Kerstverhaal

Prettige Kerst, meneer Van Alphen

Beeld Patrick Post

De telefooncirkel waar de bejaarde Mia in zit, stokt op Eerste Kerstdag. Meneer Van Alphen neemt niet op. Mia besluit hem op te zoeken. Een kerstverhaal van Gerwin van der Werf.

De kerkdienst op televisie was net afgelopen toen de telefoon ging. Dat moest het oude zeikwijf zijn. “Dag Cor”, zei Mia. “Ik heb niet veel tijd”, begon het oude zeikwijf. Ze mocht dan weinig tijd hebben, haar stem was net zo lijzig als altijd. “Mijn kinderen komen zo, mijn dochters helemaal uit Brabant hè en alle kleinkinderen komen mee. Alle vier. O nee, vijf. Hoe vind je dat? Nee, ik ben niet eenzaam, niet zoals jij, nou we praten morgen wel verder ik moet nu echt ophangen want mijn zoon kan ieder moment op de stoep staan met zijn nieuwe vriendin. Nou dag.”

“Dag Cor, fijne Kerst”, zei Mia tegen de pieptoon in de hoorn.

Ze staarde een tijdje naar de staartklok die na zestig jaar nog steeds exact vijf minuten per dag achterliep. Daarna naar de foto van Gerrit en Joris op het dressoir. Vader en zoon, naast elkaar nét zonder elkaar te raken. De zoon stak boven de vader uit. Beiden een strenge, bevroren lach. Hetzelfde gezicht tweemaal, met dertig jaar ertussen. Veranderen zouden die gezichten ook niet meer. Ze had al jaren niet gehuild. Tegen anderen zei ze dat al het vocht in haar benen was gaan zitten.

Lekker kort 

Cor had het lekker kort gehouden. Doorgaans kwam er pas een eind aan het druilerige gemopper van het oude zeikwijf als Mia haar onderbrak met de mededeling dat ze verder moest bellen. Anders zou men verderop in de cirkel ongerust worden. “O ja meid, je moet die oude zeurpiet nog bellen.” Maar de oude zeurpiet was helemaal geen zeurpiet. Het punt was, hij praatte helemaal niet. Mia wist alleen dat hij Van Alphen heette. Ze hadden de volgende afspraak: Mia liet de telefoon vijf keer overgaan, meneer Van Alphen nam op en legde de hoorn direct weer neer. Wie hij op zijn beurt moest bellen en hoe hij dat deed wist ze niet. Na de eerste keer, ruim een jaar geleden, had ze geen contact meer gehad met meneer Van Alphen, al nam hij trouw iedere dag de telefoon op. Het had iets geruststellends, dat zwijgen. Het was beter dan dat geleuter van Cor. Cor was door haar oudste dochter aangemeld voor de telefooncirkel, Mia had zichzelf aangemeld. Wie meneer Van Alphen had opgegeven was een raadsel. Ze stelde zich voor dat hij een belezen man was met een wit baardje en een adellijke stamboom. Hij had geen tijd voor leuterpraatjes.

Het was tijd. Ze toetste het nummer in en spitste haar oren terwijl de telefoon overging. Zodra hij op zou nemen zou ze ‘Prettige Kerst meneer Van Alphen!’ in de hoorn roepen voordat hij de hoorn weer op de haak kon gooien.

Hij nam niet op

Maar hij nam niet op. Na tien keer nog niet. Ze wachtte vijf minuten, starend naar de klok en belde nogmaals. Geen gehoor. Ze rommelde wat in de keuken, deed een afwasje en zette koffie. Daarna belde ze nog een keer. Niets. Dit was nog nooit gebeurd! Van de zenuwen kon ze niets meer. De hele Kerstdag verloren. Het protocol van de telefooncirkel schreef voor dat ze nu de vrijwilligster van het wijkcentrum zou bellen. Maar dat kon toch niet met Kerst? Misschien was het wel niet de bedoeling dat je met Kerst de telefooncirkel deed. Ze had dat nummer van die vrouw trouwens ook niet.

Ze wachtte een uur, belde, wachtte nog een uur, belde weer. Wat nu? Zomaar iemand uit de telefooncirkel een bezoekje brengen was ten strengste verboden, en dat was maar goed ook. Stel je voor dat het oude zeikwijf ineens voor haar deur zou staan. Maar dit was een noodgeval. Er stonden zes Van Alphens in het telefoonboek. Het telefoonnummer kwam overeen met een adres op de Haagweg. Ze schatte in dat het een half uur lopen was, misschien drie kwartier, met haar benen. Ze belde een laatste keer, tevergeefs. Daarna trok ze haar schoenen en haar warme jas aan.

De straten waren leeg

De straten waren leeg. Een hardloper, een man met een hond, een paar auto’s. Na tien minuten lopen had ze al pijn in haar rug en haar benen. Halverwege bleef ze een tijdje uitrusten tegen een elektriciteitskastje. Haar onrust had plaatsgemaakt voor nieuwsgierigheid. Misschien droeg meneer Van Alphen wel een pak met Kerst, zijn witte baardje mooi gekamd. Ze kwam uitgeput aan op de Haagweg. Het beetje licht dat deze grauwe Kerstdag had gezien trok al weg uit de hemel. Meneer Van Alphen woonde niet in het beste gedeelte van de straat. Lage rijtjeshuizen, allemaal met een blauwe voordeur. Het huis van meneer Van Alphen was donker. Het huis rechts had honderden kerstlampjes rond de ramen. De grijnzende kop van een plastic Kerstman staarde haar aan. Het huis links had de gordijnen gesloten, er kierde een rood licht tussendoor. Het leek wel een hoerenkast.

Ze belde vier keer aan. De bel galmde door de gang, het maakte het huis alleen maar leger en donkerder.

Ze tikte op de ruit.

“Meneer Van Alphen!”

Ze tikte harder op de ruit, tot haar knokkels zeer deden, en bleef roepen.

Uit de hoerenkast kwam een jonge vrouw. Een meisje leek het nog. Ze was netjes gekleed. Haar ogen en haar haren waren zo donker als de raven, haar wenkbrauwen gracieus als penseelstreken.

“Die woont hier allang niet meer mevrouw.”

“Maar hij zit in mijn telefooncirkel.”

“Hij is al een jaar dood.”

“Maar ik bel hem iedere dag!”

De jonge vrouw glimlachte.

“Een hartinfarct. Wij zijn op de begrafenis geweest.”

“Maar...”

“Ik ben Fajah, ik woon hiernaast.”

“Ik moet hem bellen, hij zit in de...”

“Kom”, zei Fajah, “u moet wat warms eten. We hebben net de soep klaar.”

Het meisje duwde haar zachtjes mee. Hemel wat was ze moe.

“Je bent een engel”, zei Mia.

Hand voor haar neus

Mia sloeg een hand voor haar neus en mond toen ze het huis binnenkwamen, overrompeld door de zware, kruidige geur in het huis. Er was geen kerstverlichting, er hing wel een soort lantaarn aan het plafond met rood, geel en groen glas. Midden in de kamer stond een man. Hij leek een stuk ouder dan het meisje, hij had rimpels in zijn voorhoofd en terugwijkend, kroezig haar. De man knikte en lachte vriendelijk. Er huilde een kind, maar Mia zag nergens een kind. Het was ondanks dat kleurige licht vrij donker binnen. De man bleef lachen, zijn gezicht stond bevroren in die mysterieuze lach.

“Wij doen niet echt aan Kerst”, zei Fajah, “met bomen en ballen en zo. Maar we houden wel van lekker eten. Ga zitten, dan kan u lekker opwarmen met een kom linzensoep.”

Ronde tafel

Ze zaten met zijn vieren aan een ronde tafel, Mia, Fajah, de man en een prachtig, popperig jongetje van een jaar of twee in een kinderstoel. Het kind at de soep uit een plastic kommetje en kauwde lang op een stuk taai witbrood. Mia glimlachte om beurten naar Fajah, de man en het meisje. De soep deed zeer in haar mond en was tegelijk zacht als zijde. Haar opgezette voeten knelden in haar schoenen. Ze zei: “Het lijkt hier wel een restaurant.” De man knikte met een lach bevroren in zijn gezicht en Fajah zei: “Dat is natuurlijk overdreven.” Maar Mia had er aan gedacht omdat ze alleen in restaurants haar schoenen aan had tijdens het eten.

“Ik moest maar eens gaan”, zei ze. De soep brandde na in haar mond.

“U mag blijven eten hoor”, zei Fajah.

“Nee, nee, ik moet nu echt gaan”, zei Mia. “Ik krijg nog bezoek hè, van mijn zoon. Mijn zoon Joris. Het is Kerst.” Ze stond op, haar benen liepen vol, werden loodzwaar, haar kuiten verkrampten. Ze moest weer gaan zitten.

“We brengen u thuis”, zei het meisje. “Waar woont u?”

Korte rit

De man bracht haar thuis. Van de korte rit herinnerde ze zich alleen de geur van de auto. Kummel en iets zoets. En het angstaanjagende geluid dat het voertuig maakte bij het optrekken. De man zwaaide haar na terwijl ze over het tuinpad naar de deur liep.

Ze maakte een pannetje melk warm. De melk verzachtte het branden in haar mond. Ze keek naar een televisieprogramma waarin mensen die elkaar jaren niet gezien hadden op Kerstavond door de presentator werden samengebracht. Ze dacht lang na over het mysterie Van Alphen. Morgen zou ze hem weer bellen. De nette heer met het witte puntbaardje zou opnemen, neerleggen en daarna verder lezen. Hoe dan ook zou het oude zeikwijf bellen om exact elf uur. Mia’s mond trok in smalle glimlach. Als Cor de moed zou hebben toe te geven dat haar kinderen helemaal niet waren gekomen, dat die met Kerst evenmin kwamen als de rest van het jaar, dan zou ze haar op de thee uitnodigen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden