Politieman met nachtmerries

Flip Douma 1923-2015. Als jongen droomde hij van een rustig bestaan als veldwachter. Het pakte anders uit.

Toen hij kort na de oorlog weer veilig thuis was, hoorde hij het plaatselijk muziekkorps een lichtvoetige mars spelen. "Het was alsof ik door een slang werd gebeten", schreef hij vele jaren later. "Ik sloeg op de vlucht en viel ergens in de modder."

Overstuur holde hij naar Sietske, zijn verloofde. Zij had veel met hem te stellen. Onverwacht kon hij in paniek raken, zoals bij die muziek.

De opgewekte noten van de 19de-eeuwse mars 'Alte Kameraden' dienen nog altijd als feestmuziek. Maar voor Flip Douma waren het de klanken die de gruwelen in een Duits kamp hadden begeleid. Als er gevangenen werden opgehangen, dan klonk 'Alte Kameraden'.

Flip was teruggekomen van het kamp als een schim van de jongen op wie Sietske Posthumus vijf jaar eerder verliefd was geworden. Ze waren allebei opgegroeid in Sexbierum, bij Harlingen. Haar vader was koster van de gereformeerde kerk. Zijn vader was landarbeider met zes kinderen en een geit voor de melk. Toen Flip van de lagere school kwam, moest hij meteen ook bij een boer gaan werken, net als zijn oudere broer. Dankzij het geld dat zij verdienden, kon de derde broer doorleren op de mulo.

Flip (eigenlijk heette hij Filips) droomde van een beter bestaan. Toen hij eens aan het ploegen was, zag hij twee veldwachters kalmpjes langsfietsen. Dat is het, dacht hij, ik ga bij de politie.

Toen hij achttien was, fietste hij 's avonds na het werk naar Franeker om de theorie van het politievak te leren. Overdag bleef hij achter de ploeg de wetskennis in zijn hoofd stampen. Hij vergat de wetten nooit meer; tot op hoge leeftijd kon hij de artikelen nog opdreunen. Na een jaar deed hij in 1942 met mooie cijfers examen in Amsterdam. Toen kon hij naar de praktijkopleiding in Schalkhaar.

Tot dan toe had hij weinig gemerkt van de Duitse bezetting. Dat werd anders bij het Politie Opleidings Bataljon, dat onder toezicht stond van de SS. Flip schrok ervan. Hij vroeg advies aan zijn ouders, en aan de veldwachter van Sexbierum en de dominee. Allemaal vonden ze dat hij het wel kon wagen. Bovendien wilde hij dolgraag bij de boer vandaan. Later heeft hij het zijn ouders wel verweten dat ze hem niet hadden tegengehouden.

Illegale dingen

Toen hij eenmaal klaar was met de opleiding en geplaatst werd in Den Haag, had hij het naar zijn zin. Hij zat veel op de fiets te surveilleren. Later, toen er bommen vielen, werden de Duitsers 'lastig', zoals hij het noemde. Bijna ongemerkt kwam hij met 'illegale dingen' in aanraking. Een chef vroeg hem werk te doen wat geheim moest blijven. Toen hij met een maat uit Friesland een lijst kreeg van artsen die weigerden samen te werken met de Duitsers, zagen ze kans die artsen te waarschuwen. De volgende morgen werden maar vier artsen aangehouden. De Duitsers waren woedend en gelastten een onderzoek.

Toen het landelijk bevolkingsregister werd gebombardeerd door de geallieerden, moest hij persoonskaarten die ongeschonden waren, bewaken in Scheveningen. Van zijn baas kreeg hij de illegale opdracht om de kaarten van mensen die werden gezocht, te verbranden. Hij haalde nog wat extra kaarten weg. Zoals die van de zoons van de dominee in Sexbierum van wie hij wist dat ze verzetswerk deden. Ook de kaarten van Sietske en haar broer nam hij weg. "Maar ik was zo dom om die mee te nemen naar het bureau en ze in mijn kast op te bergen", schreef hij later.

Dat kwam aan het licht. Hij vertelde een smoesje dat hij nieuwsgierig was geweest en dat hij die kaarten alleen had willen bekijken. Daarmee leek de kous af. Later bleek dat hij toch op een lijst met onbetrouwbare politiemensen was gezet.

Doorgangskamp

In september 1944, toen de agenten op appèl stonden, werden ze omsingeld door de Grüne Polizei. Hij werd overgebracht naar doorgangskamp Amersfoort, met nog tachtig andere agenten uit Den Haag en Amsterdam. Enkele weken later werden er zevenhonderd mannen en jongens uit Putten binnengebracht. Ze waren opgepakt als wraak voor een aanslag op een Duitse officier.

Op 11 oktober werden ze opgesloten in een lange trein naar Duitsland. De reis duurde drie dagen, steeds onderbroken door een luchtalarm. Uiteindelijk kwamen ze aan in kamp Neuengamme bij Hamburg. De gevangenen werden met stompe messen kaalgeschoren, ook hun schaamhaar, en ze kregen zebrapakken aan met een nummer. Flip was nummer H56325, dat bleef hem altijd bij. Vier mannen moesten één stapelbed delen.

Iedere dag begon met marsen door het muziekkorps van gevangenen, altijd ook 'Alte Kameraden'. Om het minste of geringste werden gevangenen doodgeslagen of opgehangen. Een oude man uit Putten werd doodgeslagen omdat hij voor zijn pannetje koolsoep bad. Bidden was verboden. Bij executies moest het muziekkorps opdraven om de mars te spelen.

Flip werd enkele maanden dichtbij Hamburg ondergebracht om tankvallen te graven en puin te ruimen na bombardementen. Soms ontplofte een blindganger en daar vielen doden bij. Flip vond in een kapot huis eens een paar gedroogde stokvissen. Hij genoot nog lang na van die delicatesse.

Eind februari 1945 kregen ze op appèl te horen dat gevangenen die minder dan 50 kilo wogen, mochten aansterken in een sanatorium in Bergen-Belsen. Zoveel mededogen met gevangen leek onbegrijpelijk, toch meldde Flip zich aan voor het sanatorium. Maar hij bleek 51 kilo te wegen en werd weggeschopt. Toen de sanatoriumgangers vertrokken in auto's met een rood kruis, stonden de achterblijvers met tranen in de ogen; wat hadden ze graag mee gewild. Pas na de bevrijding werd bekend dat het gehele ziekentransport in Bergen-Belsen was vergast.

In april zou iedereen naar het sanatorium gaan. In opperbeste stemming klommen ze in de veewagons. Maar onderweg bleef de trein steeds lang staan, soms een paar dagen. Menig gevangene stierf. Toen de deur uiteindelijk werd geopend, vielen de lijken naar buiten. De trein had Bergen-Belsen niet meer kunnen bereiken, doordat dat kamp inmiddels was bevrijd.

Gras eten

In een oud krijgsgevangenenkamp op de Lüneburger Heide lieten de bewakers zich niet meer zien. Veel gevangenen stierven en de lijken werden opgestapeld in de gang. Het kanongebulder van de naderende bevrijding was goed te horen. Flip probeerde gras te eten om in leven te blijven.

Vlakbij hem lag een Joegoslaaf op sterven. Hij droeg nog een dikke overjas. Flip wachtte totdat hij was overleden en trok toen die jas aan. "We waren volledig afgestompt", schreef hij later. De overlevenden waren te zwak om de bevrijders toe te juichen. "Wel hebben we geprobeerd met elkaar te zingen: geloofd zij God."

Toen Flip in 1944 in het kamp aankwam, waren er ongeveer vierhonderd Nederlanders. Uiteindelijk heeft het Rode Kruis maar veertien man naar Nederland kunnen terugbrengen. Op 31 mei 1945 was hij weer thuis, vel over been en met een kaal hoofd.

In het voorjaar van 1946 was hij weer sterk genoeg om te werken, eerst voor halve dagen. Opnieuw werd hij bij de Haagse politie geplaatst. In oktober trouwde hij met Sietske. Drie collega's die het kamp hadden overleefd, waren getuigen. Met Sietske betrok hij een kleine bovenwoning in Den Haag. Daar kregen ze de eerste twee van hun vier kinderen.

Toen de Staatspolitie van de oorlogsjaren werd opgesplitst, kwam Flip bij de Rijkspolitie. Dat betekende een leven met voortdurende overplaatsingen. Sietske vond het wel mooi om steeds te verhuizen; van de vergoeding kon ze steeds nieuwe vloerbedekking kopen. Na zes jaar in Den Haag gingen ze naar Franeker.

Psychische hulp

Flip volgde steeds opleidingen om hogerop te komen en met kleine kinderen in huis viel dat niet mee. Hij werd overspannen. Als hij een sirene hoorde, raakte hij in paniek. Nachtmerries over het kamp teisterden hem. Hij heeft weleens formulieren in huis gehaald om psychische hulp te vragen, maar die heeft hij nooit ingevuld. Hij wist er zelf overheen te komen. Maar de nachtmerries bleven tot het eind van zijn leven. En de kinderen wisten dat ze geen drukte in huis moesten maken als hij er was.

Zijn boeiendste standplaats vond hij het arme dorp Harkema, in de Friese Wouden, dat een slechte naam had als broeinest van 'messenstekkers'. Flip had het politiebureau aan huis. Sietske ontving de mensen die aan de deur kwamen, en dat waren er veel. Ze had altijd koffie klaarstaan. Flip was een strenge politieman. Een meisje dat hij op de brommer betrapte zonder helm, kreeg van hem een jaar rijverbod. Toch was hij geliefd in het dorp. Als hij bij de dorpelingen thuis kwam, dan onthaalden ze hem op kaas en worst. In die periode begon zijn lichaam aan te dikken, uiteindelijk tot honderd kilo. "Ik ben bijna van honger gestorven, dus nu laat ik niets staan."

Op Terschelling werd Flip waarnemend groepscommandant. Dat vond hij een mooie standplaats, waar hij graag met de jeep de duinen inreed. Nadeel was dat familie graag wilde komen logeren. Hij was op zijn rust gesteld.

In 1972 werd hij groepscommandant in het Noord-Hollandse Wieringerwerf. Ze woonden vlakbij het bureau en Sietske bracht gevangenen te eten. "Die stakkers", zei ze.

Flip leidde een dertigtal politiemensen en dat viel hem zwaar. De tijden waren veranderd en jonge collega's durfden hem tegen te spreken. Dat was hij niet gewend. Als jongens op straat het waagden hem uit te schelden, dreigde hij te ontploffen. Sietske waarschuwde hem daarvoor steeds: "Hou je in", zei ze dan. Het liefst liet hij de politiewagen staan om per fiets de polder in te trekken. Dan voelde hij zich de veldwachter die hij als jongen had gezien.

Hij was blij dat hij op zijn zestigste met pensioen kon en hij verhuisde naar Franeker. Om half vijf 's morgens stond hij al in zijn volkstuin met groenten en kippen. Hij was weer de boerenjongen.

Als kind was hij eens bij het eieren rapen betrapt door de veldwachter en was ternauwernood ontsnapt door over sloten te springen. Zijn vader moest hem van de veldwachter een aframmeling geven, maar de klappen waren mild geweest.

Nu was hij zelf mild. Als zijn kleinkinderen een slecht rapportcijfer hadden, dan was hij vol begrip. Bij een slecht cijfer voor Duits, gaf hij zelfs een beloning.

Sietske stierf plotseling in haar slaap in 1997. Daar kwam hij moeilijk overheen. Hij had gedacht dat hij als eerste zou gaan. "Dat had de Heere niet mogen doen", zei hij. Altijd bleef hij van Sietske dromen.

Filips Douma werd op 18 juni 1923 geboren in Anjum en stierf op 29 november 2015 in Franeker.

Oktober 1946: Flip Douma trouwt met zijn Sytske. Drie collega's die ook het kamp hadden overleefd, waren getuigen bij het huwelijk.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden