Poëzie is kinderspel

Mijn dochter belt op. 'We waren de kat kwijt, die van Lucy', zegt ze. Het is half één in de middag. Zes vlieguren ver weg zit de eigenaresse van de stem, een beetje bibberend, om half zeven in haar vroege ochtend, af te wachten of het huis een beetje warm wil worden. In Boston vriest het 20° C. ,,Toen zei iemand, 'bel de cat psychic.' In Seattle. En nu istie terug.'' De cat psychic. Een katten-helderziende die aan de andere kant van de Noordamerikaanse wereld woont - vanuit Boston nog zeker vier vlieguren naar het westen, vanuit Groningen in spiegelbeeld gedacht dus ongeveer in Moskou. 'Waar was de kat dan?' vraag ik belangstellend, en staar uit het raam naar de drabbige februarituintjes tussen de Medanstraat en de Bandoengstraat. Veel katten. 'Ze zat in een onopvallend loodsje, vlakbij het huis, een plek die we nooit hadden gezien als die psychic ons die niet precies beschreven had.' Afgezien van het feit dat het blijkbaar een verdienend beroep is in de USA, en dat dringend aan Bush zou moeten worden aangeraden om de reality psychic eens te bellen, verwonder ik mij weer over de macht van taal. Wat gezegd wordt, bestaat, omdat het wordt gezien. Ziedaar de hele eeuwenoude magie van het dichterschap in een paranormale notendop.

Het is die magie die het kunstvak zo aantrekkelijk maakt. Een dichter, jawel, is een aangeblazene door mevrouw de Muze, een heilige gek, die ons gaat zeggen wat het Hogere ervan vindt.

Het hogere vindt meestal niks. Het waait wat, het laat hier eens een emotietje ontkiemen, elders een ontroerinkje verbrokkelen, het speelt wat zoals de natuur zelf, een dood blad, een nieuwe kiem, kijk, twee blaadjes al, en soms is het hier pinksteren en elders kerstmis. Maar daar zijn we hier niet mee tevreden. Nee, dichterschap, liever nog Dichterschap, is een toegevoegde bovenmenselijke waarde die we ons graag aanmeten, want dat betekent, dat ook wij zijn aangeraakt, aangewezen, om de Waarheid te mogen spreken.

Ach, de waarheid. In de herrie tegenwoordig in de media wordt voor het gemak vergeten, dat dichten gewoon hard werk is, alleen op een kamertje, al dan niet driehoog-achter. We danken de glans van de schoonheid aan prachtige regels van Leopold, Dèr Mouw, Nijhoff, Faverey, Kouwenaar, Gerhardt, D'Haen, Starink, Soepboer, Wigman - allemaal geen schreeuwlelijken die zich hebben laten uitroepen tot het plaatselijke of landelijke dichtwonder, dat glans verleent aan macht zonder daar kritische kanttekeningen bij te plaatsen - eenvoudigweg, omdat genoemde dichters lak hadden of hebben aan macht, en aan aandacht voor hun persoon. Aandacht voor de tekst, graag. Zo is het een prachtig initiatief, om een gedicht te schrijven, en voor te dragen, bij de begrafenissen van onbekende en onbetreurde doden in een stad, maar wordt het ook in alle bescheidenheid en stilte verricht? De dichter is zelf een mens, en sterfelijk.

Die heilige geur, die het kunstvak afgeeft, is ontstaan uit het ontbindende zweet van iemand, die alleen met taal bezig was. Om even, enkele regels lang, een kleine ontroering heel precies vorm te geven. Meer niet, ook niet minder trouwens. Maar. Landsdichters. Stadsdichters. Gedichtendag. En straks een hele Week van de Poëzie, bij de uitreiking van de VSB-poëzieprijs - de gouden aureool van de begeesterde poëet is langzamerhand zo zwaar geworden, dat ik bijna heimwee krijg naar vroeger, toen ik nog gewoon voor gek versleten werd.

Dichter, blijf bij de eigen werkelijkheid. Kunst is niet transcendent, maar immanent. Het is de Last Post op een plastic trompetje bij een dode egel, in de tuin gevonden. Het is kinderspel. En net zo overal te vinden, op de straathoek, tussen de huizen, hollend in de brandgang.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden