Prachtige bundel over natuuronderzoekers

Een verrukking voor het oog en een genot voor de geest, zo karakteriseert Marinus de Baar de portretten van veertig grote natuuronderzoekers die de Brit Robert Huxley heeft samengesteld. Met uitbundige illustraties.

Als middeleeuwse filosofen gelijk hadden met hun opvatting dat het Ware overeenkomt met het Schone en dat omgekeerd het Schone ook Waar is, dan hebben we daarvan een subliem voorbeeld in de combinatie van pakweg veertig vlot geschreven portretten van grote natuuronderzoekers en de bijna tweehonderd erbij behorende oogstrelende afbeeldingen. De bladzijden worden bevolkt door biologen, botanisten en geologen terwijl in de marge een panter zijn prooi besluipt, elders een vogel zijn vleugelpracht spreidt, of onderaan de bladzijde een bloem zich mooi maakt en – bijna frivool – ’fullcolour’ inkijk in haar bloesem geeft.

Dit is bovenal een zinnelijk boek: bestemd om de zintuigen, het oog, te behagen. Daarom zouden die middeleeuwers van daarnet met de nodige scepsis op een dergelijke voorstelling van de natuur hebben gereageerd. Want deze wereld toont weliswaar het Schone en het Ware van Gods schepping, maar meer nog had de middeleeuwse denker een zekere afwending van dit aardse en een neiging naar de contemplatie van wat eeuwig Waar en Goed is, en dat zich niet in beelden toont maar in begrippen wordt gevat.

Van alle grote natuuronderzoekers in dit boek stamt er niet één uit de Middeleeuwen. Die waren er toen niet, meent Robert Huxley, de samensteller van deze bundel. Hij heeft wel gelijk dat de Middeleeuwen een weinig inspirerend klimaat vormden voor empirisch natuuronderzoek. Maar helemaal afwezig was dat toch niet.

Het volstaat hier om Albertus Magnus (ca. 1193-1280) te noemen, die met een standaardwerk over dierkunde en een minder omvangrijk werk over planten zijn plekje in deze bundel wel zou hebben verdiend. Huxley laat trouwens een aantal malen merken dat volgens hem een dominant geloof de dood in de pot was voor goed wetenschappelijk natuuronderzoek; voor hem zijn de Middeleeuwen dan ook nog echt ’donker’. En dat is wel een beetje gedateerd, zo’n overtuiging.

Maar goed, het grote werk op natuurwetenschappelijk gebied begint in de Renaissance. Dan barst er een bui los van grote natuuronderzoekers en vloeien de bladzijden over van artsen en anatomen, botanisten en taxonomen, verzamelaars en oerwoudreizigers. Al die geleerden onderkenden het belang van goede illustraties bij hun teksten. Om een plant te kunnen identificeren en misverstanden bij de toepassing van geneeskrachtige kruiden te voorkomen, was het belangrijk om planten zo nauwkeurig mogelijk af te beelden. De boekdrukkunst zorgde niet alleen voor een grotere verspreiding maar ook voor een meer objectieve en minder uiteenlopende verbeelding van dezelfde plant of bloem.

Soms had een onderzoeker zelf een vaardige hand. Niet zelden echter was een graveur of fijnschilder bij de totstandkoming van een boek betrokken. De Duitse arts en botanist Leonhart Fuchs (1501-1566), die een verzameling planten en hun geneeskrachtige werking in boekvorm bijeenbracht, maakte gebruik van een drietal kunstenaars die een plant uittekenden en in een houtsnede vastlegden. Fuchs heeft in zijn boek de portretten van die drie kunstenaars zelf ook opgenomen. Heel bijzonder, en een bewijs van het belang dat hij aan illustraties toekende.

Soms ook ging het vooral om de afbeelding van wat Schoon en Waar was, en minder om de erbij behorende tekst. Maria Sibylla Merian (1647-1677) heeft haar plaats in dit boek verdiend omdat zij ons een schitterende verzameling platen heeft nagelaten van vooral bloemen en vlinders. Zij was geboeid door het fenomeen van de metamorfose (van rups tot vlinder). Merian was in Frankfurt am Main geboren maar verhuisde later naar de Republiek der Nederlanden. Dat verklaart waarom ze met haar dochter een avontuurlijke reis naar Suriname ondernam, wat voor een vrouw in die tijd heel bijzonder was, en daar haar penseel hanteerde in dienst van ogenschijnlijk onaanzienlijke insecten, die echter door haar vaardigheid tot licht kwamen en hun schoonheid toonden om hen die achteloos voorbijgingen aan Gods pracht, ook in het kleine, te beschamen. De dag dat ze stierf, werd een groot deel van haar schilderwerk voor drieduizend Nederlandse guldens aan tsaar Peter de Grote verkocht. Haar hoofdwerk, ’Metamorphosis’, wordt nu gezien als een mijlpaal in de geschiedenis van de entomologie (insecten-leer).

Huxley heeft bij het Natural History Museum te Londen de botanische collecties onder zijn hoede. Nogal wat bijdragen zijn afkomstig van andere medewerkers van dit museum. Bij een boek dat bestaat uit een bundel bijdragen zie je nog wel eens verschillen in stijl en niveau. Dat is hier echter niet geval. Kennelijk heeft Huxley de redactionele teugels strak gehouden, wat voor de lezer wel zo prettig is, want je merkt geen haperingen tussen de bijdragen die zich al lezend aaneenrijgen zonder storende overgangen.

Het zijn bijna allemaal grote namen die het inhoudsregister vullen. Voor ingewijden zijn er dan ook geen verrassingen maar voor het brede publiek, waar dit boek voor bedoeld is, zijn de bijdragen informatief en toegankelijk. De allergrootsten – we hebben het dan over Aristoteles, Linnaeus en Darwin – hebben natuurlijk hun plek gekregen. Maar er was ook ruimte voor kleine verrassingen, zoals een bijdrage over Georg Steller (1709-1746), een Duitser die in Russische dienst trad als lid van ’de Grote Noordelijke Expeditie’, die samen met Bering Alaska ontdekte en als eerste een groot deel van de natuurlijke historie van het noordpoolgebied beschreef.

Zo zijn er nog wel enkele minder bekende natuuronderzoekers in dit boek terecht gekomen. Als altijd kan men de vraag stellen waarom zij wel en anderen niet. Hermann Boerhave (1668-1738), Albrecht von Haller (1708-1777), en Charles Bonnet (1720-1793) waren stellig van een grotere statuur dan hun tijdgenoot Georg Steller maar zij hebben de index van ’De grote natuuronderzoekers’ niet gehaald. De veel minder bekende Amerikaan William Bartram (1739-1823) wel, maar die heeft ons dan ook een prachtig geïllustreerde ’Travels through North and South Carolina, Georgia, East and West Florida’ nagelaten. Het oog wil ook wat.

Het oog krijgt wat. Er zijn weinig of geen boeken over de studie van de natuur waarin het Ware en het Schone op zo’n aangename wijze met elkaar zijn verenigd. Een verrukking voor het oog en een genot voor de geest.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden