Predikanten pronken met bef en toga

Na de Reformatie konden dominees geen priestergewaad aantrekken. Maar wat dan wel? Op de catwalk van in Monnickendam toonden ze hun kleding: burgerlijk, langharig, geleerd, van stand en verwijfd.

Kleren maken de man. Dus ook de dominee. In de volgepropte achterkamer van een kerkje in Monnickendam zit een dozijn dominees waardig bij elkaar. De een met Spaanse kraag in stemmig zwart, de ander met kalotje op het hoofd en tabberd aan. De meesten zijn dominees voor een avondje. Op de catwalk zullen ze straks de domineesdracht vanaf de 16de eeuw laten zien. Bedenkster Carla Zuidema uit Ugchelen komt kijken of iedereen er goed bij zit, haar dressingteam doet nog gauw een befje goed, zet een pruik recht.

Dan komen de modellen de geïmproviseerde catwalk in het volle kerkje op.

Wat de toeschouwers zien, zijn kleren, maar vooral een geschiedenis. Ambtskleding was vaak standskleding, zei iets over de beroepsopvatting en de confessionele stroming, werd van hogerhand bepaald vanwege politieke spanningen.

„Bij de Reformatie was het idee: God openbaart zich in zijn woord aan ieder mens. Er is daarom geen onderscheid meer tussen de leek en predikant. De liturgische kleding werd afgeschaft en de dominee ging over op eigentijdse kleding”, vertelt Zuidema. Vanaf dat moment maakt de domineesmode veel veranderingen door, onderhevig aan mode, sociale status en kerkelijke conflicten.

Originele kostuums zijn er weinig over uit vroegere tijd. Het verhaal gaat dat dominees graag in vol ornaat werden begraven.

Voor de show bestudeerde Zuidema afbeeldingen van het Catharijne Convent in Utrecht. Met een aantal dames van de kerk in Ugchelen maakte ze de kleren na. Het optreden was oorspronkelijk bedoeld voor de plaatselijke PKN-kerkfusie in 2005. Nu gaan de kostuums voor de vijftiende keer de catwalk over.

In de begintijd van het calvinistisch protestantisme droeg de dominee vaak gewoon een burgerpak – wel van de deftige burgerstand. En ze liepen vaak wat modes achter, waardoor het publiek de man toch kon herkennen aan zijn dracht, stemmig zwart.

Maar ook dominees waren gevoelig voor mode. In het begin van de zeventiende eeuw maakte de synode (landelijk kerkbestuur) zich zorgen over de ’praelzucht en naejaeghing der vreemde fatsoenen van kleeding en mode’.

Lang haar raakte in zwang, een mode die uitmondde in de Hairigen Oorlog. Tot op straat en in pamfletten werd die uitgevochten. Die ging uiteindelijk niet om de haarlengte van 17de-eeuwse dienaren des Woords. Er zat een richtingenstrijd achter, tussen de kortgeknipte eenvoudigen (’Voetianen’) en langharigen uit aristocratische kringen. Uiteindelijk werd per synodaal besluit lang haar voor predikanten verboden, evenals ’pompeuze kleding, ijdeltuiterijen en verwijfde dragten’.

Hoewel de predikanten geen officiële ambtskleding hadden, was de zogenoemde ’mantel en bef’ in de 18de eeuw het meest gebruikelijk. Mode, politiek en standsbesef zorgden ervoor dat dit duo langzaam werd vervangen door de toga. Door de scheiding van kerk en staat verloren predikanten hun vanzelfsprekende gezag. De nadruk kwam daarom steeds meer te liggen op de gestudeerdheid van de man. Daar past geen ouderwetse mantel en bef bij, een kostuum dat immers ook doodgravers en aansprekers droegen.

Een verbod om met liturgische kleding over straat te gaan in 1853, na het herstel van de bisschoppelijke hiërarchie, gaf ook een belangrijke impuls aan de komst van de toga. Op straat was de dominee nu een deftig burgerman, maar het was ondoenlijk om voor elke dienst om te kleden naar mantel en bef.

Carla Zuidema: „In 1854 kwam er een synodale aanbeveling van de toga. Bij een academicus past een redenaarsmantel met bef en baret. De eerste kerkdienst in Middelburg waar de dominee in toga voorging, gaf nog wel de nodige chaos.” Na enig gesputter veroverde de toga gauw domineesland. Uiterst orthodoxen hielden die dracht wel in ere; in 1970 werd de laatste dominee in mantel en bef begraven.

Uiteindelijk komen de dominees na een lange omweg terug bij af. Ondertussen is de rk lichte mantel met stola ook in protestantse kringen gebruikelijk. Het is geen geleerdenmantel meer, maar legt de nadruk op de viering, met de kleuren van het kerkelijk jaar zichtbaar in de stola.

Een belangrijk verschil met de 16de eeuw is er wel: op de catwalk in Monnickendam loopt als laatste een vrouw in witte mantel.

In de toekomst blijft de toga zeker, denkt dominee Henk Ekker uit Broek in Waterland. Hij liep zelf in een moderne toga mee op de catwalk. „Het schept duidelijkheid: hier is niet Henk Ekker aan het woord, maar een predikant in functie. Ik vind het makkelijker om te zeggen ’laten we bidden’ en ’God zegene u’ als ik mijn toga aan heb.”

Toch merkt hij ook dat het ambtsgewaad afstand schept. „Als ik voorga in een ziekenhuis of een rouwdienst begeleid van niet-kerkelijke mensen, laat ik mijn toga thuis. Dat vinden ze prettiger.”

Was het, toen hij begon, een bewuste keuze om in toga voor te gaan? Dat kan toch ook gewoon in burger? Ekker: „In mijn eerste gemeente vonden ze het vervelend dat ik geen toga droeg. Ze vroegen waarom. Als 25-jarige dominee had ik daar helemaal geen geld voor. Een week later hadden ze 1200 gulden ingezameld en kon ik mijn eerste toga kopen. Dat was 1976, ik hem hem nu nog.”

Ook organisator Rieks Hoogenkamp, dominee in Zuiderwoude, draagt al meer dan 30 jaar dezelfde toga. „Het zet je in een wijder verband en maakt het op een positieve manier onpersoonlijk. Maar uiteindelijk maakt wel of geen toga niets uit. Het gaat om je persoonlijkheid.”

Een bezoekster van de show vindt een toga er gewoon bij horen. „Het is net als Sinterklaas. Je gelooft er weer in als ’ie een pakje aan heeft.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden