'Pop? Daar heb ik nooit wat mee gehad'

Voorzover The Rolling Stones ooit groot waren, is hij kleiner dan gedacht: Bill Wyman. Nauwelijks groter dan 1 meter 70 schat ik hem bij binnenkomst in kamer 321 van het Brussels hotel, waar de bassist die eind '92 Dé band verliet, zichtbaar ontspannen en vooral vrolijk vertelt over zijn tweede jeugd met zijn gelegenheids- en vriendenband The Rhythm Kings.

De inmiddels 62-jarige Wyman is zelfs zo ontspannen dat, wanneer hij zich tijdens het gesprek bijna in een graatje van zijn witte sneetje zalm verslikt, hij hard begint te proesten: “Tsjonge, stel je toch voor dat ik erin gebleven was, dan had je een aardige primeur gehad.” De fotograaf ook waarschijnlijk.

Maar Wyman is juist blij dat hij niet meer bij The Stones hoeft te spelen en dat hij in alle rust, zonder veel heisa en glam, van zijn oude rock 'n rolldag mag genieten. Met The Rhythm Kings, dat wil zeggen met zangeres Bevery Skeethe en een elftal oude vrienden uit het vak (onder wie zanger en organist Gary Brooker (Procol Harum), Georgie Fame, Albert Lee en de gitarist van Stéphane Grapelli, Martin Taylor), trekt hij deze maand door Noord-Europa voor een korte tournee. Daarin speelt hij vooral nummers die terugvoeren op de blues en rhythm 'n blues van voor de jaren vijftig.

“Ik heb het idee”, zegt Wyman nu serieus, “dat ik voor het eerst weer de sfeer meemaak zoals ik die ook ervoer in de beginjaren met The Stones en de jaren daarvoor met The Cliftons. Want daar liggen mijn wortels. In de jazz en de rhythm 'n blues. Vergeet niet, ik ben van voor de oorlog. Ik ben net wat ouder dan Charlie, Mick en Keith. Mijn eerste herinneringen gelden de jazz en blues uit de jaren twintig en dertig. Ik herinner me vreemd genoeg niet meer hoe ik die muziek gehoord heb. Waarschijnlijk via de radio, maar het staat me niet echt meer bij. Wat ik alleen weet, is dat het er was en dat het altijd is blijven hangen. Wie nu geboren wordt, hoort allerlei muziek van de jaren negentig tot en met de jaren zestig. Dan houdt het op. Maar toen ik in 1936 geboren werd, hoorde ik muziek uit de jaren twintig. Zwarte muziek vooral. Billy Holiday, de vroege Louis Armstrong, Louis Jordan met zijn jumpblues, Cab Calloway. Daar ben ik door gevormd. Na de oorlog kreeg je pas de eerste rock 'n roll: Chuck Berry, Little Richard, Fats Domino, The Platters. Ook allemaal zwarte muzikanten, trouwens. Zij hebben me aan het bassen gebracht.”

“Het leuke van de beginjaren van The Stones was, dat we de muziek speelden waar we gek van waren. Een elpee maakten we in twee maanden en een tournee duurde maar een paar weken. We speelden een soort mengelmoes van Chicago blues, roadmuziek van de late jaren veertig en oude rock 'n roll. Maar rock 'n roll werd pop en pop werd rock en zo dreven we steeds verder weg van onze wortels. Dat vond ik jammer. Om eerlijk te zijn, toen alles pop werd, was voor mij de lol eraf. Ik haatte nummers als 'Lady Jane' en 'Let's spend the night together' of 'Have you seen your mother baby'. Waardeloos. Ik kon er niks mee beginnen. 'Honky tonk women' daarentegen vond ik heerlijk. Daar zat de blues in. Kijk, Charlie (Watts, de drummer) had 'de blues'; Brian

(Jones, de gitarist en motor van The Stones die in juni '69 de band verliet en nog geen maand later dood in een zwembad werd gevonden) had de blues. En ik had de blues. Mick en Keith veel minder. Mick was aanvankelijk niet meer dan, gewoon, de zanger en Keith moest bijvoorbeeld niets van Chuck Berry hebben. Ik was gek van Chuck. Ik zag hem in '57 in een film die 'Rock, rock, rock' heette en ik was verkocht. Ik rende naar m'n platenzaak en zei: 'Hebben jullie ook iets van Chuck Berry?' Waarop de verkoper zei: 'Wie? Nee, die staat niet in de catalogus. Die moet je bestellen in Chicago.' Later hoorde ik dat Mick hetzelfde adres had opgekregen om bepaalde bluesplaten te bestellen. Je moest voor een plaat nog moeite doen.''

“Met The Cliftons speelden we eind jaren vijftig nummers van Sam Cooke, Ray Charles, Fats Domino, Larry Williams, Lloyd Price, Jacky Williams en later ook Chuck Berry en Little Richard. Nogmaals, allemaal zwarte muziek. De enige blanke muzikanten die daar bijkwamen, waren Jerry Lee Lewis en Eddy Cochran. Het grappige was trouwens, dat toen ik op zomaar een vrijdagmiddag, in een achterafpubje in Chelsea, in 1962, auditie bij The Stones deed, Brian en Keith hun neus ophaalden voor Cochran en Lewis. Ze haatten hen zelfs. Met passie. Het duurde dan ook tot 1982 voor we een Cochran-nummer op het hebben podium gespeeld.” Sarcastisch: “Later was het dezelfde Keith die in interviews juist Jerry Lee Lewis begon op te hemelen als de allergrootste van de hele wereld. Sterker, hij speelde op een gegeven moment alleen nog maar Jerry Lee Lewis-songs.”

Er is wel meer dat ('Si si, je suis un rock star') Wyman nooit van zijn oud-collega's Keith en Mick heeft begrepen. Hun extreme ijdelheid bijvoorbeeld. Keith die, al dan niet onder invloed, nog steeds alleen maar naar zijn eigen (Stones)platen luistert; of Mick die het, verslaafd aan de roem als hij is, nog steeds nodig acht zich constant als 'de beste' te moeten bewijzen, “alsof zijn ego nog altijd niet is bevredigd.” Wyman wuift het letterlijk weg met zijn linkerhand, alsof het stinkt. Nee, zonder iets aan zijn periode bij de grootste rock 'n rollband van de wereld af te doen, is hij blij dat het achter de rug is. Gezien zijn afkeer van de pop, heeft hij het eigenlijk nog heel lang volgehouden met zijn 31-jarig dienstverband.

De vraag dan: wanneer werd zijn hobby zijn beroep en begon het grote afzien eigenlijk? “De sfeer in de band veranderde heel sterk na de dood van Brian. Nogmaals, hij was de man van de blues. Echt afzien werd het begin jaren zeventig, toen we naar Frankrijk verhuisden en de grote tournees begonnen. Opeens deden we twee jaar over het maken van één plaat en waren we vijf maanden van huis in plaats van drie weken. Toen werd het vervelend allemaal. Iedereen vond 'Exile on Main Street' bijvoorbeeld een ge-wel-di-ge plaat. Nou, ik vond het knap vervelend, al dat gezeur. En die eindeloze tournees door de VS en zo. Ik haatte het.” Dan weer lachend, met gevoel voor understatement: “Nou ja, echt oud ben ik er ook niet van geworden, hoor. Zoals je weet, bewoog ik niet zoveel als Keith en Mick. Ik stond er een beetje bij als een standbeeld. 'Uw vriendelijke doodgraver' noemde Mick me altijd. Wat dat betreft is er weinig veranderd.”

Van iemand die zo'n afkeer heeft gekregen van de popmuziek en terugkeert naar de Amerikaanse R & B van de jaren veertig, zou je verwachten dat hij ook wat met Amerika heeft; dat hij daar misschien zelfs wel zou willen toeren, vooral omdat er in Engeland geen enkele belangstelling bestaat voor wat de ouwe Stone nu doet. Maar vreemd genoeg werkt het bij Wyman anders. Afgezien van de muziek vindt hij Amerika alleen maar vermoeiend en denkt hij er niet aan er ooit te gaan wonen of te spelen met zijn Rhythm Kings. “Sinds ik in 1992 terug naar Engeland ben gegaan en woon in de buurt van Londen, heb ik me voorgenomen zo min mogelijk te reizen. De muziek is een deel van mijn jeugd en dat geldt ook voor iemand als Gary Brooker, die het New Orleans-geluid inbrengt. We zijn gewoon Engels, maar verbazen ons erover dat je tegenwoordig bij alle kunstvormen mee teruggevoerd wordt in de geschiedenis - behalve in de popmuziek. Het is toch verschrikkelijk.

In Engeland bestaat in de popmuziek alleen nog het hier en nu. Alles wat meer dan drie weken oud is, is uit. Muziek van voor de jaren zestig hoor je helemaal niet meer op de radio en is moeilijk te krijgen. En waarom? De business is in handen van zakenlieden, niet van music freaks. Er is zoveel moois te horen uit de jaren twintig tot vijftig. Het is net als met archeologische resten. Weinigen interesseren zich ervoor, dus wordt er maar weinig gegraven.''

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden