Priester gebleven, ondanks alles

(Trouw)

Pas aan het eind van zijn lange leven leerde zijn familie Frans Haarsma kennen. Ze hadden in verschillende werelden geleefd.

Slagersgezin Haarsma in het Friese dorp Balk had het niet breed, midden jaren twintig, met steeds weer een kind erbij. De kleine Frans van vier moest daarom maar bij oom en tante in Bakhuizen gaan wonen, een kilometer of acht verderop. Oom en tante waren geen echtpaar, maar een broer en zus die, ongetrouwd en kibbelend, bij elkaar woonden. Met een kleuter erbij zou het vast gezelliger worden bij hen in huis, dachten de ouders van Frans.

Vier jaar gezinsleven, daar moest hij het de rest van zijn leven mee doen. De broers en zussen die na hem geboren werden, - ze waren uiteindelijk met dertien kinderen - kenden hem niet. Met zijn ouders had Frans weinig contact. Het motto was: geen bericht, goed bericht. Daar hield iedereen zich keurig aan.

Dankzij dat verblijf bij oom en tante, hoefde hij niet in de slagerij te helpen, maar kon hij verder leren. Op zijn twaalfde ging Frans Haarsma naar het kleinseminarie. Nu was het de beurt van een zus om oom en tante op te vrolijken. Maar die zus verzette zich met al haar katholieke Friese koppigheid en het ging mooi niet door. De eerste feminist in de familie, zeiden ze later.

Frans Haarsma werd de eerste professor van de familie. Hij was als priester gewijd, en ging lesgeven op de priesteropleiding in Rijsenburg, het seminarie bij Driebergen.

’Haas’ noemden de studenten hem, want als hij werd meegesleept door zijn eigen gedrevenheid, maakte hij zonder zich ervan bewust te zijn hazenoortjes, door met wijs- en ringvinger van beide handen in de lucht te priemen. Dat gebaar zagen de studenten hem vaak maken als hij terugkwam van het Tweede Vaticaans Concilie.

Frans Haarsma was daarbij, in Rome in de jaren 1963-65. In het katholieke dagblad De Tijd deed hij verslag, maar ook op college moest hij zijn opwinding erover kwijt. Het hing in de lucht dat er in de kerk iets ging veranderen. Het celibaat zou binnen de kortste keren afgeschaft worden. Priesters kwamen van hun voetstuk af, de kerk ging de gewone gelovige serieus nemen.

Op bezoek bij de Wereldraad van Kerken, in Genève, zag Frans Haarsma vrouwen een kerkdienst leiden en vanaf dat moment zag hij de onzin van het verbod om vrouwen tot priester te wijden.

Op het seminarie leidde Frans Haarsma jongemannen op die in de parochie aan het werk zouden gaan, en die daar later troost en steun zouden moeten geven. De een kon dat makkelijker dan de ander. Hij dacht vooral na over dat geven van troost, dat nabij zijn, dat mocht niet afhankelijk zijn van de toevallige talenten van een pastoor. Het moest een echt vak zijn, met een systematische beschrijving. Wat was nabijheid eigenlijk? vroeg de man zich af die als jongetje van vier het gezin moest verlaten om zijn kibbelende oom en tante bij te staan.

Wat was de betekenis ervan, hoe zat het in elkaar en hoe pakte je het aan als professionele trooster? In de traditionele vakken die de priesterstudenten kregen, zoals dogmatiek en exegese, kwam dit niet aan de orde. Geen van de vakken ging over de ontwikkelingen in de samenleving, over de veranderende wereld, en ook de veranderende kerk waardoor de katholieke gelovigen soms in verwarring werden gebracht. Of over de vraag hoe je de traditie kon vertalen naar het heden, zonder een modieuze nieuwlichter te worden.

In 1967 werd Frans Haarsma professor in Nijmegen, de eerste katholieke hoogleraar pastorale theologie in Nederland, bijna twee eeuwen nadat dit vak in Oostenrijk was ingevoerd. Daar was dat gebeurd dankzij keizerin Theresia, die de leerstoel in 1774 had opgericht. Toeval of niet, aan de protestantse Vrije Universiteit kwam in diezelfde periode halverwege de jaren zestig ook voor het eerst een leerstoel voor hetzelfde vak, met Jaap Firet als hoogleraar.

Met zijn geleerdheid en betrokkenheid ging Haarsma tot de katholieke prominenten horen. Zijn naam viel als kandidaat voor de bisschopszetel in Utrecht, toen midden jaren zeventig kardinaal Alfrink terug wilde treden. Niet hij werd bisschop,, maar kardinaal Willebrands.

Zijn traditioneel katholieke familie zag met enige moeite dat hun heeroom de professor behoorlijk progressief was. Wat voor hen vanzelfsprekend was, daar had heeroom vragen bij.

Een van de collega’s op de Nijmeegse Radboud Universiteit was Catharina J.M. Halkes, de eerste hoogleraar feministische theologie. Tine, voor vrienden, en dus ook voor hem. Vriendschap voor het leven, met een vanzelfsprekendheid waar de Friese familie wel erg aan moest wennen, en de universitaire collega’s soms ook. Tine had kinderen, was gescheiden.

Waarin ze elkaar vonden, behalve in het roken van sigaren, was zeker ook in hun loyaliteit aan de kerk. Nooit een spoor van twijfel of ze de kerk zouden verlaten. De kerk, daar bleef je bij, in goede en kwade dagen, dus ook als het een kant op ging waar progressieve katholieken als Frans Haarsma niet blij van werden. In 1970, bij de benoeming van de jonge en conservatieve Ad Simonis als bisschop van Rotterdam, wist Haarsma dat alles in de kerk weer strak aangetrokken zou worden. De kerk werd meer een strenge regelgever dan een troosteres.

Haarsma zag menig priester van zijn leeftijd het ambt verlaten. Om te trouwen meestal, maar ook uit hevige onvrede met het kille klimaat, het gebrek aan soepelheid, het tekort aan menselijke warmte. Ook hij leed aan de kerk, en ervoer dat hij machteloos stond.

Haarsma bleef priester. Hij bleef ook de priesters nabij die uittraden. Hij bleef bouwen aan de kerk, ook al brokkelden daar stukken vanaf waarvan hij had gehoopt dat het torens zouden worden. Ook al zag hij hoe een grote afstand er kwam tussen de clerus en het volk. De kerk was geen warme, hechte familie.

Na zijn emeritaat bleef hij schrijven. Hij maakte ook tijd vrij voor de familie, die hem niet kende. Zijn neven en nichten, de kinderen van zijn broers en zussen, bracht hij bij elkaar op een reünie. Heeroom Frans, zoals ze hem noemden, kreeg een gezicht. Een lange man, vol belangsteling. Ze kwamen erachter dat heeroom zich als een tweede vader ontfermd had over een van de neven, en hem had laten doorleren. De neef werd later ook hoogleraar, net als heeroom, maar dan in een ander vak.

Heeroom Frans nam vriendin Tine Halkes mee. Daar moest de familie eerst aan wennen, maar ze zagen dat er geen verbod op vriendschap was. Priester zijn was al eenzaam genoeg. Was het dan geen zegen dat hij zo’n band had met een vrouw die ook een vakgenote was? Heeroom Frans zorgde voor Tine Halkes toen die aan haar knieën geopereerd moest worden. Ze woonden in Nijmegen een paar minuten bij elkaar vandaan.

Toen hij ernstig verzwakt ziek thuis lag, kwamen twee van zijn zussen bij hem langs. De jongste, geboren toen haar broer al op het seminarie zat, kende hem nauwelijks. Ze vroeg of ze hem misschien kon bijstaan. Hun aanbod was welkom, het meest nog voor de gezelligheid. Zo genoot hij de laatste maanden van zijn 88-jarige leven voor het eerst van de nabijheid van twee van zijn zussen. Eindelijk leerden ze elkaar kennen.

Ze haalden de krant voor hem uit de bus. Met hen dronk hij zijn laatste glas wijn, en rookte hij zijn laatste sigaar. Ze zaten die keer met de knieën tegen elkaar, net als kleine kinderen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden