Priester die op afstand bleef

(FOTO TONNIS MUSSCHENGA)

Als priester oogstte hij applaus en als vertaler en schilder waardering. Maar Ton van der Stap beheerste ook de kunst van het vluchten.

Als hij vanuit de gang zijn voordeur opendeed, zag Ton van der Stap de wijdte van het Groninger land. Hij liet die deur vaak open. Die wijdte en dat licht, daar kon hij grenzeloos van genieten.

Een voordeel was ook, dat ze op afstand bleven, ver buiten zijn terrein.

Ton van der Stap raakte intiem met de Groninger verte door deze te schilderen. Dan had hij het geheel in eigen hand. Landschappen komen nooit zo dichtbij dat het benauwd wordt. Ze doen niet aan verheerlijking, geven geen verplichtende vertaalopdrachten, plaatsen niemand op een voetstuk, zoals sommige mensen in de kerk waar hij preekte. Op deze Klinkenborg woonde hij de laatste 25 jaar van zijn leven, en voor het eerst vluchtte hij er niet van weg.

Dat mag bijzonder genoemd worden. Bij alle begaafdheid van Ton van der Stap, zoals zijn gevoel voor taal, zijn schilderkunst, was hij ook de kunst van het vluchten meester.

Daar was iets tegenstrijdigs mee. Ton was iemand, zeggen goede vrienden, die op een onnadrukkelijke, haast charmante manier dominant was. Hij bepaalde wat er gebeurde, of wat er niet gebeurde, maar zo dat het niet erg opviel. Zo ging hij liever bij vrienden eten dan dat hij ze uitnodigde. Op die manier kon hij altijd zelf bepalen wanneer het weer genoeg geweest was.

Maar toch gebeurde het kennelijk wel eens dat hij in de knel kwam. Dan vluchtte hij.

Geboren in Den Haag, in een ambtenarengezin, volgde hij in Maastricht de opleiding van de jezuïeten. Van daaruit studeerde hij Nederlands in Nijmegen en toen hij in Maastricht tot priester was gewijd haalde Huub Oosterhuis hem naar Amsterdam.

De keuze voor het priesterschap beschreef hij zelf later, met woorden als het ’toedekken van de breuk met het ouderlijk huis’ en ’een mogelijkheid een noodlottig soort eenzaamheid te cultiveren tot een levensstijl’. Er waren ook inspirerende leraren, die hem gelokt hebben naar het land van de diepgang, het denken, de religieuze taal.

Die priesteropleiding bleek ook het land te zijn van onvrijheid, en van erotiek die er was, maar er niet mocht zijn.

Net als Huub Oosterhuis werd ook Ton van der Stap in 1969 uit de jezuïetenorde gezet. Hij bleef preken en pastorale gesprekken houden, bij de Amsterdamse studentenekklesia waar Oosterhuis voorganger was, en bij de Dominicuskerk, ook al zo’n rebelse geloofsgemeenschap.

De kerkgangers hingen aan zijn lippen. Soms zelfs kreeg hij applaus. Waar anderen daar trots en voldaan van naar huis keerden, gold dat niet voor Ton van der Stap.

Hij was niet vrij in de studentenekklesia. Hij vertrok plots naar Zuid-Frankrijk, naar een huis dat tegen de rots aan gebouwd was, waarin meer mensen woonden.

Daar wilde hij ongestoord schilderen, en dan nu echt goed. Niet die werken die hij in Amsterdam gemaakt had en die zijn vrienden wel eens uit de kattenbak visten en inlijstten, terwijl hij ze zelf had afgekeurd.

Nu hij was weggegaan uit Amsterdam, kon hij niet meer schilderen in de stijl zoals hij in Amsterdam gedaan had. Het moest anders. Was het beter?

Drie jaar na zijn vlucht uit Amsterdam belde hij in wanhoop zijn vrienden. Het lukte niet. Hij kreeg niet genoeg werk als vertaler, het schilderen ging niet en hij kende niemand. Of ze hem konden halen.

In Kantens, een dorp ergens tussen Groningen-stad en de Waddenkust, trok hij in 1983 in de Klinkenborg. Een behoorlijk afgelegen boerderij, met ramen als omlijste vergezichten en rondom een tuin met oude bomen.

Rust om de Nieuwgriekse dichter Kavafis te vertalen, of diens vakgenoot Ritsos, en om te schilderen, over Virginia Woolf te lezen, de wereldliteratuur bij te houden, boeken over schilderkunst te bestuderen.

Even was er weer paniek. Het dak van de reusachtige schuur achter het huis lekte en hij kreeg het niet voor elkaar dat op te lossen. Of zijn vrienden hem wilden halen.

Dit keer ging het anders. De vriend die hij om hulp had gevraagd kwam hem niet halen, maar ging met zijn partner bij hem wonen. Niet in het huis, dat was te dichtbij. Ze bouwden een huis in de schuur. Een afstand, klein genoeg om de vriendschappelijke contacten te beperken tot een keer per week samen eten. Dan stroomde de jenever, dan waren er eindeloze gesprekken, dan zei hij grappend ’jullie zitten wel met een priester aan tafel’. Die gezamenlijke maaltijden waren nooit in het voorhuis, waar hij zelf woonde, maar altijd in de woning achter. Zodat er altijd de vrijheid was om, als het genoeg geweest was, op te stappen en weg te gaan.

Dat bleef zo. Ton van der Stap woonde in het voorhuis, sober. Hij kleedde zich met de afdankertjes van zijn vrienden, vertaalde boeken om geld te verdienen, zoals de werkjes van Anselm Grün en de dikke autobiografische delen van Hans Küng.

En verder schilderde hij. Een smalle man, even fragiel en taai als de jonge eikenloot die hij op het doek zette.

Wel taai, maar niet gezond. Longemfyseem maakte hem kortademig. Voor zijn zeventigste verjaardag gaven vrienden hem een uitgave in eigen beheer van zeventig Kavafis-gedichten, in zijn eigen vertaling. Een vertaling die geroemd werd omdat die getuigde van het aanvoelen van het Nieuwgrieks van binnenuit.

De kortademigheid werd steeds erger.

Natuurlijk wilde hij niet naar het ziekenhuis, toen het plots slechter ging. Wie in het ziekenhuis ligt, heeft weinig meer in te brengen. Hij wilde thuis blijven.

Erotiek, de nabijheid van een mannenlijf, bleef tot aan zijn sterfbed een bron van vreugde en vitaliteit. Ernstig verzwakt, werd hij door een bouwvakker, die het dak van de Klinkenborg vernieuwde, naar zijn bed gedragen. Even benauwd als opgetogen zei hij, eenmaal in bed, wat een mooie man dat was, en zo lief.

Na zijn dood blijkt er in de metalen, brandveilige archiefkast in zijn atelier een vertaling uit het Nieuwgrieks van de gedichten van Yannis Ritsos te liggen.

Even precies en nauwgezet vertaald als altijd. Een paperclip houdt de velletjes bijeen met, in het puntige handschrift, de definitieve versie. In de map liggen ook de vorige versies. Op sommige staat het jaartal 1977.

Bij zijn uitvaart kwamen de mensen die van hem over de mysticus Eckehardt geleerd hadden, jezuïeten en oud-jezuïeten, en ook zijn enige zus, wat ouder dan hij. Ook vroeger al, zei ze, had ze gezien hoe begaafd hij was.

En dat hij koos voor afstand.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden