Pokkenprik in 1800 eveneens omstreden

Het nieuws van deze week heeft voorgangers in de geschiedenis. De geschiedenis van vaccinatie van jeugdigen in Nederland gaat meer dan twee eeuwen terug.

De Britse plattelandsdokter Edward Jenner uit Gloucestershire wordt gezien als de uitvinder van het koepokvaccin. Hij ontdekte dat boerenmeiden, die bij het melken in aanraking kwamen met koepokken (een mildere vorm van pokken), een minder ernstige vorm van de ziekte kregen. Inenting met een licht vaccin zou dus wonderen kunnen doen. In 1796 bracht hij stof uit een koepokkenzweer aan in de arm van een gezonde jongen. Toen die enige tijd later besmet raakte met het menselijke pokkenvirus , bleek hij immuun.

Het principe, dat aan Jenners inzicht ten grondslag lag, was al langer bekend, maar zijn aanpak was een doorbraak en maakte snel school. Koning Lodewijk Napoleon verplichtte de inenting in 1808 voor de Nederlandse schoolgaande kinderen van minder vermogende ouders. Met de beperkte middelen van dat Postbus 51-loze tijdperk werden campagnes opgezet die vaccinaties moesten stimuleren. Degenen die de meeste inentingen op hun naam wisten te zetten, konden rekenen op een gouden medaille.

Koning Willem I zat op dezelfde lijn als Lodewijk Napoleon. In 1823 werd het zelfs verplicht voor kinderen die onderwijs wilden volgen. Zonder pokkenbriefje (een bewijs van inenting) kregen ze geen toegang tot de school. Onomstreden waren de vaccinaties niet. Voor de veelal nog gebrekkig opgeleide ouders, zeer vertrouwd met het fenomeen kindersterfte, was het een gek idee dat hun kinderen een ziekte kregen toegediend. Het vaccin had bovendien behoorlijk wat bijwerkingen.

Een belangrijk probleem in de godsvruchtige natie Nederland was ook het verzet vanuit protestants-christelijke hoek. Het was niet aan de mens om te beschikken over leven en dood, was de breed levende overtuiging in die kringen. De sterke weerstand leidde ertoe dat het vanaf 1857 niet langer verplicht was om bij de aanmelding van een leerling een pokkenbriefje te overleggen.

Een pokkenepidemie in de vroege jaren zeventig, waarbij ruim 23.000 mensen het leven lieten, stond aan de basis van de Wet op de Besmettelijke Ziekten (1872) en de herinvoering van het pokkenbriefje. Kinderen uit huizen waar cholera, tyfus, pokken, roodvonk, difterie of mazelen heerste, mochten pas acht dagen nadat een arts het verdwijnen van de ziekte had geconstateerd weer naar school. Met name in verband met de mazelen moesten daarom veel kinderen thuis blijven.

Met de herinvoering van het pokkenbriefje was het gevaar allerminst bezworen, omdat tot de Leerplichtwet (1900) veel kinderen niet naar school gingen. De mate van inenting fluctueerde sterk naar aanleiding van de opkomst en het verdwijnen van epidemieën.

Met de inwerkingtreding van de Besmettelijke Ziektenwet in 1928 konden ouders hun kinderen om religieuze redenen onttrekken aan verplichte inentingen. Een vanaf 1 januari 1940 geldende wet verving het begrip ’inentingsdwang’ door ’inentingsdrang’.

Het Rijksvaccinatieprogramma kreeg vanaf het midden van de jaren vijftig vorm. Minister Klink van volksgezondheid stond deze week bij zijn aanbeveling van de griepprik voor jonge kinderen nog even stil bij de resultaten van dat programma. In 1956 stierven nog vijftig kinderen aan tetanus, honderd aan kinkhoest, tweehonderd aan difterie, tweeduizend aan polio en vijfentwintighonderd aan mazelen.

De weerstand tegen inenting van kinderen is echter gebleven. Bij de groepen met religieuze gewetensbezwaren voegden zich na verloop van tijd, mede onder invloed van organisaties als Kritisch Prikken, ook mensen die het niet eens waren met de noodzaak en de timing van de toediening van de diverse vaccins.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden