'Praten helpt niet'

Journalist en etiquetteadviseur Beatrijs Ritsema (63) geeft Trouw-lezers al vijftien jaar advies over onze dagelijkse omgangsvormen. Van zichzelf is ze niet zo'n moralist. 'In het dagelijks leven strooi ik nooit met adviezen.'

Les 1


Ik kan overal wonen


"Ik ben een 'Shell-kind', ik groeide op met mijn ouders en twee zusjes in het buitenland. Ik ben geboren in Tunesië, en woonde daarna in Colombia, Nederland en Franstalig België. Ik had er als jong meisje geen problemen mee dat we zo vaak verhuisden, het was normaal voor mij. Ik kon me altijd vrij snel aanpassen en maakte weer nieuwe vriendinnetjes.


Toen ik elf was verhuisden mijn ouders opnieuw, nu naar Turkije. Ik ging niet mee. Ik had het twee jaar lang prima op een meisjeskostschool in Brabant. Toen mijn ouders terugkwamen, belandden we in Den Haag. Daar kwam ik in een grote gemengde gymnasiumklas met oudere jongens die waren blijven zitten. Een moeilijk jaar, ik was heel erg door hen geïmponeerd. Tieners moet je niet verplaatsen. Later in mijn leven verhuisde ik met mijn eigen gezin naar Amerika voor het werk van mijn man. Dat vond ik de eerste paar maanden lastig, vooral omdat ik mijn werk bij Vrij Nederland miste. Maar op een gegeven moment voelde ik me er thuis. Toen dacht ik : ik kan overal wonen."


Les 2


Het leven is onrechtvaardig en toevallig


"Bij ons thuis waren etiquetteregels minder belangrijk, maar we kregen wel een strenge opvoeding. Mijn zussen en ik mochten weinig, vooral mijn moeder hield ons kort. 's Avonds mochten we nooit de deur uit, behalve af en toe naar een feestje waar mijn vader me dan om elf uur ophaalde. Dat was eind jaren zestig, de tijd van de jeugdrevolte, jongens met lange haren en heftige popmuziek.


Mijn moeder was bezorgd, ze wilde niet dat wij over straat gingen slieren. Ze was altijd bang dat ons iets zou overkomen. Het erge is dat die angst uiteindelijk uitkwam; in 1974 kwam mijn jongste zusje om bij een ongeluk. Ik was twintig en woonde niet meer thuis. Mijn zusjes - toen zestien en achttien - kwamen op een zomeravond terug van een bezoek aan nichtjes die op een camping in de buurt stonden. Mijn jongste zusje fietste aan de buitenkant en werd aangereden door een dronken automobilist. Ze was op slag dood.


Een vreselijke ramp. Daarna ging ik vaker naar huis, het duurde heel lang voor die dode stemming, die terneergeslagenheid, een beetje optrok.


Op zich hebben mijn ouders nooit vermeden om over haar te praten. Het werd geen taboe. We probeerden elkaar zo goed mogelijk te steunen, maar het was moeilijk. Het leven is onrechtvaardig en toevallig, je moet er maar mee dealen. De dronken bestuurder werd nauwelijks gestraft, maar mijn moeder zei toen: 'Ik laat het achter me, want ik kan er verder niets mee.' Ze beet zich er niet in vast, ze ging niet procederen. Dat vond ik verstandig. Er was ons onrecht aangedaan, maar we konden nooit adequaat gecompenseerd worden, dus het had geen zin je ermee bezig te houden."


Les 3


Praten helpt niet, werken wel


"Ik stortte me in die periode volledig op mijn studie psychologie. Ik kan me vrij goed concentreren op iets wat moet gebeuren en schakel dan bepaalde compartimenten in mijn hoofd uit. Daar heb ik baat bij. Ik ben niet het type dat op de bank gaat liggen huilen en ik zie ook niets in praten. Mensen wisten vaak niet eens van haar dood, want ik had het er niet over. Je kunt toch niet geholpen worden of getroost. Ik denk dat hard werken beter helpt dan praten.


Na haar dood ben ik me er altijd van bewust geweest dat alles zomaar in elkaar kan storten. Normaal hebben mensen een bepaald idee van hun leven, ze kijken vooruit, ze plannen dingen, maar dat werkt niet zo. In werkelijkheid sta met je rug naar de toekomst. Het enige wat je ziet is het verleden. Je kunt niet om de hoek kijken, je kunt nog niet verder kijken dan een half uur. Dat beeld vind ik heel erg van toepassing.


Vijf jaar na de dood van mijn zus gebeurde er eigenlijk nog iets veel ergers. Toen viel mijn vader tijdens een alpinismetocht, waar hij zwaar hersenletsel aan overhield. Zijn karakter veranderde. Je zag aan de buitenkant niets aan hem, maar hij werd nooit meer de oude. Dat was allemaal nog veel erger dan de dood van mijn zus. Voor zover je dat tegen elkaar kunt afzetten. Mijn moeder heeft er twintig jaar mee voortgesukkeld, een vrij radeloze situatie. Misschien dat ik daarna voorzichtig concludeerde dat de dood soms beter is dan als onherstelbaar beschadigd persoon overblijven."


Les 4


Fladder in de liefde en stop op tijd


"Door het ongeluk van mijn vader veranderde het huwelijk van mijn ouders drastisch. Hij werd de patiënt, zij de toezichthouder. Mijn zus en ik hadden daar geen invloed op. Zelf leidde ik in die tijd een tamelijk wild liefdesleven. Ik fladderde van relatie naar relatie. Een uitermate swingende tijd, maar op een gegeven moment had ik er genoeg van. Ik was verliefd op iemand en dacht: met hem ga ik de rest van mijn leven doorbrengen. Maar hij was zo dubbelhartig; hij had nog een andere vriendin en hield alle opties open. Ik vond het niet zo erg dat hij met iemand anders naar bed ging, maar wilde wel dat hij mij het belangrijkste vond. Dat was niet zo en toen gooide ik de hele boel om.


Het fladderen had lang genoeg geduurd en het leek me akelig om de rest van mijn leven van de ene liefde in de andere te strompelen. Ik maakte het uit, zegde mijn baan als onderzoeker bij de Universiteit Leiden op - dat paste toch minder bij me dan ik dacht - en verhuisde naar Amsterdam. Ik werd free-lancejournalist.


Kort erna ontmoette ik Maarten (Huygen, red.), twee jaar later trouwden we. Ik was toen drie maanden zwanger van onze oudste zoon. We zijn nog altijd samen. Ik geloof niet dat je moet vechten voor je relatie of eraan moet werken. Het moet gewoon vanzelf gaan."


Les 5


Kinderen moeten leren delen


"Voordat de kinderen kwamen werkte ik fulltime bij Vrij Nederland. In mijn freelancetijd begon ik laat in de ochtend en tikte soms tot diep in de nacht door. Het leek wel of ik alleen zo creatief kon zijn. Na de geboorte van de oudste, leerde ik dat schrijven prima binnen kantooruren kon. Om negen uur ging mijn man de deur uit, kwam de oppas en moest er geproduceerd worden. Toen merkte ik: dat gaat prima. Ook toen de kinderen allang ouder en de deur uit waren, hield ik me aan kantooruren.


Ik heb altijd erg genoten van ons gezin, het was een gezellige boel, maar zeker geen janboel. Ik ben nogal georganiseerd en stelde heldere regels op. Een van die regels is misschien typerend: zodra de kinderen begonnen rond te scharrelen, zei ik: 'Dit is mijn plek op de bank, hier zit ik.' Naast de schemerlamp, waar het licht goed op mijn boek valt. Die plek is nog steeds van mij, zelfs mijn man gaat daar niet zitten. (lacht)


Wij hebben de opvoeding echt samen gedaan, zo vonden we het allebei belangrijk dat onze kinderen leerden delen. Wij gaven ook aan goede doelen, dus zij ook. Dus toen onze twee jongens op de vrijmarkt geld ophaalden met pianospelen, moesten ze van ons 10 procent afstaan aan een goed doel. Zij vonden dat belachelijk."


Les 6


Mensen conformeren, altijd


"De mens is het meest onbegrepen onderdeel van de schepping. Je kunt een mens nooit helemaal doorgronden, wel benaderen. Toen ik psychologie ging studeren, wilde ik weten waarom mensen doen zoals ze doen, wat de regels en wetten daarachter zijn. Maar in de loop van mijn studie kwam ik erachter dat ik niet zo geschikt was om mensen te helpen. Ik werkte als vrijwilliger met weggelopen jongeren en drugsverslaafden, en raakte er al snel buitengewoon mismoedig van, omdat ze moeilijk te helpen waren. Het was te persoonlijk, ik raakte te betrokken.


Toen koos ik voor sociale psychologie, omdat die studie pretendeerde de wetten van het menselijk handelen boven water te krijgen. Ik raakte geboeid door sociaal-psychologische experimenten waaruit bleek dat mensen in een groep zich veelal aansluiten bij de meerderheid en klakkeloos doen wat hen wordt opgedragen. Die volgzaamheid, dat conformeren, dat intrigeert me. Een individu blijkt minder belangrijk dan de situatie waarin hij zit. Dat staat mooi beschreven in het boek 'The Presentation of Self in Everyday Life' van de socioloog Erving Goffman uit de jaren vijftig, waarin staat dat een situatie mensen tot bepaald gedrag dwingt.


Denk aan obers die in het restaurant heel beleefd zijn tegen klanten, maar achter in de keuken de grofste grappen maken met de koks. Daar is de sfeer anders, dat vraagt om een andere omgang met elkaar. Zo kunnen mannen in een kazerne of in de kleedkamer van een sportschool prima rauwe, seksistische taal uitslaan. Daar doen ze verder geen kwaad mee.


Maar als Donald Trump dat gedrag herhaalt in het openbaar is dat een grove overtreding van de codes. 'Grab 'em by the pussy' kun je niet frontstage roepen, dat moet backstage blijven. Die tegenstelling vind ik al vanaf mijn studie mateloos interessant, en werkt nog altijd door in mijn etiquetterubriek."


Les 7


Wees wederkerig


"In de zeventien jaar dat ik nu vragen van lezers beantwoord - eerst bij HP/de Tijd, later Trouw - zijn de vragen in mijn rubriek in essentie niet veranderd. Mensen worstelen nog altijd met dezelfde kwesties: gedoe met cadeautjes, vriendschappen of buren. De rode draad is dat mensen vaak bang zijn. Bang voor de macht van anderen, bang om zich uit te spreken, bang om verkeerd begrepen te worden.


Mensen zeggen weleens dat beleefdheidsregels er in deze tijd niet meer toe doen, maar daar ben ik het niet mee eens. Als je iemand iets gegeven hebt en er komt geen respons, dan is dat afschuwelijk. Zoiets mag niet in het luchtledige vallen. In mijn antwoorden keert dat thema wederkerigheid vaak terug; dat is een sterke kurk waarop menselijk handelen drijft. Ik ben er ook voor om het goed te hebben met mensen: kwesties met je buren? Pak ze in, met suiker en boter, allemaal!


En dan is een leugentje om bestwil helemaal niet erg - tot een bepaalde grens. Zeker als het de relatie goed houdt. Mijn adviezen baseer ik op mijn kennis als sociaal-psycholoog, mijn eigen levenservaring en ik haal ze uit de vele romans, biografieën en egodocumenten die ik lees - zo'n twee boeken per week. Vaak weet ik niet op voorhand wat ik ga zeggen, pas als ik achter mijn computer zit stroomt het advies eruit.


Lezers zien mij als etiquette-adviseur, zo zie ik mezelf helemaal niet. 'Beste Beatrijs' is een persona; ik ben op voorhand journalist. Ik ben zeker geen moralist en strooi in het dagelijks leven absoluut niet ongevraagd met adviezen. Mijn kinderen vinden het dan ook best gek dat ik als een soort goeroe geraadpleegd word."

Beatrijs Ritsema

Beatrijs Ritsema (Tunis, 1954) begon haar carrière als sociaal-wetenschappelijk onderzoeker bij de Universiteit Leiden, na haar studie psychologie met als hoofdrichting sociale psychologie. Ze was korte tijd redacteur van het studentenblad Propria Cures. Vanaf 1983 werkt ze als freelancejournalist voor NRC Handelsblad, HP/De Tijd, Vrij Nederland en Trouw. Sinds 2002 schrijft ze voor Tijd de rubriek 'Moderne manieren' waarin lezers vragen stellen over de dagelijkse omgang met elkaar. Van haar hand verschenen diverse boeken: essaybundel 'Het belegerde ego', 'Ter harte. Een leidraad voor de liefde' en 'Het Grote Etiquetteboek'. Ze is getrouwd met NRC-journalist Maarten Huygen, ze hebben drie volwassen kinderen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden