Politiek correct, nou en?

'Politiek correct is zo ongeveer het ergste scheldwoord dat je dezer dagen naar het hoofd geslingerd kunt krijgen', constateert Ed van Thijn in zijn gisteren gehouden Abel Herzberglezing. Zelf blijft hij de term koesteren als een geuzennaam, als aanduiding voor de fatsoensnormen die je in het politieke debat in acht hoort te nemen. Het door Herman Vuijsje gesignaleerde etnisch taboe bestaat volgens Van Thijn niet uit een redeloze angst tot kwetsen, maar uit een redeloze angst om racisme onder ogen te zien. Van Thijn bepleit een nieuw moreel leiderschap om de kernwaarden van onze samenleving overeind te houden.

Ed van Thijn

In het turbulente jaar 1959, toen ik in Parijs studeerde, ging de Prix Goncourt naar André Schwarz-Bart voor zijn roman 'Le dernier des Justes'. Dit boek is gebaseerd op een oude joodse legende dat het lot van de wereld, door de eeuwen heen, op de schouders rust van zesendertig 'rechtvaardigen'. Mensen van allerlei slag die het grootste deel van hun leven in anonimiteit doorbrengen en ook van zichzelf niet weten tot welke rol zij zijn voorbestemd. Maar het zijn stuk voor stuk mensen die op een beslissend moment van de geschiedenis respect afdwongen, het verschil uitmaakten, omdat zij de moed hadden hun leven ondergeschikt te maken aan beginselen van ethiek.

De zesendertig rechtvaardigen, stel dat zij vandaag nog zouden bestaan, zouden, als dragers van de publieke moraal, ongetwijfeld voor politiek correct zijn uitgemaakt. Dat is zo ongeveer het ergste scheldwoord dat je dezer dagen naar het hoofd geslingerd kunt krijgen.

Maar op zich is er niets mis met het begrip 'politiek correct'. Het staat voor de wenselijkheid of noodzaak om in het politieke debat een aantal elementaire fatsoensnormen in acht te nemen, ontleend ook aan de beginselen van onze democratische rechtstaat en de internationale verdragen waaraan wij ons hebben gecommitteerd. Het pure feit dat het begrip is misbruikt en in bepaalde kringen geassocieerd lijkt te worden met een publiek klimaat waarin de tolerantie hoog gehouden wordt met intolerante middelen, is nog geen reden om tot afschaffing over te gaan en zo vrij baan te bieden aan een politiek debat waarin anything goes.

Juist in een tijd van toenemende culturele diversiteit, is de behoefte aan een aantal gemeenschappelijke kernwaarden van groot belang. Het is ook niet voor niets dat de veldtocht tegen alles wat naar 'politiek correct' riekt, zich toespitst op het debat over de multiculturele samenleving. Beter dan het begrip met het badwater weg te gooien, is het een poging te doen het te 'verzindelijken' en er een eigentijdse, goed uitgebalanceerde inhoud aan te geven. En niet een nieuw taboe te introduceren.

Vooral geen nieuw taboe. Als politiek correct ergens mee geassocieerd wordt dan is het wel met taboes. In zijn boek 'Correct' pakt Herman Vuijsje uit tegen het zogenaamde etnisch taboe. Door een overdreven accentuering van de angst voor racisme en discriminatie, die uitgroeide tot de hoeksteen van de officiële moraal, zijn de allochtonen in dit land te lang met fluwelen handschoenen aangepakt. Het verwijt van racisme, zegt Vuijsje, maakt ieder debat over een werkzaam minderhedenbeleid bij voorbaat onmogelijk. Volgens Vuijsje is racisme een uitvinding van het 'minderhedencircuit' dat bedrijfsmatig te werk gaat. ,,Hoe meer racisme een zaakwaarnemer of racismebestrijder kon 'claimen', des te groter zijn marktaandeel.'

Zo zit Nederland opgescheept met een slecht functionerend minderhedenbeleid. Terwijl Nederland mobiliseerde in de strijd tegen de racismebacil, woekerden sociale problemen en achterstanden voort. En zo ontstond, aldus Vuijsje, de paradox dat Nederland een gunstige reputatie op racismegebied paart aan slechte vooruitzichten voor allochtonen. Volgens de strijders tegen het correcte denken, heeft de bijna panische angst om voor racist te worden uitgemaakt, ook jarenlang een behoorlijk immigratie- en asieldebat in de weg gestaan.

In de Volkskrant van 17 juni jubelt Jan 't Hart, naar aanleiding van de aanvaarding van de nieuwe Vreemdelingenwet door de Tweede Kamer, dat Nederland gelukkig eindelijk afscheid heeft genomen van het politiek correcte denken. Instemmend citeert hij Frits Bolkestein, die speciaal uit Brussel was overgekomen om te constateren dat ,,de prijs van tien jaar politieke correctheid over dit onderwerp hoog is geweest'. Tien jaar lang had deze op eenzame hoogte staande politicus zich een roepende in de woestijn gevoeld toen hij keer op keer, meestal buiten het parlement, het immigratietaboe heeft geprobeerd te doorbreken. Jarenlang was hij niet zozeer bestreden als wel doodgezwegen en nu had zelfs de PvdA, die hem ooit één keer verweten had in troebel water te vissen, getekend voor his finest hour.

Toch is niet duidelijk hoe dat correctheidsmechanisme de afgelopen tien jaar heeft gewerkt. Welke schade heeft Bolkestein geleden? Welk leed is hem berokkend? Welk onheil heeft hij getrotseerd? Onder zijn leiding is de VVD bijna de grootste partij van dit land geworden. En zelf zit hij nu hoog en droog in Brussel.

In een interview met Trouw van 1 juli beklaagt de ethica en VVD-senator Heleen Dupuis zich over de storm die losbrak toen zij in het tv-programma 'Schaduwkabinet' voorstelde een tijdelijke migratiestop door te voeren. Een moratorium noemde ze dat. Onmiddellijk 'stonden de sjablonen weer in de krant: racisme, fascisme', klaagt ze. 'Witheet word ik dan, ik heb iets tegen die dogmatische bevangenheid. En dan gaat het me niet alleen over de zaak, want ik bedoel, 'n Marokkaan of 'n Somaliër meer of minder, eerlijk gezegd lig ik daar niet wakker van. Maar dat ik er niet over mag praten, dat vind ik ontzettend slecht.'

Eerlijk gezegd heb ik in reactie op het voorstel van mevrouw Dupuis nergens de door haar genoemde sjablonen aangetroffen. Wel was er van alle kanten, en terecht, veel kritiek op haar voorstel omdat het in flagrante tegenspraak is met het Vluchtelingenverdrag van Genève. Niet alle kritiek op dit soort provocerende uitspraken is bij voorbaat te diskwalificeren als politiek correct met de kennelijke bedoeling het debat onmogelijk te maken en het aangesneden onderwerp weer terug te dringen in de taboesfeer. Tegenargumenten kunnen best inhoudelijk en zinvol zijn.

Eerder valt het op dat iemand als Bolkestein in de loop der jaren, met name in het parlement, zo weinig tegenspel heeft gekregen. Hier speelt een heel andere angst een rol, kwalijker nog dan de taboeïsering. De angst van politici om tegen de electorale stroom op te roeien. Want één ding moet je de eenzame strijders tegen de politieke correctheid nageven: ze hebben een feilloos gevoel voor mainstreaming. Het tij zit, in de steeds intoleranter wordende samenleving, in ieder geval niet tegen.

In het interview met mevrouw Dupuis komt nog een heel andere aap uit de mouw: de joodse collega's die, allervriendelijkst overigens, haar te kennen hebben gegeven het deze keer niet met haar eens te zijn. Met hen valt daarover niet te praten en ze heeft daar ook alle begrip voor. Eén van die collega's is Ed van Thijn. Die wil het gesprek over dit soort problemen gewoon niet aan, ,,dus laat ik het maar. Joodse mensen hebben dat recht... Ik wil dat debat, er moet een debat mogelijk zijn, maar ik vind niet dat zij eraan mee hoeven doen.'

Wat een hartverwarmende verdraagzaamheid. Joodse mensen in dit land zijn dus bij voorbaat verschoond als het om migratievraagstukken gaat. Ook diegenen, blijkbaar, die zich beroepshalve hiermee bezighouden. Dat moet voor staatssecretaris Cohen een grote opluchting zijn. En ik had mijzelf veel moeite kunnen besparen toen ik nota bene op de Cleveringaleerstoel (over joodse hoogleraren gesproken) over dit soort onderwerpen college heb mogen geven.

Als het etnisch taboe, dat gecreëerd is door het politiek correcte denken, eruit bestaat dat bij de behandeling van etnische vraagstukken de internationaal aanvaarde normen en waarden zorgvuldig dienen te worden gehanteerd en simplistische, generaliserende, vooroordeelbevestigende uitspraken dienen te worden vermeden, dan beschouw ik politieke correctheid als een geuzennaam.

Neem nu de omgang met racisme en racistisch geweld. Een opgeklopte aangelegenheid, aldus Vuijsje, die ten onrechte is verheven tot de hoeksteen van de officiële moraal. Het komt in Nederland nauwelijks voor. Een stelling die hij niet staaft en die ook wordt tegengesproken in de jaarlijkse 'monitor racisme en extreem rechts' van de deskundige op dit gebied, Jaap van Donselaar. Wat bijvoorbeeld te denken van de explosieve toename van het aantal racistische websites op internet? Van Donselaar signaleert juist een heel ander verschijnsel in de officiële, door de overheid beschikbaar gestelde statistieken: een immense onderrapportage. Een verschijnsel dat ik als bestuurslid van het Europese Waarnemingscentrum tegen Racisme en Vreemdelingenhaat alleen maar kan bevestigen. Zo werd nog onlangs vanuit de Duitse Bondsrepubliek gemeld dat het aantal daden van racistisch geweld in dat land, sinds de explosie van aanslagen op asielzoekerscentra in onder andere Mölln en Solingen in 1994, significant was afgenomen. Inmiddels is een ware paniek losgebroken over de terreurdaden van neonazi's tegen buitenlanders.

Nog verontrustender dan het bestaan van racistisch geweld is de neiging om het stelselmatig te bagatelliseren en te ontkennen. Zo was ik de afgelopen jaren betrokken bij de opstelling van een Handvest voor politieke partijen in Europa tegen racisme. Hieraan ging een enquête vooraf waarin de bereidheid om mee te werken werd getest. Opvallend was dat vrijwel alle partijen verklaarden het een goed initiatief te vinden, maar er nadrukkelijk op wezen dat in hun land het racisme een non-issue was.

Racisme een non-issue van Griekenland tot Denemarken, van België tot Portugal, van Oostenrijk tot Frankrijk, van Italië tot Nederland, het is te mooi om waar te zijn. Over een etnisch taboe gesproken. Een redeloze angst tot kwetsen? Nee, eerder een redeloze angst om dit soort delicate kwesties onder ogen te zien.

Het drukt ons met de neus op de misschien wel meest brandende vraag van deze tijd: hoe om te gaan met deze explosieve materie in een spindoctors-democratie? Een vorm van democratie waarin het doen en laten van politieke actoren van dag tot dag met vaste hand geregisseerd wordt op basis van de laatste electorale computeruitdraai. Waarin het formuleren van inhoudelijke standpunten meer en meer gelijkenis vertoont met het kraaien van de haan op een torenspits. Waarin niet zozeer het ethisch uitgangspunt als wel het media-effect allesbepalend is. Beeldvorming wordt belangrijker dan beleid. Hoe in zo'n democratie om te gaan met een publieke opinie die, in heel Europa, steeds intoleranter wordt jegens minderheden en migratie? Een tij dat niet snel zal keren, omdat niets erop wijst dat de aantallen immigranten -politiek of economisch, legaal of illegaal- in het komende decennium zullen afnemen.

In diverse landen is extreem-rechts aan de winnende hand. Maar belangrijker is de vraag of de traditioneel-democratische partijen in Europa bij machte zijn en bereid om tegen de stroom op te roeien. In Oostenrijk is niet Haider het gevaar, maar de christen-democraat Schüssel die het racisme 'salonfühig' maakte. In Denemarken is niet de extreem-rechtse Pia Kjaersgaard het probleem, maar de door sociaal-democraten aangestuurde regering die, aldus Karen Jespersen, de minister van Binnenlandse Zaken, alles doet om de homogeniteit van de Deense samenleving te beschermen.

Hoe gaan de traditioneel-democratische partijen in Europa, met de hete adem van extreem-rechts in de nek, om met dit soort gevoelige thema's? Je ziet dat zich, dwars door de politieke stromingen heen, twee electorale strategieën aftekenen. De eerste zoekt het thema welbewust op en speelt -vaak aan de hand van deelonderwerpen: minderheden en criminaliteit, het gevaar van fundamentalisme, misbruik van asielprocedures, de noodzaak van immigratiebeperking- in op onlustgevoelens. De dominante cultuur (ons erfgoed) moet beschermd worden. Nieuwkomers moeten zich aanpassen, assimileren.

De tweede strategie gaat het debat juist uit de weg. Problemen worden down-gespeeld, dilemma's weggedefinieerd. 'Bij ons' hebben alle burgers gelijke rechten, mits zij maar willen inburgeren. Achterstanden worden bestreden met een algemeen achterstandsbeleid, dwars door de verschillende bevolkingsgroepen heen. Het beleid is bewust kleurenblind. Culturele verscheidenheid is een privézaak en gaat de overheid niet aan.

Beide benaderingen zijn politiek incorrect. Omdat ze geen van beide recht doen aan de complexiteit van het vraagstuk. Omdat ze beide onrecht doen aan de internationaal gecodificeerde waarden en normen die aan dit vraagstuk ten grondslag liggen. Omdat ze beide voorbijgaan aan het grote belang van de culturele dimensie, die zo medebepalend is voor de wijze waarop individuen en groepen met elkaar omgaan. Beide sluiten daardoor ook de ogen voor culturele processen die deze omgang in de praktijk zo bemoeilijken. Processen van achterstelling, discriminatie en soms ook regelrecht racisme, al of niet institutioneel.

Politieke partijen die deze strategieën hanteren, verwaarlozen hun opiniërende, educatieve taak. Toch wordt het belang van zo'n educatieve taak door de tachtig Europese politieke partijen die het Handvest hebben ondertekend, erkend. Dit Handvest bevat onder meer het coalitieverbod met extreem rechts (het cordon sanitaire) dat nadien in het Oostenrijk-debat zo'n belangrijke rol zou spelen. Er worden ook afspraken in gemaakt over de vereisten waaraan het minderhedendebat zou moeten voldoen. Van partijen wordt verwacht dat zij ,,op verantwoorde en eerlijke wijze zullen omgaan met gevoelige onderwerpen die betrekking hebben op etnische minderheden en alles zullen doen (en nalaten) om hun stigmatisering te vermijden'. Het is, zo u wilt, een oproep tot politiek correct denken in de meest letterlijke zin van het woord.

Vastgesteld mag worden dat het 'multicultidebat' in ons land zich over het algemeen binnen de genoemde voorwaarden afspeelt. Dat geldt zeker ook voor de bijdrage van Paul Scheffer, die met zijn 'multicultureel drama' aan het debat een nieuwe impuls heeft gegeven. Velen, onder wie minister Van Boxtel, hebben ten onrechte aanstoot genomen aan de titel. Vanuit welke invalshoek men ook tegen het vraagstuk aankijkt, dramatisch is de situatie wel. De cijfers (werkloosheid, armoede, schooluitval, criminaliteit) baren zorg, de beleidsresultaten zijn te bescheiden, van een sense of urgency is te weinig te merken. Vooral de gapende kloof tussen beleid en uitvoering baart zorgen.

Wat mij verbaast en teleurstelt, is dat het Scheffer-debat zich afspeelt op het snijvlak van twee dimensies, terwijl de werkelijkheid veel complexer is. Allochtonen moeten zich aanpassen aan de heersende waarden en normen om uitsluiting te voorkomen. In 'De multiculturele illusie' noemt Paul Schnabel Nederland een monoculturele samenleving en hij wil dat graag zo houden. Schnabel pleit rechttoe rechtaan voor inburgering, integratie en, jazeker, assimilatie. In de betogen van beide auteurs gaat het uitsluitend om een keuze tussen het individu-gerichte 'smeltkroesscenario', waarin de culturele dimensie naar het privé-domein wordt verbannen, en het groepsgeoriënteerde 'regenboogscenario', waarin het behoud van de eigen identiteit centraal staat. Beide scenario's doen, alhoewel politiek correct, onrecht aan de maatschappelijke werkelijkheid waarin zowel individuele als groepsfactoren een rol spelen.

Daarom heb ik in mijn Cleveringa-oratie een derde scenario ontwikkeld: het mozaïekscenario, waarin de wisselwerking tussen individuele en collectieve rechten en plichten het uitgangspunt is. 'Wisselwerking' heet het PvdA-rapport waarin dit scenario is uitgewerkt en dat inmiddels, nadat het vraagstuk jarenlang was genegeerd, door een unaniem partijcongres is aanvaard. In dit derde-wegscenario bepaalt ieder individu zélf of en in welke mate hij assimileert (gedwongen assimilatie wordt afgewezen). De overheid respecteert deze keuze. De culturele diversiteit wordt niet terugverwezen naar het privé-domein, maar met een mix van algemeen en specifiek beleid tegemoetgetreden. Wisselwerking betekent dat gewerkt wordt aan een interculturele samenleving waarin alle burgers, wat ook hun achtergrond moge zijn, gelijke kansen hebben om te participeren en samen op zoek te gaan naar gemeenschappelijke waarden en normen, gebaseerd op diversiteit en niet op dominantie. Op zoek naar een publieke moraal die de multiculturele samenleving bijeenhoudt en de legitimatiebron zou moeten zijn van het te voeren beleid.

Is dat in het huidige tijdsgewricht van grote maatschappelijke veranderingen niet te veel gevraagd? Heeft zo'n speurtocht niet iets weg van een ridderlijk zoeken naar de heilige graal? Is nu niet juist het kenmerk van een plurale samenleving dat over fundamentele waarden en normen geen consensus bestaat? Voor mij ligt de essentie in de wederzijdse erkenning van waarden, met dien verstande dat niet alle waarden van gelijke betekenis kunnen worden geacht. Er zijn kernwaarden die boven alle andere uitstijgen, omdat zij wezenlijk zijn voor het functioneren van een samenleving in vrijheid en gelijkwaardigheid.

Zo is de universele betekenis van de fundamentele rechten van de mens, waarvan ook ons rechtsstelsel is doordrongen, voor mij geen discussiepunt. Zo vind ik het bedenkelijk dat in het debat over de nieuwe Vreemdelingenwet de neiging bestaat de betekenis van het Vluchtelingenverdrag van Genève steeds meer te relativeren. Sommigen, ook in mijn partij, werpen zelfs de vraag op of dit verdrag nog wel van deze tijd is. Hoezo, niet van deze tijd? Was het verdrag dan bedoeld voor een andere tijd, een tijd zonder vluchtelingen? Was het niet juist bedoeld voor tijden waarin het vluchtelingenprobleem zich in alle hevigheid aandient? Ging het niet meer om mensen, blootgesteld aan vervolging in levensbedreigende situaties, dan om naakte cijfers en getallen?

Wanneer het om dit soort kernrechten gaat, mag van de politiek 'moreel leiderschap' worden verwacht. Het klinkt als een anachronisme. In deze tijd van onthiërarchisering, verplaatsing van de politiek, netwerkdemocratie en de opkomst van interactief bestuur met het poldermodel als ideaalbeeld, werkt het begrip politiek leiderschap op de lachlust. Voeg daarbij nog verschijnselen als de verzakelijking, de bureaucratisering en de ontideologisering van het politieke bedrijf, en het spreken alleen al over moreel leiderschap is als vloeken in de postmodernistische kerk.

Toch is er in een tijd waarin de voortgaande immigratie, alhoewel a fact of life, tal van burgers benauwt en golven van intolerantie over Europa spoelen, behoefte aan gezaghebbende personen die niet alleen de grenzen van het Fort Europa bewaken maar ook de grenzen van de publieke moraliteit. Politieke elites hebben het daar in onze spindoctors-democratie moeilijk mee. Maar gelukkig hebben zij niet het monopolie van het morele leiderschap. Door de eeuwen heen zijn er altijd spraakmakende burgers geweest die hun verantwoordelijkheid namen als de politiek het op beslissende momenten liet afweten.

Ik eindig met een citaat van Multatuli, een sprekend voorbeeld: ,,Het vinden der waarheid -dat is: het naderen tot waarheid- zou niet zo moeilijk wezen, als we minder lafhartig waren. In vele gevallen durven wij niet weten wat waar is.'

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden