’Pornografie was plat, maar kookrubrieken ook’

In een korte serie kijkt Trouw terug op het activisme van de jaren tachtig. Deel 2: de vrouwenbeweging.

  • Afrekening met links is mosterd na de maaltijd
  • Seije Slager

    Marijke Foncke tuurt naar de zwart-witfoto die ze in handen krijgt. Een parkeerterrein in Heemstede, bezaaid met kapotgetrokken filmbanden. Ze herkent zichzelf niet direct tussen de vrouwen die die ravage zojuist veroorzaakt hebben, maar ze liep er wel ergens tussen, die dag, 8 maart – internationale vrouwendag – 1983.

    „In die tijd werden op kazernes regelmatig pornofilms vertoond, ter ontspanning”, vertelt Foncke. „Dat was voor ons natuurlijk uit den boze. Op een dag ontdekte iemand waar en wanneer zo’n nieuwe lading films bezorgd zou worden. Toen zijn we daar met zijn allen naartoe gegaan, hebben die vrachtwagen tegengehouden en hem opengebroken. Het was een bliksemactie. Voordat die chauffeur van de schrik bekomen was, waren we alweer weg.”

    Het verzet tegen pornografie was één van de thema’s van de tweede feministische golf. Schrijfster Karin Spaink publiceerde in 1982 de bundel ’Pornografie, bekijk ’t maar’.

    „Destijds was je of voor, of tegen”, herinnert Spaink zich nu. „Maar ik vond het toen wel aardig om de discussie wat minder zwart-wit te voeren. Natuurlijk, pornografie is over het algemeen plat, maar het probleem is breder. Kookrubrieken waren vaak net zo plat. In die bundel stond een stuk waarin ik analyseerde hoe in de Bouquet-reeks over seks werd geschreven. Tot mijn grote verbazing wemelde het in die romannetjes van de halve verkrachtingen, en van de mannen die namens de vrouwen beslisten dat die wel zin hadden in seks, waarna die vrouwen er dan maar in meegingen.”

    Op dat artikel kijkt Spaink nog steeds met tevredenheid terug. Sommige andere pamfletten uit die tijd beziet ze met iets meer scepsis.

    Maar, zegt Foncke: „Als sommige acties en teksten van toen nu een beetje onbegrijpelijk overkomen, dan geeft dat ook aan hoeveel er veranderd is.”

    Haar vriendin, Renée Schoffelen, beaamt dat. Begin jaren zeventig ging ze in Nijmegen Engels studeren. „Je kunt het je niet meer voorstellen, maar in die tijd werden er nog geen vrouwelijke auteurs gelezen bij die studie. En als je dan toch Virginia Woolf wilde lezen, werd je meewarig aangekeken. ’O, ben je er zo eentje’, kreeg je dan te horen.”

    Uit de jaren tachtig herinnert Schoffelen zich een actie tegen een arts die zich misdroeg tegenover zijn vrouwelijke patiënten. „Het medisch tuchtcollege weigerde de klachten daarover serieus in behandeling te nemen. Toen zijn wij uiteindelijk maar voor zijn praktijk folders uit gaan delen. Dat was illegaal ja, de politie arresteerde je daarvoor, vanwege het aantasten van iemand in zijn goede naam.”

    Hoe kijkt Schoffelen nu terug op zulke buitenwettelijke acties? „De wet is organisch, is altijd in beweging. Buitenparlementaire acties zijn soms nodig om de wet te veranderen. In de jaren zeventig werd je als vrouw volstrekt niet serieus genomen als je aangifte deed van mishandeling door je man, of van intimidatie door een dokter. Dan bedachten we dus zelf iets.” Een zwartboek over gynaecologen bijvoorbeeld. Maar ook de blijf-van-mijn-lijfhuizen zijn opgericht in die tijd.

    Toch was in de jaren tachtig de bureaucratisering van de vrouwenbeweging al begonnen, zegt Saskia Poldervaart, docent vrouwenstudies aan de Universiteit van Amsterdam. De hoogtijdagen van de beweging lagen in de tweede helft van de jaren zeventig.

    Een goed voorbeeld van de actiebereidheid in die tijd was de bezetting van de abortuskliniek in Bloemenhove in 1976. Die werd min of meer gedoogd, maar na een klacht over onzorgvuldigheid zag minister Van Agt zijn kans schoon, en gelastte een sluiting. De directie van de kliniek weigerde en pleegde een paar telefoontjes.

    Poldervaart was college aan het geven toen ze zo’n telefoontje kreeg. Zij en een stuk of tien van haar studenten propten zich in een paar inderhaast gecharterde auto’s en togen onmiddellijk naar de kliniek.

    Karin Spaink was pas 19, maar wist gelijk: hier moet ik bij zijn. „Er bleven maar mensen toestromen. Er werd enorm veel gepraat en gediscussieerd, en iedereen liep natuurlijk van alles te organiseren; er moest eten verzorgd worden, de pers te woord gestaan.”

    De tweede feministische golf was in 1967 nog relatief braaf begonnen, toen Joke Smit haar essay ’Het onbehagen bij de vrouw’ publiceerde, en een jaar later samen met Hedy d’Ancona de actiegroep Man-Vrouw Maatschappij (MVM) oprichtte.

    „MVM was vooral gericht op het beïnvloeden van beleid”, kijkt Poldervaart terug. „Datgene waar sociale bewegingen zich volgens het huidige maatschappelijke klimaat kennelijk toe dienen te beperken.” Zelf sloot Poldervaart zich aan bij de Dolle Mina’s, de rebelse nichtjes van het wat stoffige MVM.

    Dolle Mina bestormde op zeker moment de opleiding Nijenrode, waar vrouwen niet werden toegelaten.

    Poldervaart: „Ja, we hadden ook met het bestuur om tafel kunnen gaan zitten. Maar dit was toch echt effectiever. Zo zette je mensen aan het denken over man-vrouwverhoudingen. We kregen toen een heel goede pers. Leuke jonge meiden met leuke acties, zo werden we gezien.”

    Het beïnvloeden van de politiek is maar één strategie die sociale bewegingen kunnen inzetten, legt Poldervaart uit.

    Een andere strategie is bijvoorbeeld de ’utopische strategie’. „Daarbij richt een beweging zich niet op beleid, maar probeert de idealen van onderaf vorm te geven.” Voor dat laatste heeft Poldervaart eigenlijk meer sympathie. „Het misschien wel grootste belang van sociale bewegingen is het inbrengen van nieuwe ideeën over de samenleving. Die bedenk je niet als je alleen maar aan een onderhandelingstafel binnen politiek haalbare marges blijft.”

    In het decennium na 1975 bouwde de vrouwenbeweging inderdaad een soort eigen minimaatschappij op. Renée Schoffelen woonde op een gekraakte vrouwenschool, werkte vrijwillig bij een blijf-van-mijn-lijfhuis en een vrouwenboekhandel, ging uit in een vrouwencafé. „Een totaal afgesloten wereld. Daar kwam je niet buiten. Dat schoot op een gegeven moment ook wel een beetje door.” Ze herinnert zich veel ’oorverdovend saaie’ theoretische geschriften in de vrouwenblaadjes van destijds. Lachend: „En we konden urenlang discussiëren over de vraag tot welke leeftijd jongetjes nog mee mochten met hun moeder naar het vrouwencafé. Dat die jongens daar op een gegeven moment zélf helemaal geen zin meer in hadden, dat kwam niet in ons op.”

    Toch had ze die jaren nodig om het evenwicht te herstellen, denkt Schoffelen nu. „Als je bij A staat en je wilt bij M uitkomen, dan moet je heel hard Z roepen.”

    In de jaren zeventig durfden vrouwen vaak niet alleen over straat. Zo werden ’heksennachten’ geboren, bedoeld om het publieke domein te veroveren op de mannen. „We schminkten ons als heksen en trokken met fakkels langs ’enge plekken’ in de stad, waar bijvoorbeeld een verkrachting had plaatsgevonden. Ondertussen schreeuwden we heel hard. Ja, dan werden we wel eens agressief bejegend door mannen. En omgekeerd vloog er wel eens een steen door de ruit van een pornobioscoop.”

    Maar zulke spontane acties van onderop werden steeds zeldzamer. Poldervaart: „Men keek steeds jaloerser naar de traditionele vrouwenorganisaties die wel ingangen bij de politiek hadden. We gingen steeds meer keurig in de pas lopen. Er kwam ook steeds meer subsidie beschikbaar voor initiatieven die van onderop begonnen waren, zoals de blijf-van-mijn-lijfhuizen en de vrouwenspreekuren in buurthuizen. Bovendien kwam de kraakbeweging toen op. Veel mensen met radicale ideeën vluchtten daar toen naartoe. Achteraf gezien zijn we toen veel creativiteit kwijtgeraakt.”

    Behalve zulke institutionalisering vond ook professionalisering plaats. Schoffelen nam eind jaren tachtig vrouwenboekhandel De Feeks over, en ging die op commerciële basis drijven. Een paar jaar eerder was al het fonds Mama Cash opgericht, dat vrouwelijke ondernemers ondersteunde.

    Een klein groepje radicaal feministes rond uitgeverij De Bonte Was bleef een confronterende strategie voorstaan. Marijke Ekelschot was één van hen. In 1981 organiseerde ze een landelijke vrouwenstaking. Tot begin jaren negentig deed ze van zich spreken met opvallende acties, zoals het verstoren van de oratie van een mannelijke hoogleraar. Daar heeft ze nog steeds geen spijt van. „Wat heeft die hele inkapseling nou opgeleverd? Als je al die subsidies bij elkaar optelt, dan is dat een schijntje vergeleken bij wat het gekost had om gewoon netjes de pensioenrechten van vrouwen te repareren.”

    Spaink is iets positiever. „Als je tegenwoordig bij de politie aangifte doet van ’huiselijk geweld’ zoals dat nog steeds heel knus heet, dan komen ze ook echt in actie. Een pluim daarvoor. Maar de maatschappelijke deelname van vrouwen is nog steeds beneden peil. Heel veel mensen stellen ouderschap nog steeds gelijk aan moederschap, en vader mag dan af en toe gaan voetballen.”

    Ekelschot bespeurt de tendens om alle emancipatieproblemen op vrouwen met een hoofddoek af te wentelen. „En dan doen we alsof het tussen witte mannen en witte vrouwen allemaal koek en ei is.”

    Schoffelen verkocht onlangs haar boekhandel. Aan twee mannen. „Eigenlijk wel leuk. Maar ik vind het ook wel geruststellend als ik zie dat jonge meiden in actie komen, bijvoorbeeld tegen seksistische billboards.”

    Hoe beleefde u de jaren ’80? Vertel het op www.trouw.nl/jaren80

    Meer over

    Wilt u iets delen met Trouw?

    Tip hier onze journalisten

    Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
    Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
    © 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden