POMPEN OF DROMEN IN HET GOUDBOS

Diep in de binnenlanden van Suriname lokt het goud. De oorlog tussen Brunswijk en Bouterse heeft de goudkoorts alleen maar aangewakkerd. Maar je moet wel geld hebben om echt rijk te worden in het goudbos. Stoere jongens lopen er patserig te doen met ghettoblasters en andere luxe, de meesten moeten jaren buffelen om hun dieselpomp af te betalen. Sterke verhalen zijn er genoeg.

"Iedereen denkt dat bosnegers dom zijn maar ze zijn helemaal niet dom" , bezweert Rene met stemverheffing. "Ze maken hier goede business hoor." Dat klopt. De inwoners van Drietabbetje vragen voor een tochtje naar de goudvelden, het El Dorado van Suriname, waar veel jonge bosnegers aan de Tapanahony- en Marowijnerivier hun bestaan vinden, driehonderd francs. Een bedrag dat gelijk staat aan een heel maandsalaris van de gemiddelde Surinamer. "Ze moeten hun boten betalen" , vergoelijkt Rene, "de benzine moet per vliegtuig of per korjaal uit de stad gehaald worden." Hij wijst op zijn djogo, "En je hebt het zelf gezien, alles is vreselijk duur hier."

Minstens drie keer per dag landen er in Drietabbetje kleine chartervliegtuigjes, volgestouwd met rijst, luiers, dieselpompen en niet te vergeten grote tonnen brandstof; onontbeerlijk voor de buitenboordmotoren en dieselpompen van de goudzoekers. De transportkosten worden fors doorberekend. Een liter bier van twintig Surinaamse guldens kost in Drietabbetje maar liefst vijftig gulden.

"Zolang er goud in dat gebied voorkomt zal het daar peperduur zijn" , zegt Randhinda Soekha, inspecteur van de Geologische Mijnbouwkundige Dienst (GMD) in Paramaribo. "Het is gewoon een kwestie van vraag en aanbod. Zolang er mensen zijn die vijfentwintig gulden neertellen voor een blikje cola, komt daar echt geen verandering in." Hij wijst op de gele cirkeltjes op de kaart die aangeven waar goud voorkomt in Suriname. "Hier bij Stoelmanseiland en Drietabbetje werken veel goudzoekers. Maar alles gebeurt illegaal, de overheid heeft er geen greep op. Per jaar wordt er zo'n drie ton gewonnen. Maar waar dat allemaal blijft mag Joost weten. Het meeste verdwijnt nog steeds naar het buitenland." Hij lacht fijntjes. "Iemand in het parlement zei laatst dat het een schande is dat er geen grammetje goud naar de Centrale Bank toegaat. Maar dat is gewoon niet waar. Sinds 1987 hebben we vijftien kilo binnen gehad en dat zijn ha, ha toch wel zo'n vijftienduizend grammetjes." Soekha geeft toe dat die vijftien kilo niet spectaculair is. "Maar we kunnen er weinig aan doen" , zegt hij. "Zolang er geen werkelijke vrede komt kan de overheid niets beginnen. Het gebied is in handen van de bosnegers. Trouwens, als er nu wel vrede komt zal nog niemand het in zijn hoofd halen met z'n goud naar de Centrale Bank te stappen die maar 65 gulden Surinaams voor een gram betaald. Op de zwarte markt of in het buitenland krijg je er vier keer zoveel voor. Pas als er een vrije wisselkoers komt, loont het niet meer om het goud weg te smokkelen."

Rene pendelt een keer of drie per week met het vliegtuig tussen Paramaribo en Drietabbetje. In de goudvelden koopt hij een paar honderd gram op die hij in de stad slijt aan de Chinese goudwinkels, die als paddestoelen uit de grond schieten. Op elke straathoek in Paramaribo zijn er wel twee te vinden. Veel van het goud wordt ook opgepot, belegd of vindt via Paramaribo alsnog zijn weg naar het buitenland. Tijdens de binnenlandse oorlog tussen Brunswijk en Bouterse werd maar liefst negentig procent van het goud over de grens gesmokkeld. De weg naar Paramaribo was afgesloten en het goud kon alleen veilig weggebracht worden als er een dealtje gesloten werd met jungle-koning Ronnie Brunswijk en zijn commando's. Nu het wat rustiger is geworden in het binnenland wordt er meer goud naar de stad gebracht, ook al omdat er in het buurland Frans Guyana steeds meer aan goudwinning wordt gedaan. De markt raakt overzadigd.

Een jonge bosneger die goederen verkoopt aan de winkels in het goudbos verklaart zich bereid om ons voor een goedkoper tarief naar de Sillakreek te brengen. Zijn korjaal is volgepropt met spullen die hij in het bos tegen woekerprijzen van de hand doet. Hij vraagt grijnzend of ik genoeg voedsel heb ingeslagen. "In het goudbos kan je echt niet met Surinaams geld betalen. Zelfs Franse francs worden nauwelijks geaccepteerd. Alles gaat met goud he." Vrolijk fluit hij met de muziek uit de ghettoblaster mee, met z'n ene hand de boot sturend en met de andere een joint rokend. Bij elk bosnegerdorpje dat langs de rivier opduikt wordt even vaart geminderd om de vrouwen en meisjes te begroeten die hun vuile vaat in het water schoonschrobben. Uit het oerwoud klinkt het gekrijs van brulapen en roofvogels, die met gemak het ronkende geluid van de motor overstemmen. De lage waterstand bemoeilijkt het passeren van de vele watervallen en stroomversnellingen. De boot moet uit de modder losgetrokken worden of langs wegversperrende reuzebomen gemanoeuvreerd. De binnenlandbewoners zijn er meesters in.

Rene heeft zich lui op de bodem uitgestrekt. Hij vertelt over zijn voorouders die als vrachtvaarders werkten voor de Europese goudzoekers. Aan het einde van de 19e eeuw trokken die in de ban van de goudkoorts massaal naar Suriname en riepen de hulp van de bosnegers in omdat alleen zij in staat waren de boten over de rivieren te loodsen. De vrachtvaarders buitten hun onmisbaarheid flink uit, voor die tijd hadden ze een vorstelijk inkomen. In 1920 zakte de goudhandel ineen. De Europese gelukzoekers stierven bij bosjes aan malaria en andere 'tropenziekten'; er was gebrek aan machines om de mijnen dieper af te graven en onvoldoende kennis over de ligging van het goud. De bosnegers bleven evenwel naar goud zoeken, maar op zeer kleine schaal. Ze hadden de kennis en het vermogen niet om er meer uit te slepen. De binnenlandse oorlog heeft de goudkoorts weer aangewakkerd. Alleen zijn het nu niet Europeanen of stadscreolen die zich laten meeslepen, maar de bosnegers. Voor buitenstaanders is het binnenland ontoegankelijk geworden.

Dat heeft de Surinaamse vrouwenarts Li Pauw Sam in 1987 ervaren. Twee jaar eerder had hij samen met een Chinees bedrijf een joint-venture in de Sarakreek opgezet. Als enige actieve goudmaatschappij in Suriname zag de toekomst er veelbelovend uit. Veertig gehaaide zakenlieden en ingenieurs uit China zouden het bedrijf op kinderschoentjes deskundig begeleiden. Maar toen de boel na twee jaar ploeteren op gang kwam, werd een verbindingsbrug opgeblazen door het Jungle Commando van Brunswijk. Een half jaar later toen er met veel moeite nieuwe investeerders waren gevonden, werd het bedrijf weer door 'jungles' overvallen. Kettingzagen, pompen, buitenboordmotoren, alles werd in beslag genomen. Li Pauw Sam gaf het op en ging maar weer gewoon als dokter werken in Paramaribo. Hoewel hij er nog steeds de pest in heeft dat het misgelopen is, ziet hij ook een positieve kant aan de oorlog. "De oorlog heeft een stukje bevrijding gebracht. Door de schaarste in het gebied en de isolatie van de stad werden de binnenlandbewoners eigenlijk gedwongen in de goudmijnbouw te werken. De bosnegers hebben geleerd met zeer geavanceerde spullen te werken. Zonder een enkel ontwikkelingsproject of buitenlandse ondersteuning wordt er nu meer geproduceerd dan ooit te voren." Li Pauw Sam schat dat vijfduizend bosnegers (vrouwen en kinderen meegerekend) actief zijn in de goudwinning. "En dat is meer" , zegt hij, "dan bedrijven hier ooit voor elkaar zouden krijgen. De mensen werken nu eenmaal harder voor zichzelf dan ze ooit voor een ander zouden doen."

Twee meisjes die zich voor de liefde in goud laten betalen trippelen lachend, pratend op hun slippertjes over het modderige bospad. Lichtvoetig dansen ze met zware rugtassen over de glibberige boomstammen die als bruggen over de kreken zijn gelegd en springen met het grootste gemak over meters brede sloten. Soms draaien ze zich kirrend om. "Het is nog maar een paar kilometer" , glimmen ze vrolijk. Rene sjokt trouw met twee tassen over zijn schouder achteraan. Hoewel hij in de stad is opgegroeid en zijn halve familie in Nederland woont, en dus een bosneger 'uit de stad' is, zoals hij trots vertelt, blijkt hij nog steeds over een uitblinkende conditie te beschikken. Jongens, slechts gekleed in bermuda's rennen voorbij, op hun rug veertig kilo aan voedsel en spullen torsend. Langs de route zijn de kampjes met houten bosnegerhutten en kostgrondjes opmerkelijk stil. De meeste jongens werken op dit uur van de dag op het goudveld. Rene wil een ronde maken om te kijken waar hij zo goedkoop mogelijk z'n goud kan kopen.

Op het goudveld, een stuk opengekapt bos met armzalige hutten, is het een en al bedrijvigheid. In de hete zon graven de jongens de bodem af met een schop. Ze leggen de aarde op een grote schotel die ze razendsnel tussen de vingers draaien, zodat het goud op de conische bodem in de punt achterblijft. Anderen, voornamelijk oudere mannen, beschikken over diesel-of benzinepompen die het zand naar de oppervlakte pompen. In de Sillakreek werken de porknokkers, kleine zelfstandigen die nooit echt rijk zullen worden maar toch veel geld kunnen verdienen. Ze moeten niet alleen geluk hebben, vooral een goede pomp is belangrijk.

"Iedereen is hier zo'n beetje voor pompen aan het sparen" , zegt Rene. Een van de goudzoekers, Andre genaamd, komt er bij zitten en knikt bevestigend. "Mijn broer en ik hebben nu twee dieselpompen, maar de pomp die we op het oog hebben is in Suriname niet te krijgen. We hebben zo'n ding nu in bruikleen van een Hindoestaanse ondernemer, die daarvoor 50 gram goud per kwartaal van ons krijgt." Andre verdient per maand zo'n veertigduizend Surinaamse guldens. Als hij alle onkosten wegstreept houdt hij vijftienduizend schoon over, een salaris waar een Surinaamse minister jaloers op zou zijn. Behalve een pomp wil Andre ook nog een auto en waterscooter. "En dan wordt het tijd om voor een huis met erf te gaan sparen" , zegt hij vastberaden. "Over een jaartje of acht hoop ik binnen te zijn, dan heb ik al lang andere jongens in dienst die voor me kunnen werken."

De komst van een bakra (blanke) trekt veel nieuwsgierig volk aan. De goudzoekers hopen dat er ook medicijnen in de bagage zitten, pillen tegen malaria, hoofdpijn en buikpijn. Een man komt wanhopig aanrennen voor malariatabletjes. Hij is z'n eigen voorraad kwijtgeraakt en is bang dat hij naar de stad terug moet. Klagend wijst hij op zijn gezelschap. "Zij lachen me uit omdat ik het rivierwater kook voordat ik het drink. Maar zij hebben hun leven in het binnenland gewoond en hebben dus veel meer weerstand dan ik." David Akoia is een bosneger uit het bauxietstadje Moengo maar werkt al jaren in Paramaribo als aardrijkskundeleraar. Nu is hij zich voor twee weken aan het 'orienteren' in het goudbos. Hij heeft grootse plannen. Samen met een paar vrienden heeft hij al drie spiksplinternieuwe dieselpompen aangeschaft. Als bestuurslid van de ABOP, de Bosneger Ontwikkelingspartij, voorziet hij een grote toekomst voor de bosnegers. "Wij bosnegers zouden allemaal rijk kunnen worden mits we de handen ineenslaan" , zegt hij. "In de grond hier zitten ook andere metalen. En we kunnen een cooperatieve houtindustrie opzetten, vruchtenbedrijven." Hij raakt in vervoering en draaft een beetje door. "Er moet een bosnegervliegmaatschappij komen en op Drietabbetje moet een bosnegerspaarbank komen. We hebben de overheid helemaal niet nodig. Bosnegers moeten leren aan te pakken en samen te werken. Het punt alleen is dat het de jongeren aan idealisme ontbreekt. Zodra ze maar een beetje kunnen lezen en schrijven vinden ze al dat ze geen bosneger meer zijn. Dan noemen ze zich liever stadscreool he."

Buiten gehoorsafstand kan Rene niet nalaten over David te roddelen. "Die man is gek" , vindt hij. "Ha, een cooperatieve gemeenschap. Nou, daar zal hij achter komen, sommige jongens zorgen niet eens goed voor hun eigen ouders. Mensen met geld hebben echt niet zoveel behoefte om te delen." Grijnzend voegt hij eraan toe: "En denk je nu echt dat die man van z'n salaris als aardrijkskundeleraar die dieselpompen heeft kunnen kopen. Welnee, die man ken ik wel, hij is handelaar joh."

Hij waarschuwt dat de verhalen van de jongens in het goudbos met een korrel zout moeten worden genomen. "Ze lopen wel een beetje stoer te doen en zwabberen met Marlboro sigaretten maar het is maar een kleine groep die echt veel geld verdient. De meesten steken zich diep in de schulden om een pomp te kopen en zijn jaren bezig met aflossen. Zoveel jongens zijn uit de stad hier naar toe gekomen, maar na een paar maanden zijn ze weer terug in de stad."

Zijn woorden rijmen met de visie van dokter Li Pauw Sam op de bosnegergemeenschap. "Nu wordt het binnenland eigenlijk gedomineerd door een kleine groep met geld" , zei hij. "De jonge jongens worden heen en weer geslingerd tussen de oude cultuur in hun dorpen en het moderne gemak van de stad. Ze kopen lichtmotoren, video's en grote ghettoblasters maar hebben zich ook te houden aan de oude tradities. De ouderen potten hun geld op en stoppen het desnoods achter een boomschors. Ze weten niet hoe ze hun geld moeten investeren. Alleen de gedachte om naar een bank te stappen maakt ze al bang."

Volgens de arts is het merendeel van de bosnegers, vooral vrouwen en bejaarden, er niet best aan toe. "Ze moeten wel de hoge prijzen in de winkels betalen, maar ze hebben geen aandeel in de goudopbrengsten. Eigenlijk zou er een beheersvorm moeten komen waar veel meer mensen in het binnenland van zouden kunnen profiteren. Als er meer goud bij de Centrale Bank terecht zou komen, is de overheid ook verplicht iets aan de binnenlandse problemen te doen, het aanleggen van een elektriciteitsnet bijvoorbeeld, beter onderwijs en een goede infrastructuur."

Lucien werkt al sinds zijn zesde jaar op het goudveld en is nooit naar school geweest. Hij doet zijn uiterste best om een paar woorden Nederlands te spreken. Met de letter k en h heeft hij wat moeite, met de g wat minder. De woorden 'hout' en 'koud' blijft hij onverbeterlijk als 'goud' uitspreken. Ondanks zijn gemis aan scholing heeft Lucien oog voor de business. Hij vraagt om pompen uit Nederland. "Ik heb geld zat" , zegt hij, "maar de Nederlandse ambassade geeft me nooit een visum. Ze zijn bang dat ik er blijf."

Zijn vader heeft al sinds de jaren zestig een officiele vergunning voor de goudmijnbouw, een concessie die al sinds 1988 niet meer wordt verstrekt. Op zijn terrein in de Sillakreek werken zo'n tweehonderd mensen. Van iedere twintig gram moeten ze er vijf afstaan, oftewel een kwart van wat ze uit de grond halen. Lucien gaat iedere morgen het goudveld langs voor controle. Iedere nieuweling die wil komen werken wordt eerst netjes geregistreerd op naam en methode van goud winnen. Het terrein wordt nauwlettend in de gaten gehouden, want er wordt in het goudbos wat afgejat.

Volgens Lucien kwamen er vroeger regelmatig jongens van het Jungle Commando naar de Sillakreek. "Het hele gebied hier werd beheerst door Brunswijk" , zegt hij, "iedereen die uit het goudbos op weg was naar Drietabbetje moest bij een controlepost een gram goud aan Brunswijk afstaan." Na een tijd werd de controlepost opgeheven en trok het Jungle Commando zich terug op Stoelmanseiland waar ze nu nog steeds de goudzoekers 'beschermt' in ruil voor een paar gram per dag per persoon. "Brunswijk bulkt van het geld" , gniffelt Lucien. "Die man heeft zo'n veertig mensen in dienst, die het goud voor hem opduiken, echte professionele duikers uit Brazilie die minstens een kilo per dag uit de Marowijne halen."

Speculaties over het inkomen van Brunswijk verschillen wel heel sterk. De een beweert dat hij door wanbeheer, ondeskundigheid maar vooral zijn vrijgevigheid aan zijn 36 vrouwen al het geld heeft verbrast. Een ander schrijft hem een vette bankrekening in Miami toe. Een feit is wel dat de naam Brunswijk bij veel bosnegers ergernis oproept. "Wij zijn niet beter van hem geworden" , zeggen ze. "Die oorlog hoeft van ons niet meer."

Nu vrede in Suriname nabij lijkt, beginnen buitenlandse bedrijven voorzichtig interesse te tonen in het goud. Ze weten dat Suriname het kapitaal mist om een goudindustrie op te zetten. Een paar weken ging Grassalco, een Surinaams staatsbedrijf met een goudconcessie ten noorden van het stuwmeer, een overeenkomst aan met een Canadese maatschappij. Maar het is vrijwel uitgesloten dat een er buitenlandse maatschappij aan de gang gaat bij Stoelmanseiland of Drietabbetje. "Nu is het rustig in dat gebied" , wordt gezegd, "maar de knuppel moet niet in het hoenderhok gegooid worden. Als er werkelijk serieuze plannen komen voor een groot goudmijnbouwbedrijf, komt de binnenlandse bevolking binnen de kortste keren weer in opstand. En dan is het gedaan met de vrede."

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden