmeringsfonds dan een afnamesubsidie kunnen verstrekken aan die schouwburg om het draagvlak, de duur van de serie te verlengen.”

Daarnaast zou het fonds volgens Knopper gesubsidieerde toneelgezelschappen, die jaarlijks gemiddeld tien premières brengen met series van twintig à dertig voorstellingen, kunnen voorleggen een bepaalde productie door te trekken, 'desnoods met een tweede cast, hetgeen in Engeland héél gebruikelijk is'. Het fonds zou ook zelf een oproep kunnen doen aan toneelmakers die denken een interessant plan te hebben.

Knopper denkt dat voor de realisatie van het fonds betrekkelijk weinig geld nodig is. “Met vier à vijf miljoen over vier jaar trek je de hele zaak vlot. En uiteindelijk komen die afnamesubsidies in de vorm van betalingen ook terecht bij de aanbieders.”

Het voorbereidende werk is nog gaande, maar waar Knopper aan denkt, is dat er vooraf wordt bepaald - in overleg ook met de aanbieders - welke producties tot het systeem worden toegelaten, wat de norm is voor de bezettingsgraad van een zaal en dat het theater vervolgens achteraf een beroep kan doen op het fonds. “Het is eigenlijk een suppletie, een aanmoedigingspremie. Het gaat erom dat de voorstelling wordt gespeeld, omdat zij door meer theaters wordt gedragen.”

Het beheer van het programmeringsfonds kan volgens Knopper worden ondergebracht bij het Fonds voor de Podiumkunsten. “Dat is logisch, het is daarvoor geoutilleerd. Máár, er moet wel een constructie komen waarbij de schouwburg- en concertgebouwdirecteuren in belangrijke mate zeggenschap krijgen in de besteding van het fonds.” Op dit moment krijgt het Fonds voor de Podiumkunsten van OCW een bepaald bedrag voor incidentele projecten, waarbij het geheel zelf beslist welke subsidieaanvragen het honoreert.

Knopper is al met al tamelijk optimistisch over het slagen van de operatie. Ook al zijn de gemeenten en de schouwburgen op dit moment nog met elkaar in de slag over de consequenties van de BTW-verlaging voor de gemeentelijke subsidies. Zo lijkt het er in Eindhoven op dat de gemeente het BTW-voordeel in zijn geheel in mindering zal brengen op de subsidies. De theaters schieten er dan hoe dan ook geen spat mee op. Directeur F. Bruins van de Eindhovense Stadsschouwburg vreest dat de gemeente de kraan inderdaad zal dichtdraaien en acht het mogelijk in dat geval éérder een beroep te moeten doen op het fonds. Via een achterdeur zou het rijk dan dus mee betalen aan gemeentelijke verplichtingen.

George Lawson, hoofd podiumkunsten bij OCW, vindt dat gevaar nogal denkbeeldig. “Wat wij zouden storten in het Programmeringsfonds is betrekkelijk gering, één miljoen per jaar, terwijl er jaarlijks tien à elf miljoen aan BTW terugvloeit naar het rijk. Maar natuurlijk moeten we er bij de werking van het fonds wel op letten dat de gelden die in dat fonds komen geen substituut worden. Het moet het niet makkelijker maken op de programmering van schouwburgen te bezuinigen. Integendeel, het zou juist moeten stimuleren. Bij de uitwerking van het fonds kan daar echter goed op gelet worden.”

Knopper zelf noemt het geschetste snoeiscenario een 'helscenario'. “De gemeenten willen inmiddels wel dat hun directeuren de afspraak over de BTW-verlaging ondertekenen. Maar de schouwburgen zullen zeggen: ik heb een zelfstandige positie, míj wordt gevraagd te tekenen, het gaat om míjn kassa en onder uw voorwaarden doe ik het niet. De gemeenten zullen ergens moeten toegeven, want als de afspraak niet wordt ondertekend, blijft alles bij het oude.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden