Poëzie in zwart-wit

In stemmige beelden legt Jacques Meijer vast hoe badplaats Scheveningen en grote stad Den Haag bijkomen van hun naoorlogs dutje.

Den Haag kan niet zonder Scheveningen, en andersom, Scheveningen kan niet zonder Den Haag. Zoveel wordt wel duidelijk bij het bekijken van twee onlangs verschenen fotoboeken van de hand van fotograaf Jacques Meijer (1934): Scheveningen 1955-1965 en Den Haag 1955-1965.

Scheveningen is voor Den Haag de vlag, het slagroomtoefje, geeft de jeu aan het leven. Even uitwaaien, een patatje halen, wat luieren aan het strand, de zinnen verzetten. Of ’een dumpplaats voor gedachten/ over groot en vooral klein leed’, zoals bij een van de beelden staat geschreven.

En Den Haag geeft de Scheveninger het gevoel dat hij niet alleen in een toeristenplaats of vissersdorp woont, maar een ware stad achter de hand heeft met al zijn fratsen, zijn uitspattingen, met zijn winkelcentrum en niet te vergeten met zijn regeringszetel in het statige Binnenhof.

Jacques Meijer toont in prachtige zwart-witfoto’s op poëtische wijze, maar vrijwel zonder tekst, de twee zo verschillende plaatsen die aan elkaar verklonken zijn en als een Siamese tweeling met elkaar door het leven moeten. En hij doet dat over een periode, waarin beide plaatsen de sufheid en stoffigheid van zich afpoetsen: het einde van de jaren vijftig waarin men nog aan het bijkomen is van de oorlog, en het begin van de jaren zestig waarin het onderhuids gaat broeien, iedereen lijkt te ontwaken uit het naoorlogse dutje.

Symbolisch begint ’Scheveningen’ met de eenzame man op het strand in 1955 en eindigt met de twee dansende vrouwen in een schuimende en kolkende zee. En in Den Haag spoort de koetsier van een hooiwagen in de jaren vijftig zijn paardenspan aan op een besneeuwd Voorhout en probeert de vrouw in de jaren zestig met moeite (en wellicht hoogtevrees) de ramen van haar hoge flat te zemen.

Jacques Meijer zwerft in die tijd rond als persfotograaf die werkt voor verschillende van de vele Haagse kranten die dan nog bestaan: Het Vaderland, het Binnenhof, de Nieuwe Haagsche Courant (later in Trouw opgegaan), de Haagsche Courant. Hij fotografeert het Scheveningse strand waar je als anonymus de rust kunt vinden, waar vissers in hun typische kledij op bankjes over de zee zitten te staren en waar tegelijkertijd de terrassen worden bevolkt door heren en dames met zonnebrillen. Op het strand wordt verpoosd in die typerende hoge rieten stoelen, die tegelijkertijd schaduw en beschutting geven. Jonge vrouwen flaneren in hun modieuze kleding over de boulevard, laten zich maar al te graag afleiden door wenkende mannen in hun bravoure-bolide.

En dan komt daar ineens de pier, dat gezichtsbepalende gedrocht (van Reinder Zwolsman met zijn EMS, Exploitatiemaatschappij Scheveningen). Het vissersdorp begint zich zowaar in de vaart der volkeren te begeven. Het uitgaansleven neemt steeds grootsere vormen aan. Eerst is daar jazz-zangeres Pia Beck in haar Vliegende Hollander nog een belevenis van betekenis – Haagse jongeren weten dat ze gratis de show van de op 26 november overleden Grande Dame van de jazz via een klapraampje kunnen volgen. Ze hangen als het ware boven het hoofd van de pianospelende Beck. Van buiten af zijn slechts de benen te zien.

Een nieuw muziektijdperk breekt aan, rock en pop worden populair. En in 1960 vaart het radioschip Veronica uit. Het nestelt zich buiten de territoriale wateren bij Scheveningen om de Hagenaars en Hagenezen en de strandbezoekers met hun transistorradiootjes van muziek te voorzien. En intussen blijven de Scheveningse vrouwen gewoon rondlopen in hun klederdracht, zich weinig aantrekkend van het zich steeds luidruchtiger vermakend mondaine publiek.

Het Den Haag van Jacques Meijer is de statige regeringsstad met haar mooie Voorhout, maar ook de stad met haar hoerenbuurten, haar rafelranden, haar woonwagenbewoners, en haar winkelende publiek in en nabij de fameuze overdekte Passage. De scharensliep rijdt er nog rond, de draaiorgels van Perlee staan op de hoek van de straat en de karretjes van bakker Hus zijn alom aanwezig. En af en toe is er een plechtigheid met de koningin; Juliana en Bernhard, vergezeld door dochter Beatrix bekijken van hun balkon het publiek of laten zich vervoeren in een Gouden of andere koets. Prins Bernhard lacht schalks en veelbetekenend naar de fotograaf.

In het torentje aan het Binnenhof zetel nog geen premier, maar zit minister van binnenlandse zaken Edzo Toxopeus, de Tweede Kamer is onder vadertje Drees nog een plek die uitnodigt voor een stevig debat. En stoere jongens uit de Haagse scene van die tijd, Jan Cremer en Armando laten zich maar al te graag met de sigaret losjes hangend in de mondhoek fotograferen.

Maar de moderne tijd is niet te vermijden, warme frikadellen liggen zo voor het grijpen in de automatiek. Uit het hele land gaan mensen naar het Binnenhof om te demonstreren: voor het zelfbeschikkingsrecht van Ambon of tegen de troepen voor Nieuw-Guinea. En de auto neemt de macht over in de stad. Het Plein wordt een grote parkeerplaats, een ware parkeerwachter wijst de automobilist zijn plek.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden