Plots stond leerling-fotograaf midden in Albanese brandhaard

Halsoverkop vertrok de beginnende fotograaf Jörgen Caris uit Albanië, toen hij vernam dat journalisten hun leven niet meer zeker zijn. Na een maand in het land had hij wel gezien waartoe de bevolking in staat is. Nu hij terug is in Nederland rest hem één groot probleem: Caris was als fotograaf in Albanië, maar moest het merendeel van zijn fotorolletjes daar achterlaten.

Eigenlijk wilde Caris een fotoreportage maken in de Amsterdamse Bijlmer. Maar hulporganisaties daar scheepten de student fotografie, in zijn laatste jaar van de Haagse academie, steeds maar af. Hij moest toch wat, wilde hij dit jaar nog afstuderen. “Ik dacht eerst: ik maak een rondreis door Oost-Europa, maar dat was toch iets te breed. Omdat Albanië het laatst voor het kapitalisme zwichtte, wilde ik daar eens gaan kijken hoe het ervoor staat.”

Caris was gisteren, net uit het vliegtuig, de schok nog niet helemaal te boven. Want wat hij een maand geleden, bij het begin van zijn reis, had ingeschat als 'wat demonstraties over beleggingsfondsen die snel zouden overwaaien', bleek tijdens zijn maand lange aanwezigheid uit te monden in een ware volksopstand.

Onervaren oorlogsfotograaf als hij is, raakte hij tijdens zijn reis bijna al zijn fotomateriaal kwijt, evenals zijn vliegticket, geld en een tweede camera. Alleen van de laatste dagen heeft hij nog materiaal: mannen die schieten vanuit een autobus, demonstrerende Albanezen die zwaaien met wapens en zwaar gereedschap. Gegrepen door de angst zag hij geen andere uitweg dan terug te keren naar Nederland.

Caris is een verlegen jongen. Zelf wil hij eigenlijk niet op de foto of vertellen wat hij zag. Alle ijdelheid is hem vreemd. Zelfs de trots over zijn unieke fotomateriaal van de opstanden is in vergelijking met andere fotografen minimaal. Want Caris was zo ongeveer de enige die rakelings langs de volksopstanden scheerde en ook nog eens het land uit kon. Collega's beweren dat zij werkelijk alles zouden hebben gedaan om hun rolletjes te redden uit een brandhaard. Caris niet: hij kon kiezen voor zichzelf of voor zijn materiaal, en koos toch maar voor zichzelf. Zelfs in het gesprek verontschuldigt hij zich voortdurend: hij is niet gewend om veel te praten, misschien zegt hij wel de verkeerde dingen.

Het begon allemaal bescheiden, vertelt hij. Op zes februari reisde hij af naar Tirana. Niks aan de hand daar, als je niet meetelt dat de politie er wat vaak door de straten patrouilleerde om te voorkomen dat demonstraties tegen de regering plaatsvonden. Na drie dagen, het was inmiddels tien februari, vertrok hij naar het zuiden, naar Vlora, de stad met een roemruchte reputatie in opstanden. Van de opstanden die daar aan de gang waren wist hij niets. De Albanese staatstelevisie zond geen seconde uit van de taferelen die zich daar afspeelden, waarbij de politie werd klemgezet tussen stenengooiende demonstranten.

“Nog met mijn rugzak op kwam ik in een demonstratie tegen de regering terecht. De sfeer was grimmig: die middag was een aantal demonstranten gearresteerd en daar was men woedend over. Er werd met stenen gegooid, gechargeerd, opnieuw met stenen gegooid, brand gesticht. De woede jegens de militaire politie was immens, maar werd geleid door jongens van vijftien, zestien jaar. Sommigen waren ouder, maar meer dan vijfentwintig waren ze niet. En die broekies hadden tienduizenden dollars verloren in de piramidespelen, beweerden ze. Ik heb, behalve dat het misschien smokkelaars waren, geen idee hoe ze aan dat geld kwamen.”

Caris maakte foto's van de eerste woede-uitbarstingen. Hij schrok van de immense haat: in Vlora lag het maatschappelijke leven compleet plat. Iedereen nam vrij om tweemaal per dag tegen de regering te demonstreren. Maar wat hij daar een kleine maand geleden zag, bleek nog maar het begin: een dag na zijn aankomst werd de eerste demonstrant doodgeschoten en bereikte de volkswoede via een stroom van geruchten een kookpunt: zowat alle inwoners van Vlora bezochten zijn begrafenis.

“In sneltreinvaart ging het verhaal over die dode man door de stad. Er waren er drie overleden: twee aan een hartaanval, een door een schot. De wildste geruchten deden het het best: de man zou door een sluipschutter vanaf een minaret zijn vermoord, zei men.”

“Dat verhaal, althans de foto's ervan, liggen daar nu nog. Samen met andere reportages die ik maakte, want vanuit Vlora ging ik ook door met de werkzaamheden zoals ik ze had gepland. Ik ging naar een psychiatrische kliniek, naar olievelden en naar de grenzen van het land om vanuit verschillende gezichtspunten te laten zien in welke staat van ellende het land verkeert. Ik bezocht olievelden om te tonen dat ze zelfs niet in staat zijn grondstoffen te winnen. Ik ging langs de grenzen om te laten zien dat er dagelijks honderden mensen wachten op een visum om naar het buitenland te kunnen. Ze zien de vrijheid pas over de landsgrenzen gloren.”

Eenmaal terug in Vlora, eind februari, bleken daar vele studenten in hongerstaking te zijn gegaan. De geruchtenmachine werkte nog sneller dan toen Caris eerder in de stad was. “Nu vertelde men elkaar dat de militaire politie in aantocht was om een einde aan die hongerstaking te maken. Ik geloofde er niets van: hoe moet de politie nou een hongerstaking voorkomen? Maar er was niet veel voor nodig om mensen opnieuw de straat op te krijgen. De politie kwam niet, maar tegen de tijd dat dat duidelijk was, hadden vele tientallen opgefokte mannen zich al verzameld bij de universiteit. Met gestolen geweren en pistolen. Alles wat stak of schoot, kliefde of sloeg, hadden ze bij zich. Het duurde geen nacht of de demonstranten gingen in het wilde weg schieten, in de lucht, uit machtsvertoon.”

“De politie was nergens meer te bekennen. Vanaf dat moment ontstonden er wilde verhalen over geheime agenten. In het ziekenhuis zag ik een man - meer dood dan levend - die ten onrechte voor geheim agent was aangezien. Een ander, die ook afgetuigd was, lag er ook. Maar vaak ook schoten de demonstranten in hun opgefokte toestand per ongeluk op elkaar. In het ziekenhuis kwamen om de haverklap mensen binnen die door een verdwaalde kogel waren geraakt.”

Die nacht lieten drie geheim agenten het leven in de universiteit. Tien, twaalf mannen hadden hen met bijlen toegetakeld. Niet Caris was daarbij, maar wel zijn collega Sion Touhig van fotopersbureau Sygma. Die legde drie dode veiligheidsagenten vast in een bloedig beeld, dat gisteren - met vier dagen vertraging - de voorpagina van de Volkskrant haalde. Het was een van de weinige beelden die het land na de perscensuur van de afgelopen week nog hadden kunnen verlaten.

“Die fotograaf ontmoette ik de volgende ochtend. Hij vertelde me wat hij had geschoten, hoe die mannen waren gelyncht. Ik was jaloers, eerst. Dacht eraan hoe het zou zijn als ík het was, die met zo'n foto terug op school kwam. Maar nu ben ik ook wel blij dat ik het niet ben die met het gegeven moet leven dat ik niet ingreep, maar een moord fotografeerde. Ik denk dat ik nog te weinig eelt op mijn ziel heb om een dergelijk dilemma aan te kunnen.”

“Touhig wilde zo snel mogelijk het land uit met zijn materiaal. Ik besloot hem te helpen de stad uit te komen. Mijn fotomateriaal, groot geld en een tweede camera liet ik achter bij een stel missionarissen in Vlora. Ik zou daar nog terugkomen, dacht ik, want op het moment dat we er vetrokken was het redelijk rustig in de stad. Op wat geschiet her en der na. We huurden een auto naar Tirana en Touhig kon daar nog op het nippertje in een vliegtuig terecht.”

Voor Caris begon de weg terug naar zijn fotomateriaal. Van de hoofdstad Tirana moest hij naar het zuidelijke Vlora terug zien te komen, maar de enige weg daarheen bleek afgesloten. Op de kaart had hij een omweg uitgestippeld, die hij met taxi's, bussen en treinen dacht te bereiken. Maar onderweg vernam hij dat niet alleen alle journalisten uit Vlora werden weggehaald, maar ook dat de missionarissen waar hij zijn spullen achterliet het land uit waren.

“Het is misschien raar, maar ik wilde het risico niet lopen dat ik niet meer naar huis kon. Mijn ticket zou over vijf dagen verlopen, een nieuw kon ik niet betalen. Maar het bleek wel mogelijk om met mijn paspoort een nieuw kaartje te krijgen omdat ik 'wegens noodsituatie' de oude was kwijtgeraakt.” Hij kijkt schuldig. “Jammer van die foto's.”

- Pag. 6: de Albanese opstand in beeld

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden