Premier kiezen, begin er niet aan

Bij gekozen minister-president rijst de vraag: buigt gekozen Tweede Kamer voor premier of andersom?

Een democratie is nooit af. Waarschijnlijk is er geen enkel democratisch land ter wereld waar niet voortdurend gedacht wordt over en gewerkt aan een herziening hier of aanpassing daar. Nederland is geen uitzondering op deze regel. Gelukkig maar, zal Marnix van Rij hebben gedacht. De oud-voorzitter van het CDA draagt graag zijn steentje bij aan het denken over het Nederlandse bestel, bleek in zijn bijdrage op de opiniepagina van zaterdag 9 februari.

Geïnspireerd door de levendige Amerikaanse voorverkiezingen, werd Van Rij zich meer dan ooit bewust van het feit dat de Nederlandse kiezer buitenspel staat bij de keuze van onze regeringsleider, de minister-president. De positie van het erfelijke staatshoofd is kennelijk niet in het geding, maar over het belangrijkste politieke ambt zou de kiezer meer te zeggen moeten hebben. En hoe zou dat beter kunnen door de persoon voor dit hoge ambt direct te laten verkiezen?

Van Rij staat niet alleen in dit verlangen. Zo blijkt uit onderzoek telkens weer dat een aanzienlijk deel van de Nederlandse burgers wat in zijn suggestie ziet. In het Nationaal Kiezersonderzoek 2006 was een grote minderheid van 47 procent het (helemaal) eens met de stelling dat de minister-president rechtstreeks door de kiezers moet worden verkozen. In het 21-minutenonderzoek van 2007, dat weliswaar niet representatief maar met meer dan 100.000 deelnemers indrukwekkend van omvang was, gaf de helft aan de minister-president direct te willen kiezen in een aparte verkiezing.

Overigens was volgens dit onderzoek de invulling van het minister-presidentschap maar voor een kleine groep onderdeel van de afweging bij het maken van de keuze op 22 november 2006. Voor slechts 7 procent speelde dit door het hoofd bij het uitbrengen van een stem bij de Tweede Kamerverkiezingen, vergeleken met 62 procent die vooral het oog op de inhoudelijke plannen van de partij zei te hebben.

Tegenover de 47 procent voorstanders in het Nationaal Kiezersonderzoek 2006 stond een bijna even grote groep van 42 procent die niets in de directe verkiezing van de minister-president zei te zien. En hoe sympathiek het idee van een direct gekozen minister-president op het eerste gezicht misschien ook mag zijn, deze afwijzende groep kan sterke argumenten aanvoeren. Het allerbelangrijkste probleem dat hiermee wordt geschapen, als althans niet het hele bestel op de schop gaat, is een direct gevolg van de verkiezing voor dat politieke ambt. In het stelsel zoals we dat kennen, ligt het democratische primaat bij de Tweede Kamer. Dat instituut kan zich beroepen op de steun en het mandaat van de kiezers, en heeft dan ook in de verhouding tot het kabinet en de afzonderlijke ministers het laatste woord.

Maar wat als deze Tweede Kamer wordt geconfronteerd met een eveneens direct gekozen minister-president en de ministersploeg die hij of zij heeft samengesteld? Die op zijn of haar beurt kan wijzen op het door de kiezers verkregen mandaat? Als Kamer en minister-president het met elkaar eens zijn over de politieke koers, is er wellicht niet zo veel aan de hand. Bij een verschil van politiek inzicht is het echter zeer de vraag wie voor wie zal moeten buigen. Beide kunnen immers terugverwijzen naar de steun van het volk; zowel Kamer als premier kunnen met recht claimen democratisch gelegitimeerd en gemandateerd te zijn. Het schip van staat wordt in die constructie een democratisch vaartuig met twee kapiteins. Daar komen gemakkelijk ongelukken van.

Dat een dergelijke mislukking van de direct gekozen minister-president in een overwegend parlementair stelsel geen vergezocht bezwaar is, blijkt uit het Israëlische voorbeeld. In dat land, dat net als Nederland een evenredig stelsel heeft voor de gekozen volksvertegenwoordiging, koos men midden jaren negentig van de vorige eeuw voor het experiment dat Van Rij voor Nederland bepleit. Om daar vervolgens weer snel van af te zien, omdat de negatieve neveneffecten de eventueel positieve kanten ervan zwaar bleken te overschaduwen. Kiezers lieten zich bij de twee verkiezingen – voor volksvertegenwoordiging en minister-president – leiden door uiteenlopende overwegingen, met een politiek kleurverschil en versnippering binnen de volksvertegenwoordiging tot gevolg. Dat kwam, zacht gezegd, de overzichtelijkheid en bestuurbaarheid van het land niet ten goede. In 2001, vijf jaar nadat de direct gekozen minister-president als politieke remedie werd ingevoerd, werd dit als oplossing vermomde probleem dan ook afgevoerd. Het medicijn bleek ernstiger te zijn dan de kwaal.

Zeker, aan het Nederlandse politieke bestel kan en mag gesleuteld worden. De suggestie van Van Rij om in dat verband te beginnen met de direct verkozen minister-president is echter een ongelukkige. Uitvoering van dit plan in een overigens min of meer gelijkblijvend politiek stelsel, zal meer problemen maken dan oplossen. Niet doen dus.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden