Poëzie / De bloemen op het slagveld

Dichten op het slagveld: voor militairen in de Eerste Wereldoorlog was het een vlucht uit die wanhopige oorlog. Ze droomden over hun geboortestreek, beschreven hun angst en pijn, en hun gevoel van machteloosheid. Een aantal beroemde oorlogsgedichten zijn nu in het Nederlands vertaald.

De Eerste Wereldoorlog is de oorlog van vergeefsheid en zinloosheid, van de modder en het prikkeldraad, van de tienduizenden soldaten die door het niemandsland werden gejaagd, om door machinegeweer en artillerievuur vermalen te worden. Maar de Eerste Wereldoorlog is ook de oorlog van de dichters. Vooral de Britse oorlogsdichters, zoals Wilfred Owen en Siegfried Sassoon, worden nog steeds gelezen. Van een aantal van de gedichten van deze twee coryfeeën, maar ook van vele anderen, zoals Ivor Gurney en Edmund Blunden heeft Tom Lanoye in Niemands Land een dertigtal Nederlandse bewerkingen gemaakt.

Laat er geen misverstand over bestaan. Deze dichters waren echte oorlogsdichters, zij waren in ieder geval geen pacifisten, die thuis tegen een abstracte oorlog fulmineerden. Zoals zo velen van hun generatie hadden zij vrijwillig dienst genomen. De meesten ook hebben tot het einde in 1918 doorgevochten, als ze al niet eerder gesneuveld of zwaargewond waren geraakt. Precies daarom zijn zij in staat ons de gruwelen van de oorlog te laten voelen en te laten begrijpen.

Er is, dunkt me, geen menselijker manier om dichter bij de tragedie van de oorlog te komen dan door het lezen van deze dichters. In hun poëzie vinden we het hele palet van gevoelens die de oorlog losmaakt. Het hilarisch enthousiasme over het uitbreken ervan, de bittere ontgoocheling wanneer de werkelijkheid van loopgraaf en gifgas niet meer te ontwijken is, de wanhoop over de dood van vrienden, de angst, de pijn en het gevoel van machteloosheid, de haat tegen de generaals, politici en burgers die de slachtingen maar laten voortduren.

Door de oorlog worden de dichters inderdaad bijna allemaal anti-oorlogsdichters. Maar tegelijkertijd vechten zij door, uit haat jegens de vijand, uit solidariteit met hun makkers, uit doodsdrift of gewoon omdat zij niet anders kunnen, en zo houden zij de oorlog toch ook mede in stand. Er is niets fascinerender dan deze woeling van tegenstrijdigheden in het werk van één dichter, of zelfs binnen één enkel gedicht te volgen.

Ongetwijfeld was voor deze dichters het schrijven een middel om aan de werkelijkheid van de oorlog te ontsnappen, of haar op zijn minst de baas te worden. Hun poëzie stelt tegenover de smerigheid van de oorlog, de ratten en de luizen de macabere schoonheid van een artilleriebombardement, of de eenvoudige pracht van een bloem in het niemandsland, of het onbekommerde gekwinkeleer van een leeuwerik boven het kanonnengebulder uit.

In Illusion/Begoocheling vraagt Edmund Blunden de lezer zelfs vergeving voor zijn ontroering over de schoonheid van loopgraven bij maanlicht. Maar Ivor Gurney wil van excuses niets weten. In de loopgraven voor Boesinge, vlakbij Ieper, in augustus 1917, noteert hij, vlak voor hij gewond raakt: ,,Want alleen in Schoonheid is er troost.'' De poëzie als laatste redmiddel.

Voor vele dichters betekent de vlucht uit de woede van de oorlog het dromen over de vredige schoonheid van de geboortestreek. In Flanders droomt Will Harvey, uitziend over de modder en de paardenlijken in de Westhoek, zich zijn geliefde Gloucestershire, met de Cottswolds en de Severn. Op het schiereiland Gallipoli, waar in 1915 op gezag van Winston Churchill tienduizenden Britten de dood worden ingejaagd, schrijft de Ierse dichter Francis Ledwidge hoe hij in de heuvels van Crocknaharna, tweeduizend mijl weg, een meisje hoort zingen en een vrouw, zwart van verdriet, hoort schreien. Ontroerender oorlogsgedicht ken ik misschien niet.

Ook al ontbreken Harvey en Ledwidge, in Niemands Land heeft Tom Lanoye een mooi en rijk palet van dichters bijeen gebracht. Een terugkerend thema is steeds, vanzelfsprekend natuurlijk, de dood van een gesneuvelde kameraad, het verdriet, de woede, de wanhoop, de pogingen ook om de dood betekenis toe te kennen en zich er aldus ten laatste mee te verzoenen.

Niet ten onrechte opent de bundel met In Flanders Fields/In Vlaamse Velden, wellicht het bekendste gedicht van de Eerste Wereldoorlog. De eerste regel verwijst naar de klaprozen, poppies, de eerste bloemen die weer op het desolate slagveld wagen te bloeien. Het zijn deze poppies die de Britten in november dragen wanneer zij hun Grote Oorlog herdenken. De Canadese artillerist John McCrae, die ook arts was, schreef dit gedicht op 2 of 3 mei 1915, ter herinnering aan zijn vriend Alex Helmer die tijdens de eerste grote Duitse gasaanvallen stierf in de hulppost Esses Fram Cemetery waar McCrae werkte.

De eerste strofen bevatten heel teder traditionele elementen van het oorlogsgedicht: de liefde voor het leven, het lied van de leeuwerik, de zekerheid van de eigen dood. Dan draait het gedicht in de derde strofe om: de doden roepen de levenden op de strijd voort te zetten, omdat anders hun dood tevergeefs zou zijn geweest. Het is deze nationalistische retoriek (Weest gij de helden) die de dynamiek van de oorlog tot in het oneindige aanjaagt en die tegelijk de nabestaanden met de dood van een geliefde verzoent.

Het dodenoffer is niet voor niets geweest; een troost, ook al is zij schrijnend schraal. Tegen het patriottisme van McCrae liep Wilfred Owen storm in zijn prachtige Dulce et decorum est, dat ook een gasaanval tot onderwerp. Met zijn gasmasker op ziet hij hoe een slachtoffer stikt en braakt en verdrinkt. Het chloorgas maakt immers vocht in de longen los, waardoor een gassé letterlijk verdrinkt in een zee van slijm. Iedere nacht ziet Owen in zijn nachtmerries dat beeld, en daarom walgt hij van die oude patriottistische leuze dat het goed en zoet is voor het vaderland te sterven.

Maar toch ook kan Owen niet zonder troost, zoals blijkt in Anthem for Doomed Youth/Loflied op gedoemde jonge gasten. Hoewel de soldaten die als vee worden afgeslacht, niet als dieren, zoals Lanoye veel te zachtmoedig vertaalt, een fatsoenlijke begrafenis ontberen, leeft hun herinnering voort in de glans van de ogen van jongere broers, in de tedere berusting van hun geliefden. Als echt contrapunt tegen McCrae dient de vlijmscherpe woede van Siegfried Sassoons On Passing the New Menin Gate/Bij het passeren van de Nieuwe Menenpoort.

Bij deze poort in Ieper, een Brits oorlogsmonument met de nameloze namen van 54.889 vermiste soldaten, wordt nog iedere avond de Last Post geblazen ter herdenking van alle gesneuvelden. Maar de lugubere pracht van dit monument roept bij Sassoon slechts walging op. Mochten ooit de doden uit hun graven opstaan om de praalzucht van de overwinnaars, deze tombe van de schande en de zonde te bespotten. Geen heldendom en zelfopoffering was het, maar pure mensenverspilling, geen berusting en geen troost, alleen maar dood. Alleen door die erkenning laat je al die gesneuvelden in de Vlaamse modder in hun waarde.

Wie eenmaal kennis heeft gemaakt met de oorlogsdichters, koestert de stille wens hun werk te vertalen. Misschien eerder om in het reine te komen met je eigen verwarde gevoelens over de oorlog, dan begerig naar een evenwaardig poëtisch resultaat. Maar deze poëzie vertalen, of bewerken zoals Lanoye zegt te doen, is hondsmoeilijk. Alleen daarom al is het werk van Lanoye te prijzen. Soms bewonder ik zijn vondsten, soms niet.

Waar hij naar mijn opvatting een grens overschrijdt die niet overschreden mag worden, is in zijn poging tot vervlaamsing. In To his love/Aan zijn lief rouwt Ivor Gurney om zijn vriend Willie Harvey, de eerder genoemde officier met zijn heimwee naar Gloucestershire, die vermist wordt in het Niemandsland. Nooit zullen zij samen meer wandelen in hun geliefde Cotswold, nooit zullen zij meer varen op de Severn. Hij vraagt aan Anne, Harveys vriendin aan wie hij het gedicht opdraagt, hem te overdekken met massa's bloemen van de Severn, vanzelfsprekend. Maar Lanoye laat de twee vrienden in Laten wandelen en op de Leie varen.

Maar die plaatsen betekenden precies niets voor de twee vrienden, die juist uit het helse Vlaanderen terug naar de Cottswold en de Severn wilden vluchten. De kern van Gurneys prachtige gedicht, het gebroken verlangen van twee Britten naar hun vreedzame geboortestreek wordt zo onherstelbaar vernietigd. Dat heeft Gurney niet verdiend.

Tom Lanoye, Niemands Land, Gedichten uit de Groote Oorlog, uitgeverij Prometheus, 91 pp., 25 euro.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden