Poëzie in de cel: ’dealen met je eigen ik’

’Alleen op mijn cel / Kan ik mezelf zijn / Want alleen dan / Ben ik alleen met mijn pijn.’ Gedetineerden schrijven massaal dagboeken, brieven en gedichten. Wat drijft deze bajesschrijvers? Ze willen hun gedachten toch érgens ventileren.

Lieverdjes zijn het niet, de mannen van De Schans, één van de torens van de Bijlmerbajes. „Ze zitten hier niet voor zweetvoeten”, zegt justitiepredikant Christiaan Donner (57). Wel voor het stelselmatig veroorzaken van overlast, het dealen van drugs of het negeren van boetes. Veelplegers en (ex)gebruikers, zo typeert Donner de populatie van De Schans: „Heel veel analfabeten ook. Weinigen hebben meer dan lagere school.”

Van deze ruige klanten verwacht je van alles, maar niet dat ze gevoelige gedichten schrijven over eenzaamheid en verlangen. En toch doen ze dat massaal, zegt Donner, die behalve in de Bijlmerbajes ook in de gevangenis van Scheveningen werkt. „Het papier valt niet aan te slepen. Ik gok dat zo’n veertig procent van de gedetineerden gedichten, brieven of een dagboek schrijft.”

Een van hen is Vantje (31), een Antilliaanse jongeman met dreadlocks en een flinke tatoeage in zijn hals. In de spreekkamer van Donner laat hij een schoolschrift zien, vol poëtische regels in nette meisjesletters. Over geloof, pech en hoop gaan zijn gedichten, over het zachte in de man, over kwetsbare gevoelens in een wereld van tralies en beton. Alleen in dit schriftje kan hij helemaal zichzelf zijn, zegt Vantje. „Ik doe m’n ding, dit is privacy, weet je wel.”

Nou is privacy betrekkelijk in het totaalinstituut gevangenis: post naar buiten wordt opengemaakt en meestal ook gelezen. Met een beetje pech vindt de bewaarder bij een celcontrole ook het dagboek of poëzieschriftje achter de kast. Maar dat risico nemen schrijvende gevangenen op de koop toe – ze willen hun gedachten toch érgens ventileren.

Bij elkaar kunnen ze dat niet, zegt Vantje: „Ik heb geleerd: ik geef een kwart en houd driekwart voor mezelf. Je moet een masker dragen.” Onderling praten de mannen niet over hun breekbare binnenkant, gevuld met angst en twijfel. Loopt m’n vrouw nu bij me weg? Lukt het me straks wel om een leven op te bouwen, min of meer binnen de lijntjes? Donner noemt de sfeer onder gedetineerden ’cynisch’: „Dit is een machowereld. Het kwetsbare goede, dat je zo graag zou willen, dat moet je beschermen.”

En dus zitten mannen – die ’buiten’ nooit een boek lezen, laat staan poëzie – op hun cel ineens met een pen in hun knuist. Daar rolt niet altijd literatuur uit voor de eeuwigheid, zegt Folly Hemrica (50), predikant in de Utrechtse gevangenis aan het Wolvenplein. „Het zijn niet allemaal Gerrit Achterbergen” – waarmee ze verwijst naar Nederlands beroemdste tbs-dichter, die vastzat omdat hij zijn hospita vermoordde.

In de gewone bajespoëzie rijmt ’zijn’ vaak op ’pijn’ en vertelt de dichter dat hij ’lijdt’ in de ’realiteit’. En soms betuigt hij spijt, zoals de anonieme dichter K.P. in een oude bajesagenda: ’Laat mij de vrede herstellen / Wie ik kwaad heb gedaan / Spijt, voor elke fout ooit begaan / Oprechte tranen wellen.’

Voor zulke weinig verrassend verwoorde gevoelens staan uitgevers niet in de rij. Maar de bajesdichters ambiëren ook geen literaire roem. Ze schrijven om ’te dealen met m’n eigen ik’, zoals Vantje het uitdrukt: „Het is voor jezelf. Je weet: hiermee kan ik de wereld of het protocol niet veranderen, maar mezelf wel.”

Vantje leert van die zelfreflectie: vroeger gebruikte hij zijn vuisten zodra een medegedetineerde hem treiterde of vals beschuldigde. „Maar toen ik het stukje hierover in mijn dagboek nalas, dacht ik: Die agressie is niet de oplossing.” De keer daarna pakte hij het slimmer aan: „Ik was alleen nog maar verbaal agressief.”

Soms schrijven gedetineerden ook op verzoek van de predikant. „Deze mannen voelen zich heel vaak afgeschreven en letterlijk over de muur gegooid”, zegt Hemrica, die benadrukt hoe belangrijk het is dat gedetineerden leren om weer te participeren in de maatschappij. „Maar als je ze vraagt om een gedicht voor de kerkdienst, dan ervaren ze: al zit ik achter die muur, ik kan tóch een bijdrage leveren.”

Schrijven is natuurlijk ook gewoon een middel om de tijd te doden, zegt Henk van Zijp, een joviale zestiger met een plat Amsterdams accent die jaren in de gevangenis zat. Naar eigen zeggen omdat hij ’gepakt was met wat xtc’ in de Verenigde Staten. Vele tientallen rijmpjes schreef hij in de bak, onder zijn schrijverspseudoniem Seipie (zie ook www.seipie.nl). „Ik had altijd een vel papier klaarliggen, voor als ik een invalletje had. Ik schreef de hele dag.”

In de bajes maakte Seipie een poëtische ontwikkeling door. Eerst was zijn toon verdrietig, melancholiek: „Want je kunt je met een zielig gedicht ook zo lekker zielig voelen, weet je wel, met een brok in je keel.” Later schakelde Seipie over op humor. Dan schreef hij bijvoorbeeld over een impotente haan die geen zin meer had in een wip met een kip. „Had ik tenminste wat te lachen.”

Seipie hield zijn dichttalent niet voor zichzelf: met hulp van een Haarlemse justitiedominee publiceerde hij in eigen beheer de bundel ’Gaat u even zitten. Gedichten uit de gevangenis’. Daarvan werden er tot nog toe zo’n 1200 verkocht. Hij maakte in zijn cel ook tientallen verzen in opdracht van minder getalenteerde medegedetineerden, voor een honorarium van 3 euro aan postzegels. „Ik schreef bijvoorbeeld dat ze hun vrouw zo vreselijk misten. Prachtig vonden die vrouwen het, één hing het gedicht zelfs op in haar kamer.”

Het geschreven woord kán een brug slaan tussen binnen en buiten, zo weet ook predikant Donner. Hij signaleert naast het gedicht en het dagboek nog een ander populair genre in de gevangenis: de (soms nooit verzonden) brief. Heel soms is de geadresseerde het slachtoffer, maar veel vaker schrijft een gevangene aan de dochter of zoon die hij van zijn ex niet meer mag zien.

„Daar zitten die mannen vreselijk mee. Ik stel ze een beetje gerust: dat kind komt heus wel als hij achttien is. Maar wat zeg je dan tegen hem? Ik heb veel aan je gedacht?” Veel sterker is het, zo houdt Donner de gedetineerden voor, als ze hun kinderen een tastbaar bewijs van hun liefde kunnen geven: een doos vol nooit verstuurde brieven, van papa in de bak, aan de zoon die hij zo mist. Heel wat gevangenen volgen zijn advies op: momenteel heeft Donner van vijf mannen epistels in bewaring. „En ik ken zeker nog tien andere gedetineerden die brieven schrijven aan hun kinderen.”

Tussen de vele gevangen dichters, dagboekauteurs en briefschrijvers staat een enkele keer ook een ander type bajesschrijver op: de man met het grote plan van een autobiografisch, Peter R. de Vriesachtig boek, vol true crime, onschuld en verraad. Dat moet hem eerherstel brengen, dat moet de wereld leren dat hij onterecht zwaar is gestraft. Maar, zegt Donner, meestal blijft dat Grote Boek steken in een voornemen. Wat dat betreft verschilt de would be schrijver achter de tralies niet veel van zijn collega in vrijheid, die ook liever droomt dan daadwerkelijk schrijft.

Eenmaal weer buiten, bevrijd uit de bak, raken de meeste gedetineerden hun belangstelling voor het schrijven sowieso weer kwijt. „Buiten heb je mensen om je heen, daar kun je iets mee bespreken”, zegt Vantje, die zijn poëzieschrift alleen in detentie bijhoudt. En ook Seipie, alweer vrij sinds 2001, heeft z’n pen zo’n beetje neergelegd, omdat hij tegenwoordig betere dingen te doen heeft: „Bier drinken en biljarten bijvoorbeeld.”

Op advies van de dominee heeft ’Vantje’ voor dit artikel een pseudoniem gekozen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden