Positie moslims nu anders dan van joden in 19de eeuw

De benoeming van Judith Frishman tot hoogleraar aan de Katholieke Theologische Universiteit Utrecht (KThU) in de geschiedenis en literatuur van het rabbijnse jodendom mag opmerkelijk heten (Trouw, 29 januari). Immers, zij is echtgenote van de liberaal-joodse rabbijn Edward van Voolen, dochter van een Amerikaanse liberaal-joodse rabbijn en behoort zelf binnen het liberaal-joodse kerkgenootschap in Nederland tot de meer progressieve stroming, o.a. wat betreft de plaats van de vrouw in de synagoge.

Henriëtte Boas

Zelf studeerde zij niet theologie maar Aramees in Leiden, waar zij promoveerde op een proefschrift over een in het Aramees schrijvende vroeg-christelijke kerkvader. In Leiden is zij bijzonder hoogleraar in de verhouding van christenen en joden in Nederland in de 19de eeuw, speciaal wat betreft tot het christendom (vooral protestantisme) overgegane joden als Isaac da Costa en Abraham Capadose. Haar nieuwe benoeming zou men kunnen vergelijken met de aanstelling van iemand die tot de Acht Mei Beweging behoort tot hoogleraar in de geschiedenis van het katholicisme aan de Vrije Universiteit. Hiervoor zou zeker overleg zijn vooraf gegaan tussen de VU en het Episcopaat. Men mag sterk betwijfelen of vanuit de KThU overleg plaats vond met vertegenwoordigers van het rabbijnse jodendom in Nederland.

In haar oratie ging zij vooral in op de betekenis van de Duits-joodse geleerde Abraham Geiger (1810-1874), een der voormannen van de reform-beweging (liberaal-joodse beweging) in Duitsland, en een der grondleggers van de 'Wissenschaft des Judentums', een uiterst verdienstelijk geleerde. Hij heeft veel meer publicaties op zijn naam dan door Judith Frishman genoemd, en over hem zijn tal van studies geschreven. Maar in een inaugurele oratie zal het niet mogelijk zijn geweest daarop nader in te gaan. Overigens zag Geiger het jodendom uitsluitend als een godsdienst. Wel had Judith Frishman erop kunnen wijzen dat aan het Nederlands-Israëlisch Rabbijnen Seminarium te Amsterdam sedert de aanstelling van dr. J.H. Dünner als rector in 1860 het voor het behalen van de bevoegdheid van rabbijn noodzakelijk was dat men in het bezit was van het kandidaatsdiploma klassieke letteren aan een Nederlandse Universiteit (in de jaren 1920-1930 kon dit ook het doctoraaldiploma geschiedenis zijn of het kandidaatsdiploma Semitische letteren), opdat een rabbijn tevens een algemene wetenschappelijke opleiding had. (Na 1945 is deze eis wegens gebrak aan kandidaten afgeschaft, maar niet om principiële redenen.)

Wat haar uitweiding over de positie van moslims in Nederland betreft: Judith Frishman is noch islamologe noch sociologe. Haar vergelijking van de huidige positie van moslims in Nederland met die van de joden in de 19de eeuw loopt mijns inziens dan ook mank. Ten eerste waren de joden in Nederland toen voor het overgrote deel hier geboren, terwijl het overgrote deel der moslims nu hier allochtonen is. Frishman verzet zich tegen de door de Nederlandse overheid bevorderde integratie van culturele minderheden en vindt dat het aan die minderheden (onder wie veel moslims), moet worden overgelaten of, en zo ja hoe, zij willen integreren en assimileren. Als voorbeeld noemde zij de imam-opleiding. “Als zij hier een eigen imam-opleiding willen om minder afhankelijk te zijn van niet-westerse imams moeten zij dit zelf beslissen”, aldus Frishman. “Met het argument dat die buitenlandse imams politiek zo rechts zijn probeert de overheid dit proces te sturen. De overheid moet niet zo bang zijn.” Deze redenering vertoont echter een tegenstrijdigheid. Volgens Frishman willen de moslims een eigen imam-opleiding hier om minder afhankelijk te zijn van niet-westerse imams, maar wil de Nederlandse overheid precies hetzelfde, zij het om andere redenen. De vorig jaar in Rotterdam opgerichte Islamitische Universiteit, zoals deze zich noemt, is overigens in het geheel nog geen universiteit met verscheidene faculteiten, maar beperkt zich voorlopig alleen tot de opleiding van imams; met als voertaal niet Nederlands maar Arabisch en Engels. Verder is er geen sprake van 'de' moslims in Nederland maar zijn zij onderling verdeeld, niet alleen door het onderschied tussen Turkse en Marokkaanse moslims, maar ook binnen deze en andere moslim-groepen.

Tenslotte: evenals Abraham Geiger destijds het jodendom uitsluitend als een godsdienstige groep zag, ziet Judith Frishman de moslim-allochtonen uitsluitend of voornamelijk als een religieuze entiteit, terwijl veel van hun problemen in de eerste plaats die van allochtonen zijn.

Judith Frishman zou er goed aan doen zich meer tot haar eigenlijke terrein te beperken.

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden