Poëzie is een meisje met kortgeknipt haar

Dichter Esther Jansma geeft zichzelf al schrijvend extra armen en benen, een ander paar ogen, een nieuwe omgeving. „Het autobiografische verband tussen mijn gedichten en mijn beroep als archeoloog is voor mij bizar. In mijn gedichten draai ik de klokken terug, doe de dood met linten en strikken versierd nog eens over, tover zomaar iets nieuws. Hoezo autobiografisch? Ik heb dat allemaal gelogen.”

Toen ik een jaar of negen was, gaf een vriendin van de familie op zondag soms een dansvoorstelling in het Tropenmuseum. In glinsterende gewaden en doorzichtige sluiers maakten zij en haar collega’s op onbegrijpelijke muziek allerlei raadselachtige en sierlijke bewegingen. Het mooiste vond ik dat Nienke – zo heette de danseres – haar hoofd evenwijdig aan haar schouders heen en weer kon bewegen. Dat wilde ik ook kunnen. Later werd ik Balinese Danseres.

Op de dagen dat Nienke optrad, liepen mijn zussen en ik de behoorlijke afstand naar het Tropenmuseum en hingen daar voor de ingang rond tot we een gerimpeld echtpaar hadden gevonden dat best even onze opa en oma wilde spelen. Waren we eenmaal gratis binnen, dan bedankten we die vreemde mensen en gingen onze eigen weg.

Het duurde vaak even voordat Nienke’s voorstelling begon. In de tussentijd doken we in het labyrint van het museum. Mijn favoriet was een simpele, lage bak met daarin de maquette van een zeebaai. Aan de voorkant zat een vlak van geverfd blauw water, daar omheen lag het reliëf van lage gele heuvels en de zij- en achterpanelen toonden schilderingen van de heuvels verder weg met daarboven een strookje nevelachtige lucht. En als ik mij bukte tot zeeniveau was ik piepklein, kon ik erin, zat achter dat landschap geen kastwand maar waren daar meer heuvels, meer landschap, een weidsheid zo groot als de wereld.

Toen ik mijn bleke gezicht en grote handen en voeten eens goed met die van Nienke vergeleken had, begreep ik dat ik een carrière als kleine donkerharige schoonheid wel kon vergeten. Ik besloot stewardess te worden: toch ook nog wel mooi en vooral veel op reis. Stewardessen hadden het bronlandschap van mijn maquette allang gezien. Alsof het de normaalste zaak van de wereld was, liepen ze in hun vrije tijd door die heuvels en zomaar verder naar wat daarachter lag.

Mijn beroepskeuze veranderde toen mijn pleegvader per KLM-vliegtuig naar Suriname zou gaan. Ik wilde niet dat hij wegging. Hij moest blijven of ik moest mee. Op school schreef ik een opstel waarin ik me in zijn koffer verstopte. In de koffer zat een luchtgaatje waar mijn pleegvader een limonaderietje door kon schuiven om mij te drinken te geven.

Door die mogelijkheid op te schrijven, leerde ik dat je schrijvend mag beweren wat je wilt. Puur door ergens een tekst van te maken, wordt het een soort waarheid. Ik snapte dat ik het ontbrekende gewoon bij elkaar kon verzinnen. De taal als Balinese dansvoorstelling, blauw met gele hele wijde wereld, reis naar de Tropen. Woorden bleken een soort Tafeltje-dek-je en je had er geeneens nepgrootouders voor nodig.

Die sensatie heb ik nog steeds. Ik geef mezelf al schrijvend extra armen en benen, een ander paar ogen, een nieuwe omgeving. Ik maak mezelf groter en vollediger dan ik ben. Of kleiner en kaler. Of grappiger of verstandiger of verdrietiger of dommer. En bozer ook, als het moet.

De vorm die ik schrijvend hanteer, is die van de monoloog. Per gedicht is die monoloog het psychologische eigendom van iemand die raakvlakken met mij heeft, maar niet – echt: nooit – met mij samenvalt. Ik pak een thema en draai het om, vergroot het uit, maak het staccato of lyrisch of grof of ronduit zeikerig. Als ik kleermaker was, zouden de kleren die ik maak niet mij passen maar de kitscherige danseres naast Nienke, een stewardess die voor Timboektoe Airlines werkt, een weeskind verstopt in een tas van Albert Heijn.

Het is waar wat ik hier zeg. Het is niet waar. Ik doe het over.

Ik zit in een tas – nee, niet van Albert Heijn maar van de Supra – en ga weer terug in de tijd, naar het begin, terug naar negen, naar dat deel van mijzelf dat de metamorfose zoekt van eindeloze stoeptegels, verwassen ondergoed, zwarte gordijnen, een wc-fonteintje dat te hoog is om mijn voeten in te wassen, de eeuwige zwarte rand rond mijn hielen, de roze enkels van echte meisjes op school, het verlangen om een meisje te zijn, mijn zwartgerande met vim gepoetste tanden, mijn jongenshaar, het door mij van onderaf in taartpunten weggescheurde rauhfaserbehang van wat de kinderkamer heette, nooit kon je zo scheuren dat de punten netjes bij elkaar kwamen, en verder terug in de tijd, terug naar mijzelf met lange haren, in de zon zijn, daar huppelen met een ketting om en denken: kijk, iedereen ziet nu een huppelend meisje, ik ben een meisje.

Terug naar de krakende, door mijn vader op het Waterlooplein voor een habbekrats gekochte, stalen kooien waarin wij kinderen sliepen als matrozen, terug naar het gevoel van matrozen, het gevoel van een kajuit, van de eerste nacht in dit huis, als tweejarige inslapen onder de jas van mijn vader, hoe hij de rand daarvan om mijn schouders vlijde en alles rook naar hem en ik was rijk.

En weer naar later, naar vijf jaar zijn en hij woont niet meer in huis maar daarbuiten, in een boot, een drijvend huis dat kan varen, verdwijnen. Ik ga verkleed in goud en zilver zijn loopplank over als de zon en de maan, met een kartonnen kroon op mijn hoofd, ik ben jarig. Daarachter komt mijn moeder die haar dochters versierde, komt tonen waar mijn vader voortaan naar kan fluiten.

En weer zes zijn en daar willen verstarren want weten: één tel in de tijd terug, daar is hij. Maar de tijd is een glijbaan en ik kan niet naar boven, hij blijft daar alleen, voor altijd is daar het moment dat hem raakte en ik kan hem niet redden en hij was niet eens mooi zoals hij zei over hen die hun levenlang sparen voor het einde, voor gewaden van kant en met parels alsof ze de dood zullen trouwen opdat ze ten minste één keer in hun leven zo mooi en rijk zullen zijn als hun dromen waarin alles weer goed komt.

Het is zoveel kleiner, het is hout, het is dicht: een klein venster van glas en daarachter – zijn krullen zijn weg en hij hád geen pyjama.

Wie verpleegde hem dan en keek zo vreemd naar hem? Wie kamde zijn haren naar achter alsof hij een meneer was met nooit krullen genoeg om je op zijn schouders met twee handen in vast te graaien?

Zes jaar zijn, gedachten als een rollator, en toch weer dat blije omdat ik hem zie na de dagen dat ik kon tellen tot drie, tot het raam waarachter hij volgens iedereen lag en ik kon al tot duizend, dit was zo eenvoudig, dus alles kwam goed zolang ik maar op straat stond en keek naar de gevel waarachter hij lag.

Maar nu in een kist is hij wit als een geschilderde kamer. En hij kijkt niet. Ik zie hem. En hij ziet mij niet.

Ik moet hier weg, ik ga mijn tas in, sjouw mijzelf naar negen jaar zijn.

Het deel van mijzelf dat door het woord ’oneindigheid’ uit te spreken ook echt de oneindigheid in de mond houdt, erop kan zuigen, er de baas van kan zijn, dat deel zegt verheven tegen zichzelf: „Ik ben een halve wees.” En krijgt bij de baas van de Supra een kontje rookkaas om helemaal alleen op te eten. En mag het aquarium zien in zijn kantoor. En sjouwt met de andere hulp, de tweede grote zus, weer een week eten voor zes personen in drie trage, hotsende etappes heen en weer terug naar huis.

Een ’halve wees’. Ik vond dat wonderbaarlijke woorden. Iedereen die dat hoorde, moest wel medelijden met mij krijgen. Het was toch iets uit een verhaal. Alleen op de wereld. Als ik dat goed zei, ’halve wees’, werd ik toch een beetje Remi? Ik keek de mensen aan en dacht: bedenk nou, hier staat een halve wees.

Maar het leek erop dat niemand dat bedacht. Nooit keek iemand mij aan alsof de bliksem insloeg of zakte snikkend van medelijden aan mijn voeten.

’Halve wees’. Hoezo beschreven die woorden mij? Die woorden waren een sluiproute uit een andere werkelijkheid: die waarin mijn vader ontbrak, een oorlog was begonnen, werd geschreeuwd en geslagen tegen mijn hoofd dat rond die tijd zo overtuigd raakte van het eigen ongelijk, van de onzichtbaarheid en onzin van zichzelf, dat het met lichaam en al linea recta onder een tram liep. Omdat het ook die tram vast wel weer zelf verzonnen zou hebben.

Dit essay gaat over ’hoog’ en ’laag’ in de poëzie, het in taal vernieuwen en verzinnen van dingen, en de feitelijkheid van het beschrevene. Maar hoe kan ik beweren dat hier een tegenstelling zit? Voor mij is de werkelijkheid al sinds mijn kinderjaren fictie. Zo in mijn hoofd dat ik er zowat aan doodging. Behalve dat ik niet doodging. Ik belandde in het ziekenhuis waar mijn vader stierf. Ik had net als hij een barst in mijn hoofd. Maar ik was hem niet, want na een tijdje werd ik wakker. Wat later was de wereld in mijn ogen niet meer bruin. Nog later mocht ik zitten.

Fictie is volgens mij een slap aftreksel van de werkelijkheid. Ik lag op de zaal waar oude dames stierven. Terwijl ze dat deden, leerden ze mij dat ik paars en rood nooit naast elkaar mocht borduren. „Die kleuren vloeken”, zeiden ze. En ik maar luisteren naar mijn handwerk.

En toen kon ik eindelijk bij het raam staan. Opscheppen tegen de zusters: nu gaan mijn zusjes naar school, nu komen ze uit school, ze kijken straks omhoog en missen mij zo, ze gaan heel blij zwaaien. En maar wachten en niemand zien. En weer een smoes verzinnen en weten dat die waar was: ze weten niet waar ik ben, er is een schoolreisje, het is zondag. Desnoods: ze zijn met de KLM naar Suriname.

Het was een volstrekt niet-weten waar je bent en maar wegwijzers verzinnen. Maar kunst was het niet. Kunst is de woorden ’halve wees’. Daarmee hark je de paden aan. En dat heb ik als dichter altijd gedaan. Zelfs ’Picknick op de wenteltrap’, dat ik schreef toen ik eenmaal wist wat het is om van een kind te houden, toen ik begreep hoe je wel en niet een moeder of vader moet zijn, is een vluchtroute uit de rommeligheid van de dingen.

In ’Picknick op de wenteltrap’ spring ik over ijsschotsen van taal de rivier over die vroeger was. Beschrijvingen, gezichtsuitdrukkingen, de inrichting van kamers, wat mensen voelen en de hogere kennis over wat zij voelen, al die dingen ontbreken daar. Omdat alles niet echt is. Omdat ik alles verzin. Naast en langs en over de banaliteit van alledag leg ik mijn sluiproutes aan, bouw mijn nooduitgangen, maak mijn nieuwe muziekjes.

Ik verdiep me niet in Nienke, maar verzin iemand naast haar. Ik graaf geen mensen op, maar zoek in de binnenkant van dood hout naar de sporen die daar zijn achtergelaten door een woordeloos, onbegrijpelijk en tegelijk zeer meetbaar leven. Ik pruts geen eindeloze bekentenissen in elkaar, maar vermom me in proza als vierkante wielen, in de kleine vensters, de maquettes, die gedichten zijn.

Hoezo zegt een autobiografisch dichter wat hem werkelijk bezielt? Hoezo warmt zo iemand de aardappels van vroeger op? Naast de werkelijkheid leg ik mijn ficties en als ik dat goed doe, worden ze waar. Als ik het goed doe, worden ze even waar en autobiografisch als het vluchtige van beroepen zoals archeoloog of dichter, die voor mij altijd al fictie waren en zijn.

Ik klei met de aanslibsels van mijn eigen bestaan. Zo gebruik ik de taal waarin ik heb leren denken: een prachtige taal uit een klein taalgebied. Zo gebruik ik mijn jeugd, dat miasma waaruit ik maar niet wijs kan worden, waarin ik maar hoef te hengelen en ik vis iets op dat voor mij fictie is. Zo gebruik ik de gaten waarin ik later ben gevallen en waarover ik hier verder zwijg, omdat ze niets meer zijn dan bijvoorbeeld een kindje dragen door een vreemde gang, de blik die het wierp, die laatste gang en dat was het.

En met die klei verzin ik mensen en de teksten die bij hen horen. In die taal reist iemand pratend af naar vertes die ikzelf alleen vermoed, de dieptes achter geschilderde heuvels, de ruimtes tussen de blauwe steentjes in het aquarium van de Supra, de uitzichten in een kontje rookkaas, nee, in de aardappel in een schap iets verderop. In die taal wordt een doodkist een kano, een schip tot een huis. Want ik verander alles. Ik schrijf voor het toneel. Ik laat mezelf zien door me in een ander te vermommen. Ik verzin versies van mijzelf en anderen in een dichtbijgelegen, volstrekt van dit hier gescheiden, parallel universum. Ik ontsteek de fictie van een kachel en warm mij daaraan. Nee, een bladzijde lang laat ik iemand anders zich warmen. Of ik verzin juist het tegendeel, een ijsvlakte waar iemand verkleumd stukken ijs tot woorden zit te schuiven. En soms, zoals in het gedicht ’Behouden Huys’, verzin ik bladzijden lang vuur en ijs tegelijk.

Kou, warmte. Het beeld van mijn vader bij de open buik van een potkachel. De vaderlijke vingertoppenvolgorde waarmee je vuurtjes bouwt, een lange warmte maakt. En zijn uitleg, de voor kinderen te volgen ondertiteling daarbij. De losse stratigrafie van proppen papier onderop, een wirwar van gekloofde lichte houtjes, de kooltjes daarboven die langzaam verhitten. Als ze heet genoeg zijn, stort de opbouw in. Komen de kooltjes onderop. Heb je een kachel die het doet. De asla helemaal onderaan moet je schoonhouden, want er past maar zoveel as in die la. Volstrekt onnutte kennis, nu. Toen dus al een hoofd hebben dat van laagjes hield.

Kou, warmte. Eens mocht ik kiezen van mijn vader tussen alles begrijpen en niets weten of omgekeerd: alles weten, niets begrijpen. Met zo’n vraag is het in een kinderhoofd of je die keuze werkelijk hebt. Mocht ik zomaar zelf zeggen hoe mijn leven zou worden. Ik koos voor het tweede. Want als je alles weet, komt het begrip vanzelf. Eerst alle stenen op een hoop en daarna ga ik bouwen.

Geduldig legde mijn vader me uit dat je raar wordt van die feiten in je hoofd. Maar alles begrijpen maakt je kalm, dan ben je een soort heilige, zei hij. En dat je dan niets weet, voegt daar alleen maar aan toe. Verstandige mensen zien in dat ze niets weten.

Maar de oerknal dan, dacht ik. Al die kletsende mensen en niemand maakt zich druk om de oerknal! Als ik daar alles van weet, weet ik waarom ik besta!

Pas onlangs wees iemand me terecht: beide opties leiden tot niets. Alles weten en niets begrijpen, betekent geen relaties kunnen leggen, een hoofd hebben als een kast vol rommel en je krijgt niets gesorteerd. En het omgekeerde betekent dat je geen taal hebt om je begrip in uit te drukken. Dan kun je geen relaties leggen met de wereld om je heen en ben je een begrijpende kasplant, dus waanzinnig.

Ik had als kind dus niet hoeven kiezen. En dat is maar goed ook. Want het is me allang duidelijk dat ik ook als volwassene volstrekt te weinig weet en begrijp. En juist daar zit een kern van mijn dichterschap. Ik cirkel om onderwerpen die in essentie psychologisch zijn. De gemene deler in mijn werk is: de houdingen die men kan aannemen ten opzichte van de thema’s die op dit moment misschien wel even ouderwets zijn, maar waar we over duizend jaar nog steeds niets van zullen snappen.

Ik beschrijf houdingen tegenover de bekende, banale, uitzonderlijke thema’s: het leven, de liefde, de dood en de tijd. En dat je intussen gewoon de boodschappen doet. Hoe mensen voor altijd kunnen verdwijnen, iemand de vloer is waarop je staat en de vloer stort in en alles gaat gewoon door, de boodschappen ook. Hoe nu verandert in vroeger. Hoe een kooltje voor altijd verandert in as en al ga je op je hoofd staan, het is as. En je blijft sjouwen met de boodschappentassen.

Onlangs kreeg ik het verzoek om me te laten interviewen bij de presentatie van een boek over de omgang met de dood. „Mijn boek”, zei de auteur, „gaat over het begin, de eerste schrik en pijn, en dan het verwerken. En over hoe het daarna gaat. Het plekje dat zoiets krijgt.”

Voor alle zekerheid zweeg ik maar even.

„U bent iemand”, vervolgde de auteur, voor wie de dood alweer langer geleden is, dat is algemeen bekend. U kunt daarom vast heel verstandig praten over wat de tijd doet met verdriet. Want ook de tijd is uw thema. U begrijpt, u bent perfect voor mij!”

Ik riep een paar keer hard nee. Maar daarmee kwam ik er niet, er moest een uitleg bij. Mijn uitleg – mijn hoofd op een sinaasappelpers en maar duwen tot er taal uitkwam – werd iets als: „Ik heb geen verstand van verwerken. Ik denk dat verwerken een verzinsel is. Ik geloof ook niet dat de tijd ertoe doet. Want de doden kennen geen tijd, voor hun maakt het niet uit wanneer ze stierven. En ik denk niet dat ’de doden’ bestaan. Er is alleen persoon x, persoon y, die je mist. Ze hebben een naam, ik kan niet praten over ’de doden’. En ook voor wie na een dood door moest met leven, is tijd niet relevant. Doe je gewoon de boodschappen, val je die ene seconde weer in. De troost van de tijd is een pleister die we graag zouden plakken, maar die pleister bestaat niet. Er is geen tijd, er is niet zoiets als ’de’ omgang met ’de’ dood. Er zijn alleen houdingen van individuele mensen tegenover de individuele dood van andere mensen. En die houdingen veranderen voortdurend. Door algemene uitspraken pak je wie dood zijn hun gezichten af. Je maakt er schaduwen van die allemaal op elkaar lijken. Ik kan niet namens de berooide medemens spreken. Ik ben alleen ik. Ik kan hier niets over zeggen.”

De auteur van het boek reageerde niet zoals ik zelf gedaan zou hebben: „Maar dit was nou juist een heleboel taal over precies mijn onderwerp!” Nee, die stem in de telefoon bleef proberen of ik niet vermurwd kon worden tot de van elke context losgezongen uitspraak dat de mens de dood met de tijd een plekje geeft.

Een terzijde. Bij zo’n plekje zie ik een damesblad voor me met daarin knusse tekeningen van koolmeesjes en koorden met pinda’s. De eigenaresse van het blad loopt de tuin uit, trekt bij de keukendeur haar door het tuinieren modderig geworden laarzen uit, werpt een tevreden blik op het ’plekje’, in dit geval een herfststuk van met ijzerdraad bij elkaar gehouden takken, paddenstoelen en noten – hieraan kunnen de buren zien dat zij met liefdevolle vrouwenhand de omgeving verzorgt en ook goed voor de dieren is – en gaat naar binnen. Ze zet koffie en begint de voorbereidingen voor een dure, zeer langdurige bouillon.

„Ja”, zei de auteur van het boek over de omgang met de dood, „maar u geeft uzelf in uw gedichten toch de doden terug, uw vader, uw kinderen? U richt er toch monumentjes van taal voor op, zodat ze nooit meer voorbij gaan?”

Het is niet netjes om de hoorn erop te gooien. Dan maar een antwoord. Dit keer was het gemakkelijk. Ik zei, of misschien wil ik dat ik gezegd had: „Denkt u dat ik ook maar één seconde schrijf met de gedachte dat wat ik schrijf iets verandert? Dat ik mijn vader daarmee levend maak, mijn overleden kinderen hun bestaan teruggeef? Heeft u wel eens over de verschillen tussen mensen en woorden nagedacht? Gedichten zijn lucht, ze zijn adem: één bladzijde lang en dan foetsie. Ik ben archeoloog, hoor, mijn beroep is oude rommel. Ik weet dat alles rotzooi in de grond wordt en dat zelfs die rotzooi verdwijnt. Het gaat er juist om dat monumenten onmogelijk zijn. Ik schrijf toevallig. En ik schrijf ook over relaties tot mensen die dood zijn, omdat ik daar toevallig verstand van heb. Ik ga toch niet de visie van een alg op de voedselketen beschrijven? Maar mijn doden bewaren? Uit hun dood een voor de eeuwigheid verzonnen uiting van mijn hoogste persoontje maken? Hoeveel overmoed denkt u wel niet dat ik heb? Hoe vervelend therapeutisch denkt u wel niet dat ik in mijn navel zit te roeren? Ik doe toch ook niet aan godsdienst? Ik wil mijn doden niet redden, ik wil mezelf niet redden, want zo’n redding bestaat niet. Ik ben toch niet gek?”

Waarop de auteur in kwestie meldde dat onze visies zeer verschilden, en ophing.

Niks voor mij, zo’n plekje, zo’n monument. De helende werking van de tijd is een volstrekt onbruikbare pleister, een mythe en gewoon gezeur. En ja, dit zowel formele als emotionele standpunt wijkt sterk af van wat ik in mijn gedichten beweer. Want daar doet de tijd er wél toe. Daar vind je de tijd heel concreet in leren schoenen en wanten, materialiseert een huis uit de ondergrondse orde van paalgaten, gaat nooit iets voorbij, kun je zomaar weer terug. Ik zei het al: ik vermom me nu eenmaal.

Daarom is ook het vaak gelegde autobiografische verband tussen mijn gedichten en mijn beroep als archeoloog voor mij bizar. In mijn gedichten draai ik de klokken terug, doe de dood met linten en strikken versierd nog eens over, tover zomaar iets nieuws, maak er iets anders van. Ik laat een middeleeuwer een kelder uitbreken, breng iemand amechtig net niet naar Hades, klauw in de gezichten van bemanningsleden van Barentz. Hoezo autobiografisch? Ik heb dat allemaal gelogen. Ik ben archeoloog en weet dat tijdmachines niet bestaan.

Als kind dacht, dook, verzon ik voor mijzelf een weg naar ergens anders. Omdat de wereld niet om uit te houden was. Omdat ik me anders het schompes zou vervelen. Omdat ik gore voeten had. Omdat ik slecht was en pulkend-, schetend- en rattenkoplelijk. Omdat woede gevaar opleverde. Omdat ik onder mijn korte haren misschien toch een prinses was. Omdat je beter je zusjes kunt slaan of jezelf van een trap kunt gooien, dan rechtop te gaan staan en tegen een groot mens zeggen: „Als je me weer aanraakt, vermoord ik je.” Omdat er zoveel moois en glanzends was, als ik er maar oog voor had. Zoals Marjoleintje uit mijn klas, die lange geborstelde haren had alsof haar moeder daarvan hield en bij verkleedpartijtjes gazen vleugels droeg. Nooit keek ze bang. Bij haar nooit die ruil tussen verzorging en schaamte. Zoals Peggy, met het mooiste zwarte polsje van de wereld, waar een ragfijn gouden armbandje omheen lag. Ik wilde Peggy zijn. Ik liet me een tijdje Peggy noemen. Marjoleintje haalde ik toch niet.

Hoe zo’n klein meisje bij het bureau van de juffrouw kon staan en je zag de juf en een meisje. En zelf maar niet begrijpen hoe je in vredesnaam schattig moest zijn.

Ik kan dat nog steeds niet, mooi en schattig zijn. Ik heb als groot mens een hekel aan charmant gedoe, inclusief het ’kijk-mij-nou’ van precieuze, zwaar opgemaakte, volstrekt talige gedichten. Wiebelhakjesgedoe, elegante handen, een sigaretje in een houder. Gemaakt gebalanceer op postmoderne touwen. Ik mis in zulke gedichten de vuile voeten eronder. De gaten in het ondergoed. De noodzaak, de passie.

Poëzie is voor mij een meisje van negen met kortgeknipte haren. Bleek, rommelig en volstrekt niet verheven is zij giechelend, wreed, radeloos en af en toe grandioos verveeld op zoek naar gedachten die het doen. Ze is een halve wees in een straat vol afkeurende moeders en laat onder haar regencape haar onderbroek zakken. Ze ligt in bed en snuit haar neus in de lakens, want zulke prinsessen bestaan, dat heeft ze gelezen. Iedereen schreeuwt en zij ligt op haar buik voor een kijkdoos en doet of ze weg is. Poëzie is haar honderdduizend deurtjes uit de werkelijkheid.

Dus ja, ik ben wat ik opschrijf. En nee, ik ben het niet en nooit geweest. En dat beweer ik mede namens de negenjarige die ik vroeger nooit geweest ben, die ik heb verzonnen en die in mijn fantasie ergens in de nevels van de tijd nog steeds met haar gezicht tegen een maquette, een aquarium, een doodkist en het asfalt aanzit.

Esther Jansma is dichter en bijzonder hoogleraar dendrochronologie en paleo-ecologie van het kwartair aan de Universiteit Utrecht. Dit is het eerste, ingekorte deel van een serie van drie lezingen die zij verzorgt als gastschrijver aan de Rijksuniversiteit Groningen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden