Politieke discussie over universiteit krijgt dubieus niveau

De auteur is verbonden aan de sectie Wijsgerige en Historische Pedagogiek van de Katholieke Universiteit Nijmegen. Medio januari verschijnt bij uitgeverij Amsterdam University Press het boek 'De toekomst van de universiteit', van zijn hand en van Peter Baggen.

De drijfveer achter de bemoeienissen met het hoger onderwijs zijn de voortdurend stijgende overheidsuitgaven. Tegen de achtergrond van de economische recessie gold voor vrijwel de hele westerse wereld vanaf eind jaren zeventig dat de groeiende aantallen studenten de regeringen dwongen tot een goede kosten-baten legitimering voor hun investeringen in hoger onderwijs.

De politiek ging zich direct bemoeien met het hoger onderwijs. 'Sturen op afstand' heette dat, maar het Nederlandse hoger onderwijs raakte het afgelopen decennium werkelijk bedolven onder reorganisaties, bezuinigingen en 'prikkelende' maatregelen.

Steeds gemakkelijker en steeds minder terughoudend draaiden de vertegenwoordigers van de verschillende politieke partijen hun verhaal af om die ingrepen mee te verantwoorden: het hoger onderwijs moest 'beter' worden, het moest 'efficiënter' worden en meer 'studeerbaar', het moest meer 'rendement' opleveren en meer 'bedrijfsmatig' georganiseerd worden.

De kwaliteit van de universiteit, daar heeft men elkaar in Den Haag inmiddels van overtuigd, is niet best. Dús kan er flink worden bezuinigd. Het is hoog tijd die gemakzuchtige consensus te doorbreken. Het is tijd om de kwestie om te keren: de kwaliteit van de Nederlandse politiek in de benadering van het hoger onderwijs dreigt van een bedenkelijk laag niveau te worden.

De hele dynamiek van de huidige discussie over het hoger onderwijs wordt intussen bepaald door het spanningsveld tussen twee motieven: de wens te bezuinigen (waarvoor ook alweer?) en de wens ondanks die bezuinigingen de hogere- en middeninkomensgroepen niet tegen zich in te nemen. Met andere woorden, door twee pijnlijk strijdige kanten van dezelfde medaille. Met een inhoudelijk hoger onderwijsbeleid heeft dat niets te maken. Het gebruik van de term 'kwaliteitsverbetering' om de voorgestelde bezuinigingen te legitimeren is in dit verband volstrekt ongeloofwaardig.

De Nederlandse inspanningen op het gebied van de kwaliteitszorg binnen het hoger onderwijs zijn de afgelopen jaren vanuit de ons omringende landen met interesse gevolgd. Nederland en Engeland waren de twee landen waar de afgelopen jaren het thema van de kwaliteitszorg het sterkst in de belangstelling heeft gestaan.

Bij het aantreden van Thatcher in 1979 werden meteen twee nieuwe beleidsuitgangspunten geformuleerd. Ten eerste zou het wetenschappelijk onderwijs de maatschappij veel te veel kosten; er zou dus flink moeten worden bezuinigd op deze uitgaven. Ten tweede zou het wetenschappelijk onderwijs te weinig georiënteerd zijn op maatschappelijke behoeften; daarom zou de regering zelf sturend gaan optreden om te garanderen dat de universitaire studies daadwerkelijk maatschappelijk profijt zouden gaan opleveren.

In Engeland heeft de roep om accountibility van het hoger onderwijs zich ontwikkeld binnen het kader van een politiek streven naar privatisering. Uit naam van 'deregulering' greep de regering voortdurend rechtstreeks in in het hoger onderwijs. De Engelse universiteit is er niet beter op geworden.

Globaal beschouwd zien we in ons land sinds de HOAK-nota van minister Deetman in 1985 dezelfde elementen terug als in het Britse beleid: een streven naar privatisering; een streven naar vergroting van beheersing van het hoger onderwijs; ingrijpende bezuinigingen; en tenslotte een verpakking van dit beleid in het cadeaupapier van 'deregulering' en 'besturen op afstand'.

Realistisch

Toch zijn de verschillen allerminst onbelangrijk. Ten eerste vinden we niet voor niets in de HOAK-nota de realistische constatering dat bij de overheid gebrek aan expertise bestaat om gewenste ontwikkelingen voor de uiteenlopende disciplines gedetailleerd te kunnen aangeven. Bovendien vonden de voorstellen van Deetman plaats tegen een heel andere achtergrond, ze verhielden zich tot een heel andere politieke, bestuurlijke en academische context. De wisselwerking met die achtergrond heeft aan de invulling van de kwaliteitszorg in ons land tot nog toe een andere draai gegeven dan die in Engeland.

De Britse universiteiten kenden een zeer lange traditie van vergaande autonomie voor de instellingen. Precies daaraan maakte de revolutie van Thatcher definitief een eind. Met haar kenmerkend offensieve populisme werd het onaantastbaar lijkende maatschappelijke prestige van de oude, zichzelf besturende instellingen onder vuur genomen. De nieuwe regering wilde more value for less money en zij bleek, niet gehinderd door respect voor tradities noch door besef van eigen mogelijk beperkt inzicht, vast van plan direct van bovenaf in te grijpen om dat doel te bereiken.

Overleg

Zo'n bruusk optreden is de Nederlandse universiteiten tot nog toe bespaard gebleven, maar een dergelijk prestige en een dergelijke culturele onaantastbaarheid hebben de Nederlandse universiteiten ook nooit gehad. Net als de universiteiten in bijvoorbeeld de Scandinavische landen waren zij gewend aan permanent en uitvoerig overleg met het ministerie.

Juist tegen de achtergrond van die cultuur van sturing en overleg sprongen de instellingen dan ook bovenop het thema van vergroting van hun autonomie en wezen ze op de contradicties op dat punt in de nota. Men wilde wel over kwaliteitsverbetering praten maar er ontstond algemeen verzet tegen het streven dat de inspanningen op het punt van 'improvement' net als in het Verenigd Koninkrijk rechtstreeks zouden worden gekoppeld aan en gedomineerd door het politieke streven naar 'accountibility'.

Het interessante van het getouwtrek tussen Haagse ambtenaren en universiteitsbestuurders over de zin en de consequenties van kwaliteitsevaluaties is dat daarmee stap voor stap een nieuw concept van universitaire autonomie vorm begon te krijgen, iets dat de universiteiten dan ook niet zo maar uit handen zullen geven.

Als gevolg van de initiatieven van de VSNU en gesteund door het onderzoek van het Centrum voor Studies van het Hoger Onderwijsbeleid (CSHOB) van de Universiteit Twente en van de onderwijsresearch-instellingen van de overige Nederlandse universiteiten is in ons land een unieke vorm van kwaliteitszorg ontwikkeld, waar vanuit het buitenland aandachtig naar wordt gekeken. Kwaliteitszorg onder auspiciën van de universiteiten zelf.

Deskundigen

Cruciaal voor de verdere ontwikkeling van de kwaliteitszorg in het hoger onderwijs is de status van de visitatie-commissies. Deze commissies van onafhankelijke deskundigen moeten per discipline periodiek een kwaliteitsoordeel uitspreken over het onderwijs en het onderzoek op de verschillende faculteiten. Binnen de universiteiten bestaat hierover de nodige scepsis. Het kost veel tijd en het is maar de vraag waar het toe leidt. De belangrijkste vraag is echter of aan de oordelen van deze commissies direct beleidsconsequenties worden verbonden, of dat Den Haag zich opnieuw realiseert dat het niet haar taak is om kwaliteitsverbetering rechtstreeks te sturen.

Uit recent onderzoek van het CSHOB blijkt dat een directe relatie tussen interne en externe, politieke kwaliteitszorg contraproduktief is. In de faculteiten waar de zelfevaluatie in gang is gezet als gevolg van externe druk, blijkt er hoogstens passief van de resultaten gebruik te worden gemaakt. Daarentegen leiden intern geïnitieerde zelfevaluaties in het merendeel van de faculteiten ook tot actief gebruik van de resultaten.

Te verwachten is dan ook dat de nu in de faculteiten op gang gebrachte aandacht voor het ontwikkelen van geschikte procedures van zelfevaluatie ernstig zal worden ondermijnd als de druk van buitenaf groter wordt om 'beleidsrevelante' gegevens te leveren, dat wil zeggen uitkomsten te leveren die als grondslag kunnen dienen voor bezuinigingen. Voor alle duidelijkheid: dat betekent niet dat in geval van herhaaldelijk negatief beoordeelde vakgroepen niet op een gegeven moment mag worden ingegrepen, maar wel dat het ministerie daarvoor niet de aangewezen instantie is.

Van tweeën een: of men neemt het nu op gang gebrachte proces van kwaliteitszorg serieus en laat de uitvoering van daar logisch uit voortvloeiende consequenties aan de instellingen zelf. In dat geval beperkt de overheid zich dus tot een controlerende taak. Of men hanteert de uitkomsten van deze evaluaties voor politieke doeleinden en ondermijnt daarmee het proces van de kwaliteitszorg zelf. Dan verschilt de Nederlandse onderwijspolitiek in feite niet meer van de Thatcheriaanse omwenteling.

Met de huidige discussie over de bezuinigingen in het hoger onderwijs dreigt de situatie werkelijk in die richting te gaan. Het gemak waarmee door de regeringsfracties bezuinigingssuggesties worden gedaan in de richting van samenvoeging van studies en vermindering van de universitaire bureaucratie lijkt hiervoor illustratief. Terwijl deze suggesties al eerder als irrelevant zijn beoordeeld door de technische commissie van deskundigen worden ze gewoon herhaald en worden er ter plekke wat nieuwe suggesties bij verzonnen.

De universiteiten zouden best wat meer geld mogen vragen voor hun opdracht-onderzoek, oppert de VVD. Kamerlid Van Gelder van de PvdA oreert wat over meer 'normale hiërarchische verhoudingen' en over 'meer overleg met de studenten', 'dat kan veel vergaderingen schelen'. Het is allemaal van een pijnlijke onwetendheid en nonchalance. De kwesties die de universitaire staf vooral reden tot vergaderen geven zijn een gevolg van de toenemende studentenaantallen, van de studieverkorting en vooral van de over elkaar heen buitelende bezuinigingen, kortom van de Haagse politiek.

Maar de gedachte van de 'overdreven vergadercultuur' aan de universiteiten hoort zelf tot de Haagse mythes. Docenten met ervaring in grote organisaties hebben die mythe inmiddels allang ontkracht. En verbeeldt men zich nou echt dat een uur minder vergaderen geld oplevert?

De kwaliteit van de politieke discussie over de universiteit glijdt af naar een dubieus niveau. Men heeft in Den Haag zijn oordeel over de universiteiten kennelijk al gevormd en lijkt te teren op herinneringen aan de eigen studietijd of verhalen van anderen, lang geleden. Natuurlijk heeft het opportunistische optreden van Van Lieshout, de voorzitter van de VSNU, rond de intentieverklaring tot deze daling van het discussieniveau bijgedragen. Maar dat rechtvaardigt niet het evidente gebrek aan argumenten voor nieuwe ingrijpende bezuinigingen.

Het precieze bedrag dat de universiteiten tevoorschijn toveren zegt Van Gelder niet zo belangrijk te vinden, als ze maar “laten zien dat ze hun best doen om de kwaliteit te verhogen.” Moeten we deze nonsense-koppeling van minder geld aan meer kwaliteit serieus nemen? Voor degenen die ook maar enigszins op de hoogte zijn is immers duidelijk dat het de universiteiten zelfs zonder nieuwe bezuinigingen al bijzonder veel moeite zal kosten om kwaliteit te leveren, zeker zolang zij worden opgezadeld met het systeem van output-financiering, waarbij de universiteiten worden afgerekend op het aantal afgestudeerden.

Een politicus die met zo'n verhaal zijn bezuinigingsboodschap - “we hebben er immers voor getekend!” - probeert te verdedigen, geeft te kennen geen boodschap te hebben aan zorgvuldige procedures, aan visitatiecommissies, aan kennis van zaken en argumenten. Nog even en hij sluit zich aan bij het standpunt van de coalitie-partner, krachtig verwoord door kamerlid De Vries van de VVD: “Wij stellen hier in dit land de begroting vast.” Zo is het. Argumenteren, dat is verleden tijd!

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden