Prachtig lelijke portretten

Oskar Kokoschka schilderde zijn modellen vaak lelijker dan ze in werkelijkheid waren. Zo wilde de Oostenrijker hun 'innerlijke gezicht' blootleggen.

Een week lang schildert kunstenaar Oskar Kokoschka in de zomer van 1970 aan het portret van de 18 maanden oude Carletto Ponti. Moeder Sophia Loren en vader Carlo Ponti zijn regelmatig aanwezig bij de poseersessies. Maar het eindresultaat valt niet in de smaak. Ze herkennen hun 'bambino' er niet in. De familie koopt het portret niet.

De Oostenrijkse kunstenaar Oskar Kokoschka (1886-1980) zal er geen probleem van hebben gemaakt. Het overkwam hem zo vaak dat opdrachtgevers hun portret niet wilden afnemen. Zo vreemd is dat niet, afgaand op de vele tientallen geschilderde en getekende portretten die er nu van hem hangen in Museum Boijmans Van Beuningen in Rotterdam. Stuk voor stuk zijn het intrigerende koppen, waar je lang naar kunt kijken. Maar of de geportretteerden - onder wie belangrijke figuren uit de Oostenrijkse avantgarde en politieke leiders als Golda Meir en Konrad Adenauer - er ook blij mee waren? De meesten zijn niet bepaald flatteus afgebeeld. Kokoschka schilderde zijn modellen vaak ouder en lelijker dan ze in werkelijkheid waren, met overdreven gezichtsuitdrukkingen en benige handen met dikke aderen en knobbelige gewrichten. Ook zijn kinderportretten zijn allesbehalve schattig. Zelfs zijn knappe minnares Alma Mahler ziet er bleek en afgeleefd uit op het dubbelportret dat hij van hun tweeën maakte.

Sommige kunstcritici noemden zijn portretten zelfs 'monsterlijk' en 'weerzinwekkend'. De kunstenaar zat er niet mee. Het uiterlijk was voor hem bijzaak. Het ging Kokoschka om de persoonlijkheid van zijn modellen, waarbij de handen en het gezicht de belangrijkste expressiedragers waren. Hij wilde het 'innerlijke gezicht' van de geportretteerde blootleggen. En dat maakte de meeste mensen er niet herkenbaarder en zeker niet mooier op. Eén van hen, de psychiater, filosoof en mierenonderzoeker Auguste Forel vond dat hij eruitzag alsof hij een beroerte had gehad. Toen hij twee jaar later ook daadwerkelijk een beroerte kreeg, zag Kokoschka daarin alleen maar de bevestiging dat hij een 'helderziende' kunstenaar was. Hij kon niet alleen het innerlijk van zijn modellen blootleggen, maar dankzij zijn 'röntgenogen' ook hun lot voorspellen en zien hoe ze er op latere leeftijd uit zouden zien.

In Boijmans Van Beuningen hangen 150 portretten, van volwassenen, kinderen en dieren. Uit alle hoeken van de wereld zijn Kokoschka's kostbare werken naar Rotterdam gehaald. Bij het uitpakken van de kisten met schilderijen en tekeningen kreeg directeur Sjarel Ex van Boijmans het idee 'dat er een reus uit de kunstgeschiedenis verrees'. Dat werd tijd ook, want sinds 1958 was er in Nederland geen groot overzicht te zien van het werk van deze pionier van het Oostenrijkse expressionisme.

Boijmans kocht in de jaren vijftig als eerste Nederlandse museum twee schilderijen van Kokoschka: de publiekslieveling 'Mandril' (1926) en het 'Dubbelportret van Hans Mardersteig en Carl Georg Heise' (1919). De toenmalige directeur J.C. Ebbinge Wubben (nu 98 jaar) beschouwt 'Mandril' nog steeds als zijn beste aankoop ooit. Gastconservator en Kokoschka-kenner Beatrice von Bormann heeft de expositie geconcentreerd rond zijn portretten. Zijn stadsgezichten en landschappen heeft ze buiten beschouwing gelaten. Een terechte keus, omdat Kokoschka altijd de mens en in mindere mate ook het dier, waarin hij menselijke trekken zag, centraal heeft gesteld in zijn werk. De kunstenaar zei ooit: "De bokkesprongen van de menselijke ziel, de tragiek, het sublieme, maar ook het triviale en belachelijke van het menselijk wezen trok mij aan, zoals de bezoeker zich tot de dierentuin aangetrokken voelt, om zijn voorouders te observeren."

Met zijn 'penetrerende psychologische' portretten zette Kokoschka zich ook af tegen de kunst van die tijd, met name Jugendstil, waarin de focus lag op het ornament. Ook werd hij beïnvloed door de ideeën van Freud en Einstein. Zijn hele leven schilderde hij figuratief. Het 'mensbeeld' moest volgens hem centraal staan in de kunst. "De abstracte kunst doet de mens verdwijnen en bedekt zo de spiegel die het gezicht van onze tijd toont."

Kokoschka heeft veel te danken gehad aan Adolf Loos. Deze architect van het modernisme ontdekte het talent van de jonge kunstenaar op de Kunstschau, de grote kunsttentoonstelling in 1908 in Wenen die baanbrekend was voor het Oostenrijkse modernisme. Ook haalde hij veel van zijn vrienden en relaties over om voor Kokoschka te poseren, zodat hij ervaring opdeed en contacten kreeg binnen de Oostenrijkse avant-garde. De portretten die niet verkocht werden omdat de modellen zich er niet in herkenden, nam Loos af. Zo stelde hij Kokoschka in staat vast te houden aan zijn eigen stijl. De kunstenaar was ook veel te eigenzinnig om concessies te doen.

De portretten zijn stuk voor stuk voorbeelden van de experimenteerdrift van Kokoscha. Elk portret heeft ook een andere stijl. Soms zit de verf in dikke klodders op het doek gesmeerd. Op andere portretten zijn de kleuren heel donker of is de verflaag zo licht en ijl opgebracht dat het model met de achtergrond lijkt te vervloeien. Een genot om naar te kijken. Daarnaast geven de portretten ook inzicht in de kringen waarin hij verkeerde en hoe hij over mensen en dieren dacht. Kokoschka, die twee oorlogen meemaakte en door heel Europa reisde, toont in zijn schilderijen ook zijn visie op de gebeurtenissen van zijn tijd. Zeven decennia wereldgeschiedenis trekken aan je voorbij. Daardoor spreekt zijn werk ook nu nog aan. De portretten waarin zijn modellen zich vaak niet herkenden, maar ook zijn provocerende zelfportretten waarin hij zelfspot niet schuwt, blijken schilderijen voor de eeuwigheid.

Zijn maatschappelijke betrokkenheid blijkt niet alleen uit zijn schilderijen. Hij vocht als soldaat mee in de Eerste Wereldoorlog, waarbij hij zwaar gewond raakte. Nadat de nazi's 400 van zijn werken in beslag hadden genomen, vluchtte hij eind jaren dertig naar Engeland. Daar maakte hij schilderijen waarin hij Hitler en Mussolini bekritiseerde maar ook de afwachtende houding van Engeland.

Ook uit zijn kinderportretten blijkt zijn engagement. Hij bleef niet aan de leiband van de rijke opdrachtgevers lopen. Hij schilderde ook arbeiderskinderen, trieste portretten waaruit de misstanden van zijn tijd blijken.

Zijn dierenportretten zijn een verhaal apart. De Mandril in de collectie van Boijmans zat in een kooi in de Londense dierentuin. Maar Kokoschka schilderde het beest in de vrije natuur, als een 'wilde geïsoleerde kerel'. De aap was bijna zijn spiegelbeeld, schreef hij. "Iemand die alleen wil zijn." Katten schilderde hij als genadeloze dieren met jachtinstinct. Hij gebruikte deze dieren graag om menselijk gedrag als agressie en hebzucht weer te geven, met name van vrouwen in zijn omgeving. In dit verband mag natuurlijk de affaire die hij had met Alma Mahler, de weduwe van de componist Gustav Mahler niet onvermeld blijven. Ze was de liefde van zijn leven. Maar zij vond hem veel te bezitterig. Uiteindelijk verliet ze hem om korte tijd later te trouwen met de architect Walter Gropius. Kokoschka liet een levensgrote pop maken naar het evenbeeld van Alma om over zijn liefdesverdriet heen te komen. Hij maakte tal van tekeningen van pop Alma. Uiteindelijk onthoofdde hij de pop en gaf haar met de vuilnisman mee, waarmee hij definitief een streep zetten onder zijn liefde voor Alma Mahler.

In zijn laatste en misschien wel beste zelfportret blikt Kokoschka vooruit op zijn naderende dood. De titel 'Time, Gentlemen Please' verwijst naar de oproep van barkeepers in Engelse pubs en betekent zoiets als 'laatste rondje'. Op het schilderij loopt de kunstenaar met geboeide handen vanuit het licht naar een deur die een duivelachtige figuur voor hem openhoudt. Glimlachend loopt hij de duisternis in. Al zijn portretten waren voor Kokoschka spiegels. "Ze tonen mij wanneer en waar en wie en wat ik ben."

HHHHH Oskar Kokoschka. Mensen en beesten, t/m 19 januari in Museum Boijmans Van Beuningen in Rotterdam. De tentoonstelling reist daarna door naar Kunstmuseum Wolfsburg.

In 1953 gewonnen in een loterij
Nog nooit was het schilderij 'Private Property' te zien voor het publiek. Jarenlang hing het in de slaapkamer van een Nederlander die onbekend wil blijven. Hij won het in 1953 bij een loterij die was opgezet om geld in te zamelen voor de slachtoffers van de watersnoodramp. De maatschappelijk betrokken Kokoschka had dit werk beschikbaar gesteld. Meer kunstenaars, onder wie Jan Sluijters, doneerden werk voor deze loterij.

Kokoschka maakte dit doek in 1939 in Engeland, waar hij een jaar eerder naar toe was gevlucht vanwege de nazi's. Het is het eerste in een reeks politieke allegorieën. Op het doek is een vrouw te zien met een kattenkop. Ze zit bij de baai van het Engelse kustplaatsje Polpero. Voor haar liggen een paar vissen als buit, waarop een stel ratten (links op het schilderij) zit te loeren. Kokoschka beschreef dit werk als volgt: "...een kat, die dode vissen bewaakt, op de achtergrond een gepensioneerde dame met paraplu en handtasje, die haar dagelijkse wandeling langs het strand maakt om het eten te laten zakken. Ik verbaasde mij erover hoe flegmatiek de Engelsen waren, dat ze de oorlogsdreiging niet waarnamen, terwijl op het continent mensen zich als schapen in paniek door de Führer in de afgrond lieten drijven."

undefined

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden