Poëziezomer / Overval door zintuigen

In het Vlaamse boerendorp Watou vindt voor de 28ste keer de Poëziezomer plaats; de verte is er nabijer dan ooit.

Er ligt een vliegtuig op de kop, binnen in de grote stal van de oude Doeviehoeve, een paar honderd meter buiten de dorpskern van het Vlaamse dorp Watou. Zodra je de enorme machine ziet, vraag je je af waarom die niet omkiepert. Alleen de staartvin en het glazen dak van de pilotencabine raken de grond, en toch is de straaljager volstrekt in balans. Bevroren op het laagst mogelijke punt van een looping, zo lijkt het, rug aan rug met de aarde. Fiat G9 staat er op de feloranje staart, alsof iemand met een Fiat door de wolken durft te schieten. Het kostte de Italiaanse beeldend kunstenaar Paola Pivi en haar mensen dagen om het glimmende apparaat hier in het schemerdonker in elkaar te zetten.

’Dat de verte nabijer dan ooit was’ is dit jaar het thema van de Poëziezomer in Watou, een locatie-expositie rond poëzie en beeldende kunst. De regel is afkomstig uit de bundel ’Totaal Witte Kamer’ van Gerrit Kouwenaar, en wordt in een deel van het programma vertaald als mobiliteit. Want, zegt dichter en organisator Gwy Mandelinck, „wie de verte zoekt, is altijd in beweging”. En dus zien we ook een retro-futuristische propellerman die dertig voet hoog kan, mét helm want je weet maar nooit, en een ’7000 meter hoog vliegende jungle en berg machine’, allebei van Panamarenko. Of een video waarin vliegtuigen opstijgen vanaf de eettafel en opgewekt door de huiskamer cirkelen.

Als iemand leert dat de verte onbereikbaar blijft, is het wel een straaljagerpiloot. Even machteloos als zijn vliegtuig is de popster die zich luidruchtig opdringt vanuit de volgende ruimte. ’The Earth Song’ van Michael Jackson wordt in de video-installatie ’The Body Song’ achterstevoren afgespeeld, wat trouwens weinig effect heeft op zijn huilerige of opgewonden stem, die klinkt net als anders. In de videoclip presenteerde Jackson zich als een almachtige messias die het kwaad in de wereld letterlijk ongedaan kon maken door zich het leed aan te trekken – gekapte bomen kwamen ruisend overeind, een dode man opende de ogen. Beeldend kunstenaar Jonathan Horowitz keert de omkeringen om, maakt de superster weer een mens van vlees en bloed door het paradijs onder zijn ogen te laten verdwijnen.

Het nummer staat de hele dag op repeat. De suppoost, een studente uit Antwerpen, is het ’wel beu’, zegt ze.

In de zomer trekt het dorp voorbij Ieper zo’n dertigduizend bezoekers. Daaronder veel Nederlanders, soms op doorreis naar Frankrijk. „Sommigen hooggeschoold in de kunst en literatuur”, zegt Mandelinck, „anderen worden hier voor het eerst overvallen door de zintuiglijke ervaring”. De inwoners van Watou zijn zelf overigens trotser op de eigen bieren dan op die Nederlandstalige poëzie en internationale beeldende kunst, hoe fraai die ook wordt ondergebracht in oude stallen, boerderijen en huizen. Als je op die locaties binnenstapt, tast je soms letterlijk in het duister, verrast word je altijd.

Voor de Italiaanse curator Giacinto di Pietrantonio, verantwoordelijk voor de selectie van de beeldende kunst, houdt het niet op bij dat ene begrip mobiliteit. ’Mobiel-statisch, snelheid-traagheid, turbulentie-rust, overdracht-stilstand, dichtbij-ver, voorbijgaand-sedentair’, zo noteert hij zijn associaties in de catalogus, om vele begrippen verderop uit te komen bij: ’er was-eens’ of ’tijd om te leven, tijd om te sterven’.

En zo past het thema weer bij een ander gedicht van Kouwenaar, ’Men moet’, dat Mandelinck ’nog iets sterker’ vond, en dat hij daarom ook bij de 28ste Poëziezomer betrok. ’Men moet zijn zomers nog tellen, zijn vonnis / nog vellen, men moet zijn winter nog sneeuwen’, kortom, men moet nog zoveel voordat hij sterft.

Op diverse locaties is er aandacht voor Hugo Claus, wiens silhouet het hele jaar op het naar hem hernoemde kerkplein staat. In een lege varkensstal spreekt zijn sprekende mond in close-up op een beeldscherm aan de muur. Als zijn stem uit luidsprekers tegen de witgekalkte muren weerkaatst en zich met de harde wind vermengt, voel je dat hij hier op zijn plek is. Een stal verderop hoor je levende mannenstemmen en een varken dat begint te schreeuwen.

Wat Mandelinck fascineert aan de verte in zijn eigen streek, is dat Frankrijk op een steenworp afstand ligt. „We ervaren hier elementen van zowel de Romaanse als de Latijnse cultuur, we zijn met beide vertrouwd. Dat voelt als een verrijking.” Vertes die dichterbij komen nemen culturen en gebruiken mee, in de katholieke kerk word je met de gevolgen geconfronteerd. Op een video is een vrouw te zien terwijl ze haar hoofddoek ombindt en schikt. Ze kijkt in de camera als in een spiegel. Een politieke uitleg van het thema, maar op een manier die onrust wegneemt.

’Wij horen ginder in de verte, achter / De verste verte horen wij honger lopen / Van blote, magere mensen’. De zonlicht lekkende dakpannen van de stalzolder weerspiegelen in de glasplaat rond het gedicht van Leonard Nolens. Liggende hoofden zijn opgestapeld tot een pilaar en kijken door een wandopening naar buiten. Met lome, troosteloze blikken, alsof ze niet het uitgerekte maisveld maar achter de verste verte zien.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden