Prestatiebonus vermomd als theatersubsidie

Doordat de subsidiëring van cultuur vooral op het resultaat is gericht, is er minder ruimte voor het creatieve proces, aldus Marcel ten Hooven.

Welwillendheid zet haar toon als minister Jet Bussemaker (PvdA) over de kunsten spreekt. Dat is winst in vergelijking met het ressentiment over subsidievreters en klaplopers waaraan haar voorganger op Cultuur, staatssecretaris Halbe Zijlstra (VVD), lucht gaf. Dat neemt niet weg dat de methode van het calculerende management die Zijlstra in het cultuurbeleid introduceerde onverminderd bepalend is.

In dat beleid bestaat weinig geduld met alles wat niet goed calculeerbaar is. Bij de verdeling van subsidies worden de kunsten als een soort productiemachine beoordeeld op meetbare effecten, het liefst aan de hand van een 'kostenplaatje'. Ondernemerschap, professionaliteit en nut zijn zwaarwegende beoordelingscriteria van dit controleregime.

Typerend is de sluipende verandering van kunstsubsidies in prestatiebonussen. Daartoe is het subsidiecriterium tegenwoordig spiegelbeeldig aan het oude. Oorspronkelijk bedoeld voor kunstuitingen die hoog gegrepen zijn en daardoor nooit een groot publiek zullen hebben, komt subsidie nu juist ten goede aan een theater of museum dat veel toeschouwers trekt, ondernemerschap vertoont en een breed 'draagvlak' in de maatschappij heeft. Dat is conform de wetten van de markt.

Het Fonds Podiumkunsten beslist de komende weken over de subsidiëring van theaterproducties, een besluit waarmee voor de meeste gezelschappen ook het voortbestaan in het geding is. In de veranderingen die zijn aangebracht in het subsidiebeleid op dit terrein is het ongeduld met het niet-meetbare en niet-controleerbare goed te traceren.

undefined

Creatieve vrijheid

Tot aan de stelselwijziging die Zijlstra in 2011 doorvoerde, was de instandhouding van theatergroepen de grondslag van de subsidiëring door het Fonds Podiumkunsten. Zo was hun bestaan voor een zekere periode gewaarborgd en hadden zij een grote mate van creatieve vrijheid.

Zijlstra veranderde de instandhoudings- in een projectsubsidie, met als argument dat de prestaties van de theaterensembles dan beter meetbaar zijn en dus 'objectiever' kunnen worden beoordeeld.

De consequentie is dat de gezelschappen sinds 2012 hun plannen voor twee jaar, uitgewerkt en concreet vastgelegd, aan het Fonds Podiumkunsten moeten voorleggen. Het fonds beoordeelt vervolgens aan de hand van een financieringsmatrix hoeveel subsidiegeld elke activiteit waard is. Op de ene as van de matrix wordt de grootte van de tribune waarop de voorstelling zal plaatsvinden weergegeven, op de andere de mate van 'productiecomplexiteit'.

Dat is het praktische gevolg. De principiële consequentie is dat de overheid een economische logica in haar relatie met de kunsten heeft geïntroduceerd, al moet gezegd dat het fonds zich heeft voorgenomen deze manier van denken minder rigide toe te passen. Verschafte het oude subsidiesysteem theatermakers de vrijheid om te zoeken en te experimenteren, nu sluit het fonds transacties met de gezelschappen om theaterproducties in te kopen.

De focus is dus verlegd naar het eindresultaat, met als gevolg dat het creatieve proces zelf in de verdrukking komt. Een theatergroep is gedwongen zich te beperken tot die ene productie die het fonds van haar heeft ingekocht. Is de tournee achter de rug, dan is de transactie met het fonds voltooid en zijn de acteurs tot niks doen gedwongen.

In de verkennende studie 'Cultuur herwaarderen' constateert de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) dat de kunsten in het beleid geen eigen bestaansrecht meer hebben. Ook in de visie van Bussemaker is kunst eerder een instrument in dienst van de economie, de zorg of het welzijn dan een waarde op zich, schrijft de WRR.

undefined

Eigen betekenis en kwaliteit?

Volgens de raad laten ook besturen van kunstinstellingen en kunstenaars zelf zich verleiden tot een functionele verdediging van de kunsten. Het argument dat cultuur goed is voor de economie is niet van de lucht. Als de waarde van cultuur vooral is gelegen in haar effecten, vraagt de WRR zich af, wat blijft er dan over van de eigen betekenis en kwaliteit? De raad bepleit daarom een heroriëntatie van het cultuurbeleid. 'Het culturele' moet daarin volgens hem weer leidend worden, in plaats van het economische of sociale effect.

In het politieke klimaat van nu maakt dat pleidooi weinig kans. In de politiek is de weerzin tegen het vreemde en onbekende een dominante kracht geworden sinds de opkomst van het schuwe populisme. In deze sfeer belandden ook de kunsten in een verdachte hoek, als domein van het vreemde en het complexe.

In zijn brief over de bezuinigingen op cultuur haalde Zijlstra destijds met instemming de negentiende-eeuwse schilder Lawrence Alma-Tadema aan: 'Zolang ik schilder, ben ik kunstenaar, als het af is, ben ik zakenman.' Zijlstra's impliciete conclusie was dat een kunstenaar die zich geen goede zakenman betoont, ook zijn recht op een bestaan als kunstenaar verspeelt. Onder Bussemaker is die visie op de kunstenaar niet wezenlijk veranderd.

Beeld uit de voorstelling 'Oer' van het Vlaams-Nederlandse collectief BOG. Foto Leo van Velzen

undefined

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden