Pleidooi voor meerduidigheid

Het Nederlandse paviljoen op de Biënnale van Venetië toont de diversiteit van de cultuur. Curator Guus Beumer: "Die wordt niet alleen gedragen door subsidies, maar vooral door mensen."

'Als de planten het al die maanden maar volhouden", zegt Guus Beumer wat bezorgd. De curator van het Nederlandse paviljoen doelt op de etagère voor de ingang van het paviljoen, waarop zo'n driehonderd overwegend bontbladige planten staan uitgestald. Die zullen tot eind november fris en groen moeten blijven, want anders krijgen bezoekers bij de entree al een verlept beeld van de Nederlandse presentatie.

En dat zou niet terecht zijn, want de bijdrage van Nederland aan deze tweejaarlijkse kunstmanifestatie staat als een huis. Dat staat voor Beumer vast, die we spreken kort voor de opening van de Biënnale. Al is het natuurlijk wel hoogmoedig om te zeggen dat de Nederlandse presentatie goed gelukt is, voegt hij er meteen aan toe.

Gemakkelijk heeft Guus Beumer (1955), directeur van Marres, een centrum voor hedendaagse cultuur in Maastricht en van huis uit sociaal wetenschapper, het zichzelf niet gemaakt. De meeste curatoren van de tientallen landen die zich presenteren in Venetië, in eigen paviljoens of in gebouwen verspreid over de stad, kiezen voor kunstenaars uit de museale wereld. Dan krijg je een groepstentoonstelling of een solo-expositie.

Beumer besloot het heel anders aan te pakken door kunstenaars uit verschillende disciplines te kiezen, van fotograaf Johannes Schwartz en beeldend kunstenaars Barbara Visser en Joke Robaard tot vormgeefster Maureen Mooren en de architecten Herman Verkerk en Paul Kuipers. Daarnaast leverden ook schrijfster Sanneke van Hassel, componist Yannis Kyriakides, mode-ontwerper Alexander van Slobbe en landschapsarchitect Ernst van der Hoeven een bijdrage.

"Een hele riskante weg", constateert Beumer achteraf, "om met zo'n grote groep mensen een tentoonstelling te maken." Maar die samenwerking en collectiviteit zijn volgens Beumer ook exemplarisch voor de Nederlandse identiteit en kunstpraktijk. Met deze presentatie wil hij de Nederlandse culturele infrastructuur zichtbaar maken. Die bestaat volgens hem uit een uniek 'sociaal weefsel' van musea, kunstenaars, culturele fondsen en opleidingen. En dus niet alleen uit subsidies, zoals de laatste tijd nogal eens wordt gesuggereerd.

Dat in dat weefsel nu grote gaten dreigen te vallen, door de forse bezuinigingen die zijn aangekondigd op de kunsten, wist Beumer niet toen hij aan de voorbereidingen voor Venetië begon. "Het is een vreemd soort toeval dat uitgerekend nu de hele culturele infrastructuur ter discussie wordt gesteld." Dat maakt de expositie des te actueler en zwaar van symboliek, benadrukt Beumer. "Wij laten zien dat anders dan het beeld dat nu dreigt te ontstaan, de culturele infrastructuur niet alleen wordt gedragen door subsidies, maar vooral door mensen."

Beumer heeft lang nagedacht over het tentoonstellingsmodel, dat prikkelend genoeg moet zijn om er snel doorheen te lopen, maar tegelijk ook moet verleiden om er langer te blijven hangen. Beumer besloot het Rietveldpaviljoen te veranderen in een operatheater. "Dat is ook een Venetiaanse uitvinding."

In de etagère met planten die het publiek moet verleiden naar binnen te gaan, moeten we een verwijzing zien naar de Giardini (de tuinen), waarin het Rietveldpaviljoen en de andere landenpaviljoens staan. "Maar ik heb me ook laten inspireren door de negentiende eeuw met z'n grote wereldtentoonstellingen en de eerste Biënnale van Venetië, in 1895, waar het publiek steevast verwelkomd werd met palmen en andere exotische planten. Als je oude foto's van de Biënnale bekijkt, uit de jaren vijftig, zie je dat er toen nog palmen groeiden rondom het Nederlandse paviljoen. Die zijn in de loop der jaren verdwenen, maar met de etagère met planten wil ik dat beeld weer oproepen."

Ook heeft Beumer de oorspronkelijke route naar het Rietveldpaviljoen laten herstellen, zodat bezoekers er weer frontaal op aflopen, en niet schuin. "Daardoor zie je ook weer goed dat het niet een egaal wit blok is, zoals vaak wordt gedacht, maar uit twee volumes bestaat. De rechterkant is grijs en het linker deel geel."

Eenmaal in het paviljoen wanen bezoekers zich in een klassiek theater, waar ze zich tussen en achter de coulissen kunnen begeven en zo van passanten ook participanten worden. Er valt veel te zien en te beleven in Opera Aperta - de titel verwijst naar het gelijknamige boek van Umberto Eco en zijn pleidooi voor meerduidigheid. Gaandeweg komt de bezoeker allerlei facetten van het culturele leven tegen. En dat is rijk, wil Beumer het publiek laten zien. En dan hebben we het dus niet over geld.

In de foyer hangen zes recensies aan de muur van kunstcritici, die een fictieve opera bespreken. Ondertussen kunnen bezoekers luisteren naar door Sanneke van Hassel geschreven monologen, waarin drie personen aan het woord komen die je nooit hoort in het kunstdebat: een oude vrouw, een projectontwikkelaar en een Marokkaanse jongen. Maar het publiek kan zich ook onderdompelen in de klanken van een muziekstuk van Yannis Kyriakides, die noten uit een opera van Verdi mengde met geluiden van het publiek.

Uitgangspunt van Beumer was dat er iets dubbelzinnigs moest zitten in alles wat het publiek tegenkomt in Opera Aperta. Eén van de opvallendste bijdragen is het werk 'Rembrandt' van Johannes Schwartz, dat gebaseerd is op de foto die hij maakte van de erezaal van het Rijksmuseum in Amsterdam nadat Rembrandts schilderij De Nachtwacht was weggehaald. De abstracte vlek die toen zichtbaar werd, zien we hier terug. Beumer: "Het restant van ons nationale icoon."

Ook het beroemde schilderij van Barnet Newman 'Who's Afraid of Red, Yellow and Blue' duikt op, als onderwerp in een debat over wat kunst is. Een verwijzing naar de ophef begin jaren negentig over de restauratie van dit doek, dat met een mes was beschadigd. Bij het herstel waren gewoon een verfroller en lak gebruikt, wat leidde tot de vraag of het werk nog wel als kunst betiteld mocht worden.

Toegankelijke kost is het niet, die de bezoekers krijgen voorgeschoteld in het Nederlandse paviljoen. Zo breed en gelaagd is ook het palet aan kwesties dat aan de orde komt, dat het niet tot een duidelijk eindbeeld leidt. Maar daarvoor is het onderwerp ook te complex, zegt Beumer.

Als je alles wilt zien en beluisteren, kun je wel dertig uur doorbrengen in het paviljoen, heeft de curator uitgerekend. Wat nogal veel is voor een spektakelevenement als de Biënnale. "Maar je kunt er ook in een paar minuten doorheen lopen en dan toch iets mee krijgen van de veelomvattendheid van de Nederlandse culturele identiteit."

Overal duiken Nederlanders op
Tijdens de 54ste Biënnale van Venetië, die van 4 juni tot en met 27 november 2011 plaatsvindt, is Nederland met dertig kunstenaars en curatoren aanwezig. Niet alleen in het Nederlandse paviljoen, maar ook op andere plaatsen. Zo leverde Nederland de curatoren voor de paviljoens van Turkije, Roemenië, Georgië en Rome. Verder nemen Nederlandse kunstenaars deel aan de presentaties van Polen, Denemarken, India en de centrale tentoonstelling Illuminations, die gemaakt werd door de Zwitserse directeur van deze biënnale, Bice Curiger. Ook bij randactiviteiten elders in de stad duiken Nederlanders op.

Voor meer informatie: www.venicebiennale.nl en www.labiennale.org

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden