Poëzie op de grens van de dood

Hoe ontstaat een boek? In deze maandelijkse interviewserie vertellen schrijvers hoe zij werken, schuren en morrelen aan hun manuscript. In aflevering 19: dichter Gerrit Kouwenaar (82). Hij schrijft al jaren over ouder worden, doodgaan, het inkrimpen van tijd: “Maar het is wat anders als je zelf aan de rand van de kuil staat.“

Hij stopt niet meer met roken, zegt Gerrit Kouwenaar, die sigaret na sigaret opsteekt en het pakje Stuyvesant steeds met rusteloze vingers oppakt en weer neerlegt. Roken hoort bij zijn leven, zonder sigaret schrijft hij moeizamer, kan hij zich minder goed concentreren: “Onzin waarschijnlijk, maar het hoort bij het ritueel. Trouwens: wat valt er aan mij nog te bederven?“

Mager oogt hij, en ook een beetje breekbaar, in zijn appartement in Amsterdam Oud-Zuid. Daar vertelt Kouwenaar hoe het oud worden zijn werk beïnvloedt: “Mensen vragen me wel eens: Hoe is het nou om oud te worden? Ik weet het niet, ik doe het ook voor het eerst. Maar wat ik wel weet, is dat je zo lang mogelijk bij de tijd moet blijven, in ieder opzicht.“

De dichter is minder matineus dan vroeger, minder snel ook, huishoudelijke karweitjes vragen veel van zijn tijd. Vaak dut hij 's avonds in na het eten, schrikt wakker en denkt dan: “Kom op jongen, nu niet meteen met een boek je bed in glijden, maar nog even zelf iets doen.“

Dan gaat Kouwenaar naar zijn werkkamer die hij nu niet wil laten zien, omdat het er een rommeltje is en omdat zijn werkmap vooralsnog alleen maar 'onaffe dingen' bevat. Daar werkte hij eerder aan 'Totaal witte kamer' (2002), zijn indrukwekkende bundel over de ziekte en dood van zijn vrouw Paula, met wie hij veertig jaar samenleefde.

En daar schrijft hij nu aan een nieuwe bundel, die als alles meezit over een jaar of anderhalf zou kunnen verschijnen. “Maar misschien ben ik er over een jaar niet meer, of mijzelf niet meer, roep ik nu opgewekt uit“ - op een publicatiedatum wil Kouwenaar daarom niet vooruitlopen.

Met pensioen gaat de dichter niet, ook al is hij 80-plus, ook al kan elke dag zijn laatste zijn. De naderende dood maakt deze laatste levensfase juist tot 'een geheimzinnige periode', die Kouwenaar als dichter fascineert: “Ik word me er steeds meer lijfelijk van bewust dat mijn dagen geteld zijn, dat de geest deel van het vlees is, dat het verval gaandeweg bezit van mij neemt. Het machientje begint te haperen. Ik wil ook van die laatste tijd helder verslag uitbrengen.“

En dat doet hij, volgens de strenge poëtica die hij al decennia geleden formuleerde. Centraal daarin staat 'het gedicht als een ding', als een autonoom kunstwerk van taal, dat voor zichzelf spreekt en niet per se hoeft te verwijzen naar de wereld buiten het gedicht.

Zo verwoordde Kouwenaar lang geleden al zijn ambitie: “Ik wil niet schrijven over iets, geen verhaal, geen gecondenseerd gevoel, niet een woord als vervoermiddel, maar een woord terugbrengen tot zijn stoffelijkheid.“ En in 'Zijn', een van zijn vroegste gedichten, definieert hij zijn taak als dichter zo: “ik ben geen geleerde, geen raadgever / verklaar je niet de onmogelijkheden van aarde en lucht / ik maak ze“.

Vergankelijkheid, dood, herinnering, de tijd die verdwijnt, dat ene moment dat in een gedicht moet worden gevangen - het zijn thema's die Kouwenaar altijd bezig zijn blijven houden. Hij schrijft trager dan vroeger, maar hij is nog altijd gedreven: “Het is een verplichting die ik mezelf opleg, daar hoef ik mij ook geen geweld voor aan te doen. Het is toch een beetje de reden van je bestaan: om iets te maken wat er gisteren nog niet was, een ding dat goed is, om één moment aan de tijd te ontfutselen, stil te leggen als het ware.“

Dit is zijn grote uitdaging: hoe blijft hij als oudere dichter op peil? Hoe behoudt hij het hoge niveau waarvoor hij alle grote literaire prijzen van Nederland kreeg? En dit is Kouwenaars beduchtheid: “Dat het werk al is afgerond. Dat men denkt: Ach, de oude man is nog bezig, vroeger was hij beter, maar leuk dat hij nog iets doet.“

Die overweging is ongegrond, zo blijkt uit de ontvangst van zijn recente poëzie: 'Totaal witte kamer' werd heel goed verkocht (zeven drukken) en critici vonden de bundel prachtig. “Opnieuw blijkt de constante kwaliteit van Kouwenaars dichtkunst“, zo schreef een recensent van NRC. En ook met zijn laatste, van sterfelijkheid en dood doordesemde bundeltje 'Het bezit van een ruïne' (2005) oogstte hij lof.

De kritiek op zijn poëzie komt dus vooral van de dichter zelf, die in de beslotenheid van zijn werkkamer nog harder schrapt en schaaft dan vroeger. Kouwenaar werkt vaak weken of maanden aan een gedicht, al heeft hij er altijd meerdere onder handen. Hij laat zijn gedichten langer liggen, hij maakt er ook veel minder: “Vroeger werkte ik aan veertig gedichten en gooide ik er vijfentwintig weg. Nu wens ik ieder gedicht dat ik onder handen neem, tot een goed einde te brengen.“

Het schrijven van poëzie is in de eerste plaats een ambacht: Kouwenaar is een taaltechnicus die werkt met klanken, lettergrepen, enjambementen. Hij is beducht voor 'bleke' of 'dooie' regels, maakt een bouwwerk van taal, zoekt altijd naar manieren om abstracte begrippen (vergankelijkheid, honger, verdriet) te concretiseren.

En vooral dit vindt hij belangrijk: hij wil strikt persoonlijke ervaringen en gevoelens objectiveren: “Ik wil niet dat het gedicht uitsluitend over mij gaat, maar over ons.“ En dus wil Kouwenaar de lezer absoluut niet lastig vallen met zijn 'ditjes en datjes', zijn autobiografie, zijn eigen sores: “Je moet de emotie op een afstand houden, afkoelen, die gereed maken om de wereld in te sturen.“

'Live', in zijn woonkamer, vertelt Kouwenaar wel over zijn leven na de dood van zijn vrouw, over de Alzheimer die haar van haar geheugen en geschiedenis had beroofd, over de witte kamer in hun huis in Frankrijk, waarop het gedicht 'Totaal witte kamer' is geïnspireerd. En over haar pyjama die daar nog over de rand van het bed hing, toen Paula al gestorven was.

Maar in zijn poëzie streeft Kouwenaar naar 'ontpersoonlijking' en 'ontsentimentalisering', naar beelden en woorden die het individuele ontstijgen. Hij wil zichzelf niet etaleren als 'zielige man die zijn vrouw is kwijtgeraakt', noemt zijn gedichten liever geen 'rouwgedichten', hij is allergisch voor dikke woorden. Zijn poëzie mag vooral niet de indruk wekken: “Kijk eens wat ik allemaal heb meegemaakt.“

Daarom gebruikt hij al decennia lang liever het woord 'men' dan 'ik' of 'jij'. Zo begint bijvoorbeeld 'Alleen in de tuin' (in: 'Het bezit van een ruïne'): “Men zit met zijn schimmen in de tuin, licht / bladert schemer, er ademen oude nalatige vragen / men zwijgt zich te samen, is sprekend zijn naaste / het is later, onhoorbaar als tijd“.

'Men' is neutraler, het maakt het gedicht toegankelijk, de lezer kan zich er makkelijker mee identificeren, vindt Kouwenaar. Maar bij 'Totaal witte kamer' liet het woord hem in de steek: in zijn gedichten over Paula, over haar 'voortdurend aanwezige afwezigheid', moest hij wel van 'ik' en 'jij' spreken: “Ik ontdekte dat ik die gedichten niet kon ver-mennen.“

En zo lijkt de poëzie van Kouwenaar - die vroeger wel een 'kille dichter' werd genoemd vanwege zijn nadruk op techniek en zijn streven naar objectiviteit - de laatste jaren toch wat persoonlijker te zijn geworden. Al schreef hij ook zijn gedichten over Paula met zijn gebruikelijke, professionele distantie: “Ik zat daar heel koel, ambachtelijk te metselen om die toch vrij tranige inhoud te verwerken. Maar moest ik ze daarna - toen ze net nieuw waren - voorlezen voor publiek, dan kreeg ik ze mijn strot niet uit, dan bleken ze ineens heel emotioneel.“

Juist ambachtelijke afstand maakt een gedicht goed, daarvan is Kouwenaar overtuigd. 'Gedichten moeten niet troosten', schrijft hij in het gedicht 'Sleutel' (in: 'Het bezit van een ruïne'). Ze moeten in de eerste plaats goed zijn: “Ik wil een ontroerend ding maken, een ding van taal dat overeind staat, dat mooi is of lief of rebels of uitzichtloos, als het maar echt is.“

Dat zijn poëzie sommige lezers, die misschien zelf een geliefde hebben verloren, toch troost, dat begrijpt de dichter wel: “Iets moois, zeg ik nu maar, of liever nog iets echts, kan ook een vorm van troost zijn, omdat het een geslaagd object is. Maar niet omdat het mensen van hun eigen misère afhelpt.“

Echtheid is zijn norm, Kouwenaars lat ligt nog altijd hoog, misschien wel hoger dan vroeger: “Als je als oudere dichter nog iets publiceert, dan moet het wel wat zijn.“ Hij wil aan het oeuvre, dat hij in meer dan een halve eeuw dichterschap heeft opgebouwd, alleen nog maar het beste toevoegen.

Een tijdje geleden hield deze vraag de dichter wel bezig: Wat blijft er van zijn oeuvre over als hij er zelf niet meer is? Kouwenaar denkt het cynische antwoord te kennen: misschien een handjevol gedichten, misschien een paar losse regels. Zo ging dat met de beste dichters, met Bloem bijvoorbeeld, wiens oeuvre inmiddels versmald is tot 'Domweg gelukkig in de Dapperstraat'. En met Gorter, en met Leopold, die tegenwoordig nauwelijks meer gelezen worden.

“Het is net zoiets als een boom planten: die kan twee generaties groeien en dan gaat hij toch om. Wat blijft, de onsterfelijkheid, dat hangt ook van toeval aan elkaar“, zegt Kouwenaar. De tijd - die zo'n belangrijke plaats heeft in zijn poëzie- zal het leren, de dichter schrijft gewoon verder. Over zijn literaire nalatenschap maakt Kouwenaar zich niet langer druk: “Het is allemaal geschied, het is zoals het is en zoals het is ben ik niet ontevreden.“

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden