Prettig ongekunsteld

Ingmar Heytze is poëzieambassadeur, ondernemer en pr-man, maar bovenal dichter. Ondanks zijn soms grote thema's blijft zijn poëzie licht, door zijn gevoel voor humor én timing. Vandaag deel 8 van de mooiste Nederlandstalige poëzie geselecteerd door Trouw.

Lange tijd kwam hij Utrecht niet uit. Een reisfobie hield hem binnen de stadsmuren. Maar dat nadeel wendde hij in z'n voordeel aan door de Domstad eind jaren negentig zo'n beetje tot het kloppend hart van de podiumpoëzie te maken. Ingmar Heytze, in 1997 gedebuteerd met 'De allesvrezer', was de man die behalve op papier ook standhield op een podium. Geen binnensmonds gemurmel op de planken, maar een klinkende voordracht.

Utrecht is vijftien jaar later nog altijd de woonplaats van dichter Ingmar Heytze (43). De stad, die hij inmiddels weer een paar keer per week verlaat voor optredens van Antwerpen tot Biddinghuizen, zit hem als gegoten. Hij was stadsdichter, bezong de 'toverstad waar baksteen groeit tot kathedralen' wekelijks in het AD/Utrechts Nieuwsblad. Hij richtte het Utrechts Dichtersgilde op en lobbyde voor behoud van de befaamde Utrechtse Nacht van de Poëzie. De Utrechter is poëzieambassadeur, ondernemer en pr-man. Maar op de allereerste plaats is hij een heel aanstekelijk dichter, die naast zijn debuut, en zijn proza, nog een tiental andere bundels op zijn naam heeft staan.

Al die gedichten doen prettig ongekunsteld aan. Maar hoe losjes zijn poëzie ook oogt, Heytze is een dichter die zijn vak verstaat. Duidelijk thuis in de moderne tijd, verloochent hij de traditie en zijn eigen literaire wortels niet. Hij werd beïnvloed door Slauerhoff, verwijst naar Vasalis ('De idioot in het wak') en schreef een meesterlijke parodie op Koplands klassieker 'Jonge sla', waarbij de jonge blaadjes in vochtige bedjes worden tot 'hondenstront (...) onder me zole'.

Steevast staat in de verantwoording van zijn bundels: 'Elke gelijkenis met poëzie en proza van anderen in flarden, echo's of citaten is louter opzet.' Bij Heytze betekent dat zoveel als: alles wat ik zie, lees of hoor, kan terechtkomen in mijn poëzie. Maar de nonchalance waarmee al dat materiaal tot poëzie lijkt te worden vervlochten, is schijn. Want Heytze heeft de techniek in z'n vingers, zijn taal, klank en ritme zijn helder, subtiel en soepel: "Als dichter gebruik ik zelden of nooit mistige woorden als leegte, illusie, diepte of verwijdering", zei hij daar ooit over. "Ik hou van woorden die een relatie onderhouden met klank en betekenis. Fluweel is een zacht woord, dat kan niet ruw zijn, dat hóór je."

Heytze is behalve dichter ook muzikant - hij speelt synthesizer in de formatie Asfaltfeeën. En die muzikaliteit lees je af aan zijn gedichten. Ritmisch lopen ze nooit uit de maat, rijm gebruikt hij zelden nadrukkelijk, klank daarentegen veel, als ondoorzichtige lijm die alles bijeenhoudt. "Als ritme het skelet is, is klank de stoffering."

Toch, zo makkelijk als de woorden hem lijken te komen aanwaaien, zo onbekommerd is zijn denken beslist niet. Ook hij breekt zich het hoofd over de grote thema's: "Omdat de wereld om mij heen staat en ik niets herken." Leven, dood, liefde en de aanwezigheid of afwezigheid daarvan, de allermenselijkste onderwerpen houden hem bezig, maar hij treedt ze fris tegemoet en plaatst ze in een nét ander daglicht. "Ik zoek naar vervreemding, vervorming. Ik wil de werkelijkheid laten kantelen. Zo kun je mensen verrassen, of op een originele manier naar iets laten kijken", lichtte hij ooit toe.

Hij gaf daarbij als voorbeeld de totstandkoming van 'Vos onder ijs': "In een van de strenge winters van de seventies zag ik een vos onder het ijs. Open bek, open ogen. Hij was door het ijs gezakt en raakte al trappelend door de kou bevangen, waarna hij vastvroor. Een verbijsterend beeld, want wat verwacht je? Vis. Geen vos. In het gedicht 'Vos onder ijs' laat ik het perspectief verschuiven: de vos blijkt de dichter zélf te zijn, in het papier, verstijfd in inkt. De lezer kijkt naar de woorden zoals de dichter naar de vos in het ijs kijkt: 'Het is eenzaam./ Aan deze kant./ Van het papier./ Het is zo eenzaam hier.'"

Ergens is Heytze een volbloed romanticus die misschien wel niets liever wil dan samenvallen met zijn geliefde. Zijn liefdesgemijmer, dat makkelijk kitsch zou kunnen worden, houdt echter altijd een aangename, nuchtere melancholie. Sentiment is hij met een paar trefzekere woorden een stap voor en romantische droombeelden kortwiekt hij voor ze hun vleugels al te wijd uitslaan. En als er geen liefde is, maakt hij een dubbelzinnig, tikje ironisch liefdesvers als 'Voor de liefste onbekende':

Het is maar goed dat je me niet herkent.

Kussen onder straatlantaarns

en samen dwalen door de regen,

wéér verliefd zijn, wéér verliezen,

bijna sterven van verdriet -

dat hoeft nu allemaal nog niet.

Heytze, die door de krochten en achterafsteegjes van Utrecht zwierf, en enige tijd als writer in residence in een psychiatrische instelling verbleef, dicht ook over de marges van de samenleving. Hij heeft een antenne voor mensen die iets mankeren. In het gedicht 'In de tuin' kruipt hij het lichaam binnen van iemand wiens geheugen, wiens wereld, langzaam is weggevaagd. Alles wat vertrouwd was, is vreemd geworden. Dat de werkelijkheid niet kenbaar is, ligt onnadrukkelijk in het gedicht verscholen, dat argwanend wordt besloten:

vanochtend moffelde

een zuster, heb ik zelf gezien, de laatste

restjes van mijn wereld in haar binnenzak.

Zelfs als het thema zwaarder is, lijken Heytze's gedichten altijd een beetje te zweven. Ze blijven licht, door zijn gevoel voor humor én voor timing: hij kent het effect van pauzes, komma's en witregels. Zie hoe hij in 'Gymles' een witregel benut, waardoor het hele gedicht een geestige illustratie wordt van het gezegde 'hoogmoed komt voor de val':

Gymles

Vroeger bij het touwklimmen

als de zon in strepen viel

zat ik boven in het touw

en zag de wereld dan

een beetje zoals God

ik zag de klasgenootjes

beneden op de grond

en zwaaide minzaam

met mijn hand

dat moet je niet doen

als je in een touw hangt

Maar de jaren hebben ook op Heytze vat. Luchtigheid als van 'Gymles' en kolderieke persiflages tref je minder in het latere werk, waarin meer en meer het besef doorklinkt dat het leven maar één keer geleefd kan worden.

Een gedicht als 'Wasstraat' - hoeveel gedichten werden er eigenlijk over dat onderwerp geschreven? - bewijst echter opnieuw Heytze's originaliteit: een wat melig onderwerp wordt een beslist serieus gedicht, de wasstraat met zijn draaiende borstels als metafoor voor het leven zelf.

Misschien dat je hier en nu het ware bestaan

krijgt opgedist: een kokend, mechanisch heelal

met vrij spel voor wind en water, uitgeknobbeld

door een zekere afwezigheid, een tunnel waar je

stuurloos door rijdt in zijn vrij en als oud licht

uit tevoorschijn komt - stralend.

Ingmar Heytze is een cultuurproduct, schrijvend met het gemak van een natuurtalent, heeft Gerrit Komrij eens vastgesteld. En zo is het.

undefined

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden