Poëzie in tijden van angst

Moderne dichters brengen geen troost. Hun werk beschermt evenmin tegen rondvliegende kogels, schrijft Janita Monna. Maar een verademing zijn hun gedichten wel.

Janita Monna (1971) schrijft in Trouw onder meer over poëzie. Wekelijks verzorgt ze in Letter&Geest een poëzierubriek (zie p. 22).

Het is Poëzieweek en veel mensen zijn bang, daar kan het mooie, lichte motto van de week ('Met zingen is de liefde begonnen') niets aan afdoen. Dat de angst regeert, is natuurlijk niet vreemd met de aanslagen in Parijs vers in het geheugen en de onheilspellende inval in het Belgische Verviers nog levendig op het netvlies, met terrorisme en jihadisme als meest gehoorde woorden op radio en televisie.

Opvallend stil in de stoet aan bezorgden, duiders en deskundigen is de Dichter des Vaderlands, Anne Vegter, die na de ramp met de MH17 nog de nationale verbijstering in sobere, rake regels vatte: 'Twintig keer naar het journaal gekeken en het is nog steeds / waar: zomaar in het web gevlogen van de oorlog van anderen.'

Charlie Hebdo was strikt genomen geen Nederlandse aangelegenheid, dus in zoverre is het misschien niet verbazend dat er geen 'vaderlands gedicht' verscheen, maar toch was het een gemis. Juist omdat poëzie in verwarrende tijden ook een ander geluid kan laten horen dan de kordate taal die in veel televisieshows te horen is.

Want soms slaagt een gedicht erin daar te komen waar het nieuws niet komen kan; soms kan een enkele dichtregel een nieuw of een ander perspectief bieden op een akelig ingewikkelde realiteit.

En nu het toch Poëzieweek is, is het helemaal niet zo'n gek idee om er bijvoorbeeld de VSB Poëzieprijs-winnaar van 2013 weer eens bij te pakken, Ester Naomi Perquin.

Want zij kruipt in 'Celinspecties' doodleuk in levens van anderen, van gevangenen bijvoorbeeld. Van jongens met slechts een initiaal als achternaam. Perquin doet een poging van binnenuit iets te laten zien van wat dit soort zware jongens eigenlijk beweegt. En al schrijft ze nergens met zoveel woorden wat de mannen nu eigenlijk hebben gedaan en hoe dat zo gekomen is, uit flarden van gedachten en de toon waarop ze spreken is dat wel zo ongeveer af te leiden. Een Syriëganger zit er niet tussen, wel een Bart V. En die zou ook zo maar een flink aantal doden op z'n geweten kunnen hebben. In zijn woorden galmt een bloedbad in een winkelcentrum na. Z'n slachtoffers staan 'm nog helder voor ogen:

Er waren mensen bij die naar me keken. Een kleuter met een ijsje,

een vrouw met een tas waar prei uit stak. Er was een man

die net zijn leesbril uit zijn zak tevoorschijn haalde

vanwege een boodschappenlijstje en ook

na afloop hield hij hem vast

...

Er waren mensen die tijdens het rennen met een schoen

bleven haken achter een randje en daarom de deur

niet haalden, een meisje dat 'ach lieverd' riep.

Hij stond erbij en keer ernaar, deze Bart V. heeft alles geregistreerd. En dichter Perquin weet deze moordenaar angstig dicht te naderen. De man zal voor hij de cel in draaide ongetwijfeld door allerlei forensisch psychologen zijn onderzocht, in de hoop een verklaring voor zijn daden te vinden. V. merkt een tikje cynisch op: "Dus je duwt wat je weet uit het zicht, naar straffeloos terrein / waar geleerden elkaar in de haren vliegen. Ik hoor / ze woelen op papier, elkaar verwijten maken."

Zo'n regel trekt een beetje een lange neus naar elke poging om een sluitende verklaring te vinden voor gebeurtenissen die het voorstellingsvermogen te buiten gaan. Die bestaat eenvoudigweg niet.

Niet eens zo ver verwijderd van de gedachtenkronkels van V. waren de hersenspinsels van dichter (en Trouw-recensent) Rob Schouten. Hij liet in het gedicht 'Frans van Mierisstraat in ruste' zien dat ook een gewone man in het keurige Amsterdam Oud-Zuid zou kunnen ontsporen.

Een verwarde man fietst langs.

Ik wil rust zeg ik rust,

geen Irakezen of zeehondjes

maar iets van toen ik zes of zo. ...

Ik heb zin ze allemaal af te schieten

en op te dienen voor mijn vrienden

De Poolse Nobelprijswinnaar Wis¿awa Szymborska (1923-2012) beschreef ooit in 'De terrorist - kijkt' (vertaling Gerard Rasch) de kalme minuten voordat een terrorist een bom laat ontploffen. Wie zullen aan de dood ontsnappen,

wie overlijden omdat ze net toevallig op het verkeerde moment op de verkeerde plaats waren?

De bom in het café zal om dertien uur twintig ontploffen.

Nu is het pas dertien uur zestien.

Er kunnen nog een paar mensen naar binnen,

een paar naar buiten.

De terrorist is de straat al overgestoken.

Die afstand behoedt hem voor elk kwaad

en nu ziet hij alles als in de bioscoop:

Een vrouw in een geel jack - gaat naar binnen.

Een man met een donkere bril - komt naar buiten.

Twee jongens in spijkerbroek - staan te praten.

Dertien uur zeventien en vier seconden.

De kleine heeft geluk - hij stapt op zijn scooter,

maar de grote - gaat naar binnen.

Dertien uur zeventien en veertig seconden.

Er komt een meisje - ze heeft een groen lint in haar haar.

Maar nu belemmert een bus het uitzicht opeens.

Dertien uur achttien.

Het meisje is verdwenen.

Of ze zo dom is geweest om naar binnen te gaan of niet,

zullen we zien als het uitdragen begint.

Dertien uur negentien.

Om een of andere reden gaat nu niemand naar binnen.

Er komt wel een kale, dikke man naar buiten.

Maar het lijkt alsof hij iets in zijn zakken zoekt en

tien seconden voor dertien uur twintig

gaat hij voor twee rottige handschoentjes terug.

Het is dertien uur twintig.

De tijd - wat gaat hij toch langzaam.

Nu is het vast zover.

Nog niet.

Nu dan.

De bom - ontploft.

Het is een tergend spannende tussentijd, die Szymborska hier laat verstrijken. Met de terrorist in de rol van regisseur van de levens van anderen. Zijn blik is afstandelijk, koel, ongeveer zoals hij ook deze gruweldaad moet hebben voorbereid. Heel even toont hij zijn menselijke kant als hij ziet hoe een kleine jongen op zijn scooter de dans ontsnapt. Een kort moment is hij van z'n apropos gebracht, als een bus zijn zicht beneemt, even koester je hoop dat de film een ander einde zal hebben - is het door dat meisje met dat groene lint? Maar die hoop is vergeefs. Het is tijd, de omgeving van het café zal na de laatste punt in een chaos veranderd zijn.

Zoals ook de bommen in de Londense metro destijds - alweer ruim negen jaar geleden - een enorme ravage aanrichtten. Al hield de opgeschrikte stad tegelijk de adem in: 'Much of London was eerily quiet'. Die woorden plaatste dichter Maria Barnas als motto boven het gedicht dat ze schreef kort na de bomaanslagen waarbij 56 mensen om het leven kwamen. 'Voor de zekerheid' is een vreemd, surreëel gedicht dat speelt met het idee van een stad die angst zó onder controle heeft, die zó voorbereid is op onverwachte dreigingen, dat zelfs al bekend is waar de bommen zullen vallen.

We hebben ruim van tevoren de kuilen gegraven

en nauwkeurig ruïnes van straten en huizen geschraapt

...

Iemand twijfelde eraan maar toen het tijd was begon het.

De bommen vielen op hun plaats.

Het zijn bescheiden regels die tegengif bieden tegen alle grote woorden die worden uitgestort. Uit het 'Rot toch op' van de Rotterdamse burgemeester Aboutaleb blijkt voor velen daadkracht, het idee dat er iemand is die weet hoe het zit en die weet waarnaartoe.

Gedichten als die van Perquin, Schouten, Szymborska en Barnas bieden geen veiligheid, zijn geen schild tegen rondvliegende kogels, geven geen troost. Ze geven geen mening, ze geven geen antwoord.

En dat is in deze rumoerige tijden een verademing.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden