Plots was historie van iedereen

Pas zo'n twee eeuwen geleden begrepen de Nederlanders dat ze omringd werden door het verleden

Er bestaat een Noord-Nederlands schilderij uit 1830 van de dood van Willem van Oranje in 1584. Het drukt niet alleen de afschuw uit over de schoten van Balthasar Gerards. Het is tegelijkertijd een commentaar op de mentale moord van de opstandige Belgen op de goedwillende vorst van dat moment, koning Willem I.

Negentiende-eeuwers hielden van zo'n dubbele laag. Geschiedenis om de geschiedenis was te weinig. Liefst moest het verleden ook iets te zeggen hebben over de huidige maatschappij of anders de ideale samenleving. Lezers dienden bovendien doordrenkt te worden van vaderlandsliefde. De negentiende eeuw was immers de eeuw van de opkomst van het nationalisme.

'Historiezucht' heet het nieuwe boek van emeritus hoogleraar moderne Nederlandse letterkunde Marita Mathijsen. De titel verwijst naar de geschiedeniskoorts die zich eind achttiende, begin negentiende eeuw van eigenlijk alle Europese samenlevingen meester maakte. Het had de trekken van een pandemie. Voor die tijd was geschiedenis iets particuliers geweest. Vooral de elite koesterde haar eigen verleden. Nu doken de verhalen uit vroeger eeuwen opeens overal op in het publieke domein. Het verleden werd gedemocratiseerd, het vond zijn weg naar de massa.

De Franse tijd had grote invloed. Aan de ene kant vernietigden de revolutionairen historische gebouwen, aan de andere kant grepen ze met zorgvuldige cultussen rond feestdagen, rituelen en monumenten volop terug op het verleden. Franse troepen roofden kunst en historisch erfgoed in de landen waar ze slag leverden. Het idee was dat er naast het nationale museum in het Louvre ook een soort Europees museum zou komen.

Dit soort ideeën en de methoden om collecties te vormen leefden verder voort, nadat het met de almacht van Parijs was gedaan en al dat moois weer zoveel mogelijk terugkeerde naar waar het vandaan kwam. In de jaren na 1815 kwamen overal nationale musea van de grond. In recente publicaties wordt wel gesproken van de erfenis van Napoleon.

Het is nu nauwelijks meer voor te stellen maar de overgrote meerderheid van de Nederlanders had tot deze grote omslag geen idee waar ze vandaan kwamen.

Ook in de kringen van de geschoolde burgerij was er bijvoorbeeld weinig benul van de Nederlandse literatuurgeschiedenis. De kennis kwam meestal niet verder dan namen die nooit helemaal waren weggeweest: Vondel, Hooft, Cats. Daarna, was de gedachte, had de letterkunde steeds minder belangwekkends voortgebracht, Dat het buitenland nauwelijks belangstelling toonde voor Nederlandse schrijvers, diende als ondersteunend bewijs.

Alles veranderde toen vanaf 1800 in pakweg een kwarteeuw een aantal literatuurgeschiedenissen verscheen. Dat hielp een soort canon van de Nederlandse letteren te vormen, en met die eregalerij nam de waardering toe. Niet alleen kreeg de literatuur een eigen geschiedenis, schrijvers besteedden ook meer aandacht aan het verleden.

Volgens Mathijsen droeg de historische roman meer dan wat ook bij aan de popularisering van de geschiedenis. Die vond via boeken haar weg naar talloze huishoudens en nestelde zich via deels verzonnen verhalen tussen de oren.

Waar Mathijsen zich in vorige publicaties beperkte tot de letterkunde of deze als belangrijkste bron gebruikte - zie bijvoorbeeld haar schitterende mentaliteitsgeschiedenis 'De gemaskerde eeuw' - kijkt ze in 'Historiezucht' breder om haar onderwerp in kaart te brengen. Geschiedbeoefening, herdenkingscultuur, monumenten, erfgoedbeheer, collectievorming en musea komen aan bod. Misschien had de auteur nog wat nadrukkelijker de verschillen en overeenkomsten met ontwikkelingen in andere landen mogen uitwerken. Daar staat tegenover dat ze met haar kennis van de materie en anekdotiek een voortreffelijke en aanstekelijke gids voor de negentiende eeuw is.

Mathijsen legt het er niet dik bovenop, maar als lezer trek je onwillekeurig toch parallellen met de herleefde belangstelling voor geschiedenis in de afgelopen jaren (canons, verkiezingen van de grootste Nederlander, het al dan niet beginnen van een speciaal museum, nonfictiebestsellers in het voetspoor van wegbereider Geert Mak). De auteur benoemt wel de trek naar het verleden in de afgelopen decennia. Schrijvers als Thomas Rosenboom, Arthur Japin en Nelleke Noordervliet namen de geschiedenis als onderwerp. De negentiende eeuw, de eeuw van de historische roman, is zelf voer voor historische romans geworden. En aan het einde van het boek moet Mathijsen toch even kwijt dat Nederland, ondanks die interesse, hard zijn best doet om de artistieke en historische infrastructuur flink te kortwieken.

Marita Mathijsen: Historiezucht. De obsessie met het verleden in de negentiende eeuw. Vantilt, Nijmegen; 512 blz. euro 29,50 (na 23 januari euro 32,50)

Levende geschiedenis
Niet historici maar schrijvers droegen het meeste bij aan de historiezucht van pakweg twee eeuwen geleden. Het grote internationale voorbeeld was de Schot Walter Scott, tegenwoordig nog vooral bekend vanwege zijn roman 'Ivanhoe', maar schrijver van een veel groter oeuvre.

David Jacob van Lennep wakkerde in Nederland het enthousiasme aan voor boeken waarin personages geen in oude kostuums gestoken poppen waren, maar waarin de geschiedenis echt tot leven kwam. Waar bleven de Walter Scotts van de Lage Landen?

Nederlandstalige schrijvers die wilden teruggrijpen op de Middeleeuwen kwamen nogal eens bij bronnen uit het Zuiden en katholieke ridders terecht. Dat kon natuurlijk niet.

Het tijdschrift De Gids deed de romantische dweepzucht met dit tijdperk dan ook af als dwaas en kinderlijk. Een fatsoenlijk schrijver, die recht wilde doen aan de protestantse Nederlandse natie, zocht zijn stof in de Gouden Eeuw. Helden voldoende. Denk aan 'De overwintering der Hollanders op Nova Zembla' van Hendrik Tollens.

Bij de zuiderburen golden deze bezwaren vanzelfsprekend niet. Daar kon Hendrik Conscience's epos over de Guldensporenslag, 'De leeuw van Vlaanderen' (1838), uitgroeien tot een ware klassieker.

Behalve besef van geschiedenis bevorderde het werk van literatoren ook dat er meer aandacht kwam voor het redden van historische bouwwerken en monumenten. Zo legde de jonge Johann Wolfgang von Goethe met zijn lofzang op de middeleeuwse bouwkunst en de Dom van Keulen onbewust de kiem voor de latere restauratie en de afbouw van de torens van deze kerk. Victor Hugo's beroemde verhaal over de misvormde klokkenluider Quasimodo (1831) zorgde indirect voor de opknapbeurt van de Notre Dame in Parijs.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden