PLEIDOOI VOOR MEER NUTTELOOSHEID ONDERZOEK

“Het belang van het fundamentele onderzoek, de drang naar kennis en inzicht met geen ander doel dan kennis en inzicht, staat in onze dagen onder steeds toenemende druk. Wilt u geld van ons hebben? Toon dan maar aan waar het goed voor is.” Prof. dr. ir. A. van den Beukel, hoogleraar in de materiaalkunde aan de Technische Universiteit Delft, nam afgelopen vrijdag afscheid. In zijn uittreerede vertelde hij het verhaal van zijn Engelse collega Andrew Wiles die aan een Amerikaanse universiteit negen jaar de tijd kreeg om een volstrekt onbelangrijke zij het zeer fascinerende stelling uit de wiskunde te bewijzen. Kom daar eens om in Nederland, in 1997, suggereerde Van den Beukel. Hij hekelde de parlementen, ministeries en universiteitsbesturen die steeds nadrukkelijker vragen naar het 'nut' van het onderzoek. “Geen enkele van de resultaten van mijn wetenschappelijk onderzoek in de afgelopen veertig jaar, neergelegd in een lange reeks van artikelen in wetenschappelijke tijdschriften, heeft, voor zover ik dat kan nagaan, ook maar iets bijgedragen aan de oplossing van welk concreet technisch probleem dan ook.”

In de zeventiende eeuw deelt de Franse wiskundige Pierre de Fermat in de kantlijn van een van zijn boeken mee dat hij de volgende stelling in de leer van de getallen heeft gevonden: als in de formule an + bn = cn de symbolen a, b, c en n gehele positieve getallen zijn, dan bestaat er geen oplossing als n groter dan 2 is. Hij schrijft er bij dat hij een prachtig bewijs voor de stelling heeft gevonden, maar dat de ruimte in de marge wat te klein is om dat bewijs te bevatten. In de drie eeuwen die volgen zijn generaties wiskundigen gefascineerd door het probleem en proberen het bewijs te leveren, maar zonder succes. Zelfs de grootsten onder hen bijten hun tanden erop stuk.

In de jaren zestig van deze eeuw krijgt een tienjarig Engels jongetje, Andrew Wiles, een wiskundeboek in handen en komt daar het probleem van Fermat tegen. Hij wordt er meteen door gegrepen. “Het was een probleem dat ik als tienjarige kon begrijpen”, vertelt hij later, “en vanaf dat moment probeerde ik het zelf op te lossen.” Hij besluit wiskunde te gaan studeren. Als hij afgestudeerd is meldt hij zich in Cambridge bij de vooraanstaande wiskundige John Coates met de vraag of hij bij hem mag promoveren. Hij suggereert voorzichtig dat hij zou willen proberen de laatste stelling van Fermat te bewijzen. Coates glimlacht om zoveel jeugdige overmoed en slaagt erin om hem voorlopig van dat idee af te brengen. Hij geeft een kansrijker opdracht: onderzoek aan elliptische functies, een onderwerp dat in die dagen in het brandpunt van de wiskundige belangstelling stond. Wiles geeft voorlopig zijn droom op en accepteert. Hij schrijft een briljant proefschrift en daarna ontwikkelt zijn wetenschappelijke carrière zich voorspoedig. Al snel wordt hij hoogleraar aan een van Amerika's topuniversiteiten: Princeton.

Hier zet hij in de jaren tachtig zijn werk aan elliptische functies voort. Totdat er, in 1986, een moment komt, voorbereid door bepaalde ontwikkelingen in de wiskunde in die jaren, dat hij ineens, in een flits, beseft dat er een directe relatie is tussen een onopgelost probleem op het gebied van de elliptische functies en het bewijs van de laatste stelling van Fermat. Zijn sluimerende droom wordt klaarwakker. Op datzelfde moment besluit hij om zich verder met volledige inzet uitsluitend op dat ene probleem te concentreren. Hij sluit zich op in zijn studeerkamer, thuis. In vrijwel volledige afzondering zwoegt hij voort. Als hij vastloopt gaat hij een eindje wandelen in de fraaie omgeving van zijn huis. “Om je onderbewuste de gelegenheid te geven aan je te werken”, zegt hij. Hij heeft alleen tijd voor zijn probleem en zijn gezin, “De beste manier om je te ontspannen is met je kinderen te praten” zegt hij, “die weten niet wie Fermat was.” Zijn collega's vragen zich steeds vaker af waar hij mee bezig is. Als ze het hem zelf vragen, de schaarse keren dat ze hem nog te zien krijgen, geeft hij ontwijkende antwoorden.

Dat duurt zeven jaar. Dan, eindelijk, is het zo ver: het bewijs is compleet. Het neemt enkele honderden bladzijden in beslag. Hij neemt, in diep geheim, enkele collega's in vertrouwen en, door hen aangemoedigd, besluit hij het resultaat naar buiten te brengen op een conferentie van wiskundigen in Cambridge. In zijn voordracht, die was aangekondigd onder een nietszeggende titel (het woord Fermat kwam er niet in voor) legt hij de hoofdlijnen van de bewijsvoering uit. Het slaat in als een bom. Als hij uitgesproken is wordt hij langdurig toegejuicht door zijn perplexe vakgenoten. De foto, van hem gemaakt tijdens de ovaties, toont een stralend, diepgelukkig man. Kranten over de hele wereld brengen het nieuws op de voorpagina's.

Dan volgt het moeizame nawerk. Hij vindt zijn vriend en collega Nick Katz bereid het manuscript regel voor regel door te ploeteren om het op juistheid te controleren. Die neemt er twee volle maanden voor, waarin hij voortdurend vragen stelt die door Wiles stuk voor stuk worden opgehelderd. Totdat er, tegen het einde, een vraag komt die hij niet kan beantwoorden. Het blijkt de cruciale vraag te zijn. Sterker nog: het blijkt dat het bewijs hier doodloopt.

Het is moeilijk, zo niet onmogelijk, zich een voorstelling te maken van de totale verslagenheid die zich op dat moment van Wiles meester moet hebben gemaakt. Hij zelf is er, achteraf, vrij sober over. Het nam enige tijd, zegt hij, om tot het besluit te komen om niet op te geven. Het is, alweer, moeilijk voorstelbaar wat voor geestelijke veerkracht en moed er voor nodig is om zo ver te komen. Hij brengt het op en sluit zich opnieuw op in zijn studeerkamer. Ditmaal duurt het twee jaar. Dan, op een tijdstip dat hij precies heeft vastgelegd, op 19 september 1994, 's morgens om half elf, slaat de bliksem in. A totally unexpected, incredible revelation, noemt hij het. Een ongelofelijke openbaring. In één, heldere flits ziet hij de weg voor zich. Als hij, gezeten achter zijn met paperassen overdekte bureau, voor de filmploeg van de BBC de herinnering aan dat moment probeert op te halen, wordt het hem te machtig. Zij stem stokt en hij huilt. Als hij zijn stem weer terug heeft vertelt hij nog dat de uiteindelijke oplossing een sublieme schoonheid, eenvoud en elegantie vertoont. “Het was zo ongelooflijk mooi, zo eenvoudig en zo elegant.”

Ik heb de documentaire die dit alles in beeld bracht met ingehouden adem, op het puntje van mijn stoel, bekeken. Bekeken? Opgezogen, ingedronken. Ik herkende het van binnen uit: dit is wetenschap. Ploeteren en te pletter lopen. Wegzinken en weer boven komen. Vallen en moeizaam opstaan. Dromen dromen en visioenen zien.

Er vallen aan dit verhaal enkele aspecten op die uitnodigen tot nader commentaar. Het eerste is dit. Wiles kon het zich blijkbaar veroorloven om zich zeven jaar in vrijwel volstrekte isolatie af te zonderen zonder dat iemand hem ter verantwoording riep. Geen commissies voor wetenschapsbeoefening die jaarlijks het verslag van zijn prestaties opeisten. Geen sponsor die van hem rapporten verlangde voor de perodieke evaluatieronde, compleet met publicatielijst, uitweidingen over de behaalde resultaten, verdediging van het maatschappelijk belang en het ontvouwen van grootse plannen voor de toekomst. Had men hem dat wel gevraagd, dan had zijn verslag er als volgt uitgezien. Bezigheid: bewijs van het theorema van Fermat. Vorderingen: ik tast rond, loop voortdurend vast. Ik zie het einde van de weg nog lang niet voor mij. Het kan nog jaren duren. Publicaties: geen. Maatschappelijke relevantie: nul. Toekomstplan: doorgaan. De commissies die dit verslag zouden moeten beoordelen zouden tot een eensluidend oordeel gekomen zijn: de man is overambitieus. Er zijn geen resultaten. Perspectieven: nul komma nul. Advies: stopzetten van salarisbetaling en voordragen voor ontslag. Het gebeurde allemaal niet omdat Princeton achterloopt en blijkbaar het commissiewezen nog niet heeft uitgevonden, evenmin als het tijdschrijven, de earning capacity, het informatiemanagementsysteem en wat niet al, waarmee de TU Delft vooroploopt in de wereld. Omdat er nog tenminste één universiteit is in de wereld die andere uitgangspunten heeft. Deze: trek wetenschappers aan die tot de top behoren en die voldoen aan één stringente voorwaarde: wetenschappelijke gedrevenheid. Laat ze vervolgens hun gang gaan. Het leverde in het geval van Wiles een resultaat op dat door vakgenoten als een van de grootste wiskundige verrichtingen van de eeuw wordt beschouwd. En, mag ik daaraan toevoegen, dat was niet de enige prestatie van dat formaat die in deze eeuw binnen de muren van Princeton tot stand kwam.

Het tweede opvallende element in de documentaire, dat als het ware van het scherm afspat, is de bruisende atmosfeer waarin de beoefenaars van de wiskunde op dit niveau bezig zijn. Behalve Wiles werden velen van diens collega's, zowel uit Princeton als daarbuiten, geïnterviewd. Allemaal straalden ze een diepe interesse, betrokkenheid, geestdrift uit voor het werk waar ze mee bezig waren. Hun bewondering en enthousiasme over het door hun collega behaalde resultaat leken oprecht. Geen spoor van de nijd en de afgunst die in toenemende mate de bodem van wetenschapsland vergiftigen sinds de strijd om de beperkte middelen de vorm van een survival of the fittest heeft aangenomen, waarin de één z'n dood de ander z'n brood is. Hier leefde nog de atmosfeer van wederzijdse bewondering en stimulering, die ook zo duidelijk naar voren komt in de verhalen van Casimir over de wereld van het natuurkundig toponderzoek in de eerste helft van onze eeuw. De doorbraak van de één is de gedeelde vreugde voor allen. Het gevoel met een gezamenlijke zaak bezig te zijn in plaats van met de profilering van jezelf ten koste van anderen.

In deze ambiance werkte Wiles in zijn schijnbaar isolement. Schijnbaar, ja, want ik ben er zeker van dat het juist het bestaan van deze collegiale, bruisende atmosfeer was die hem droeg en die zijn langdurige afzondering dragelijk maakte. De wetenschap dat hij in die atmosfeer weer zou opduiken als het werk voltooid was en met volle teugen zou ademen, hield hem op de been in zijn onderduikperiode. De foto tijdens de ovatie in Cambridge toont het moment waarop hij bovenkwam.

Het derde en misschien wel meest in het oog springende punt van het verhaal is de totale nutteloosheid van de hele onderneming. Wat is er nu helemaal gebeurd? Er is een stelling bewezen waarvan iedereen al lang vermoedde dat hij juist was; de puntjes zijn op de 'i' gezet. So what? Het resultaat draagt niets bij aan de leniging van welke maatschappelijke nood dan ook, en ook in de toekomst is dat volstrekt uitgesloten. Een zeer beperkt kringetje van geleerden (naar schatting is ongeveer een duizendste van alle wiskundigen in staat het betoog te volgen) verheugt zich over de schoonheid en de elegantie van het bewijs. So what? Wat is het nut?

Het belang van het fundamentele onderzoek, de drang naar kennis en inzicht met geen ander doel dan kennis en inzicht, staat in onze dagen onder steeds toenemende druk. Uit parlementen, ministeries en universiteitsbesturen wordt de vraag naar het nut (of: utiliteit, of: maatschappelijk relevantie) van het onderzoek steeds nadrukkelijker gesteld. Wilt u geld van ons hebben? Toon dan maar aan waar het goed voor is. De arme beoefenaars van de alfa-wetenschappen, de zogenoemde humaniora, moeten zich in steeds pijnlijker en ongeloofwaardiger bochten wringen om aan te tonen dat ze wel degelijk nuttig zijn. Wat is het nut van filosofie? Wel, heb ik pas ergens gelezen, dat moet u niet onderschatten. Er worden regelmatig filosofen in dienst genomen door bedrijven en banken omdat ze zo goed hebben leren nadenken. Omdat ze in staat zijn kritische vragen te formuleren. Filosofen kunnen op die manier wel degelijk iets bijdragen aan de winsten van het bankwezen. Nuttig zijn dus.

De fundamentele beta-onderzoekers worden eveneens van alle kanten belaagd, maar die hebben meer pijlen op hun boog om zich te weer te stellen. Zij kunnen, met een keur van voorbeelden uit de geschiedenis van de natuurwetenschap, duidelijk maken dat resultaten van onderzoek, uitsluitend uitgevoerd met het doel om het inzicht in de aard van de verschijnselen te vergroten, pas veel later tot toepassingen bleken te leiden die van eminent maatschappelijk belang waren. Hoe konden natuurkundigen als Ampère en Faraday, die in de vorige eeuw proefjes deden met elektrische stroompjes en magneten voorzien dat veel later de toepassing van elektrische energie het gezicht van de wereld zou veranderen? Toen de Engelse theoreticus Maxwell uit zijn beroemde vergelijkingen de elektromagnetische golven tevoorschijn zag komen, zag hij toen de televisie en de röntgendiagnostiek al voor zich? Wat wisten de onderzoekers die zich in de jaren dertig en veertig van deze eeuw bezig hielden met de vraag hoe zij het gedrag van de halfgeleidende elementen silicium en germanium konden begrijpen, van chips, pincodes, computers en elektronische snelwegen? Niets toch? En wat vermoedden Hahn en medewerkers, toen ze in 1938 het element uranium met neutronen bestraalden, van kernreactoren en kernbommen? Ook niets. De gevolgen van al dit en nog zoveel meer fundamenteel onderzoek waren onvoorzien en ongepland, maar wel van een grote reikwijdte. Merk tussen twee haakjes op dat ik hier het woord 'gevolgen' gebruik en niet 'nut'.

Dit is een veelgehoord pleidooi ten gunste van het beoefenen van fundamentele natuurwetenschap. Het lijkt, op het eerste gezicht, een sterk verhaal. Hoe komt het dan dat dit vertoog steeds minder indruk op politici en beleidsmakers schijnt te maken? Omdat, denk ik, een politicus in een democratisch bestel zich niet goed kan veroorloven zich met de lange termijn bezig te houden. En dan nog: kan een politieke partij de verkiezingen ingaan met het verhaal dat in de afgelopen jaren de werkgelegenheid is gedaald, de volkshuisvesting niet is verbeterd, maar dat nu tenminste voor eens en altijd de stelling van Fermat bewezen is en dat er zelfs nog een paar verrichtingen van dit niveau te melden zijn? De vraag stellen is haar beantwoorden. Het is zo bezien niet zo zeer verbazingwekkend dat er zo weinig geld voor fundamentele wetenschap wordt uitgetrokken, maar dat het nog zo veel is.

Nee, het argument van de baten op lange termijn die het fundamentele onderzoek afwerpt heeft veel van zijn overtuigingskracht verloren. Om die reden is, niet lang geleden, een tweede verdedigingslinie opgeworpen: het strategisch onderzoek. Dat is een soort middenweg tussen twee uitersten: aan de ene kant het toegepaste onderzoek aan een concreet probleem uit de dagelijkse praktijk van de industrie, dat om een oplossing vraagt die er liefst gisteren al had moeten zijn, maar die dan wel uiterlijk binnen een paar jaar gerealiseerd moet zijn. Aan de andere kant het pure, uitsluitend op inzicht gerichte onderzoek dat misschien, wie weet, ooit over tientallen jaren ongepland en onverwacht tot toepassingen zou kunnen leiden. Daar tussenin ligt het strategisch onderzoek: het verkennen van een probleemveld waarvan men globaal moet kunnen aangeven dat het op een termijn van vijf tot tien jaar tot veelbelovende praktische toepassingen zou kunnen leiden. Wij moeten nu in onze onderzoeksvoorstellen uitleggen wat het strategisch belang van het geplande onderzoek is. Wij schrijven daartoe hartroerende opstellen (die wij zelf niet echt geloven) en naar de mate waarin die opstellen indruk maken op de beoordelingspanels krijgen wij een hoog cijfer voor 'utiliteit', in gewoon Nederlands: nut. Dat cijfer heeft in de recente tijd een steeds groter gewicht gekregen in vergelijking met het tweede cijfer dat we krijgen: dat voor wetenschappelijke kwaliteit. Ik vermeld hier met treurnis dat mijn opstellen over het strategisch belang van het onderzoek in mijn groep nooit enige indruk op de beoordelaars hebben gemaakt en dat ik denk dat ze daar gelijk aan hadden.

De meest doeltreffende manier om een hoog cijfer voor utiliteit te krijgen is om een Nederlands bedrijf voor het geplande onderzoek te interesseren. Als zo'n bedrijf bereid is schriftelijk het belang van het onderzoek te benadrukken is dat al heel wat; als het bereid is er ook nog wat eigen middelen in te steken is het 'nut' van het onderzoek boven alle twijfel verheven. De definitie van 'nut' is dus heel eenvoudig: Als het bedrijfsleven er iets in ziet is het nuttig. What is good for General Motors is good for the United States.

Nu is het allerminst mijn bedoeling deze vorm van nut te bagatelliseren. Het bedrijfsleven is verwikkeld in een voortdurende worsteling om te overleven. Het spook van de Japanners waart door de gangen van het Philips-concern. De werkgelegenheid en de levensstandaard van miljoenen mensen staat op het spel. Het lijkt mij volkomen redelijk om van het potentieel aan natuurwetenschappelijke en technologische onderzoekers dat ons land rijk is te verwachten dat ze zich mede inzetten in deze struggle for life. Een andere vraag is of er niet meer is dan dat.

Het begrip 'levensstandaard', zoals dat in onze samenleving gehanteerd wordt, kan precies worden uitgedrukt in een getal: het inkomen per hoofd van de bevolking, gemeten in guldens. Wat bijdraagt aan het handhaven of vergroten daarvan is nuttig. Wij weten natuurlijk allemaal dat de echte levensstandaard, de kwaliteit van het bestaan, nog van heel wat andere dingen afhangt dan van het inkomen per hoofd alleen. Daarop wijzen lijkt op het intrappen van een open deur, maar dat is, denk ik, in steeds mindere mate het geval. Wat ik waarneem, en ik hoop dat ik het verkeerd zie, is dat die verengde definitie van levensstandaard, die wordt uitgedrukt in geld en consumptiegoederen, een steeds overheersender karakter krijgt. En dat dat slecht is voor mensen. Omdat, naar een oud maar actueel woord, de mens bij brood alleen niet zal leven. Ook bij brood, natuurlijk. Als het beleg maar niet zo dik wordt dat hij er in stikt.

Het woord 'nut' is onlosmakelijk verbonden met het woord 'doel'. Wie eerst een doel geformuleerd heeft kan daarna het nut van zijn handelen afmeten aan de mate waarin dat doel dichterbij is gebracht. Wie dat doel formuleert als het verhogen van de levensstandaard in engere zin kan aan het eind van het jaar van het Centraal Bureau voor de Statistiek vernemen of er vooruitgang is geboekt. Bij andere doelen is dat minder eenvoudig. Van oude tijden af worstelen filosofen met de vraag naar doel en zin van het menselijk bestaan. In de dialogen van Plato is Socrates intensief bezig met de vraag wat voor zaken aan het menselijk 'geluk' kunnen bijdragen. Hij probeert zelfs een standaard te ontwerpen waaraan dat geluk kan worden afgemeten. Geld en consumptiegoederen spelen in dat vertoog geen hoofdrol. In de religie zijn dit de vragen waar het om gaat. “Wat baat het een mens”, vraagt Jezus volgens het Mattheüs-evangelie, “als hij de hele wereld wint, maar schade lijdt aan zijn ziel?” Hij heeft het hier over 'nut': wat baat het. . . Het criterium is hier blijkbaar dat een mens een ziel heeft die schade kan oplopen. Zelfs, of misschien juist, door het winnen van de hele wereld, waar wij zo sterk in zijn, de wereld met de maan en Mars en Venus incluis. Hij beveelt dan ook aan om “geen schatten te verzamelen op de aarde, waar de mot en de roest ze ontoonbaar maken”, maar om “schatten te verzamelen in de hemel”. In deze optiek is het zelfs mogelijk dat verlaging van de 'levensstandaard' bevorderlijk is voor de kwaliteit van het bestaan. Nuttig is dus.

- Vervolg op pagina 14 Pleidooi... VERVOLG VAN PAGINA 13

Ik keer terug naar Andrew Wiles en zijn bewijs van de laatste stelling van Fermat. Ik vermeldde al dat op de dag na de openbaarmaking de wereldpers het nieuws bracht op de voorpagina's. Dat is, op het eerste gezicht, volkomen onbegrijpelijk. Voorpagina's van de betere kranten worden dagelijks gevuld met het belangrijkste politieke en economische nieuws. Als daarvan afgeweken wordt moet het over iets gaan dat de lezers sterk interesseert. Wat voor belang kan de man in de straat hechten aan iets dat zo ver van zijn bed ligt en bovendien zo volkomen nutteloos is als het bewijs van de laatste stelling van Fermat? De krantenredacties denken blijkbaar dat hij dat toch doet. Een paar voorbeelden van andere gevallen waarin zij dat ook dachten zijn: het bedwingen van de Mount Everest door Edmund Hillary en metgezellen; de eerste maanlanding en andere verrichtingen in de ruimtevaart; het doorbreken van de tien-secondengrens op de honderd meter hardlopen voor mannen.

Al deze gevallen hebben twee dingen gemeen. In de eerste plaats hun volkomen nutteloosheid. Zij dragen geen van allen iets bij aan het Bruto Nationaal Product. In de tweede plaats: In alle gevallen werd een grens doorbroken die voorheen onneembaar scheen. Toen men Hillary vroeg waarom hij zoiets eigenlijk deed, antwoordde hij: “Omdat die berg daar stond.” Ik ben er zeker van dat Wiles hetzelfde antwoord zou geven: omdat die stelling daar sinds mijn tiende jaar stond. In Noord-Amerika was vanaf de zeventiende eeuw een heel volk in de ban van de frontier-mentaliteit: het verleggen van de grens, steeds verder westwaarts. Toen dat in de twintigste eeuw niet meer mogelijk was, omdat de westgrens was bereikt, zochten ze nieuwe impulsen in de ruimtevaart. Daar zijn de mogelijkheden om grenzen te doorbreken voorlopig onbegrensd. Het blijkt dat miljoenen mensen, die zelf in hun leven niet aan het doorbreken van grenzen toekomen, zich identificeren met hun helden in wetenschap en sport, die dat plaatsvervangend voor hen doen. Al deze ondernemingen komen blijkbaar tegemoet aan een behoefte die diep in de mens ingebakken zit, en die ik ook bij mijzelf ontwaar. Ik heb de documentaire over Wiles' succesverhaal met dezelfde spanning beleefd als Ellen van Langens adembenemende race naar Olympisch goud op de achthonderd meter in 1992. De foto's van Wiles en Van Langen, genomen na hun doorbraak, tonen twee mensen die hetzelfde geluk deelachtig zijn geworden.

De echte topprestaties, die algemene bewondering afdwingen, worden geleverd door uitzonderlijk getalenteerde mensen ten koste van uitzonderlijk grote inspanningen. Voor de doorbraken aan het wetenschappelijk front komt daar nog iets bij. Ik citeer Wiles nog eens: “Het was zo ongelooflijk mooi, zo eenvoudig en zo elegant.” Het ontroerde hem tot tranen toe. Zulke uitlatingen zijn door de eeuwen heen opgetekend uit de mond van vele grote geleerden. De zestiende-eeuwse astronoom Johannes Kepler bijvoorbeeld schreef in een brief aan een vriend: “Ik wilde dat ik God in de menselijke ziel met dezelfde helderheid zag als waarmee ik hem in de natuur waarneem.” Ook van Albert Einstein zijn vele soortgelijke uitspraken bekend. “Ieder grote, productieve wetenschapper denkt zo”, zegt de Duitse fysicus Von Weizsücker. “Waarom? Omdat het ervaren van de wiskundige ordening in de natuur een religieus gebeuren is, of je dat nu zo betitelt of niet.”

Tot zover heb ik in het verhaal voornamelijk de ervaringen van anderen beschreven, maar als u goed geluisterd hebt kan mijn persoonlijke betrokkenheid u niet zijn ontgaan. Het zijn ervaringen die ik herken, omdat ik er deel aan heb gehad. In een periode van bijna veertig jaar heb ik mijn weg door wetenschapsland getrokken, steeds opnieuw gefascineerd door het onbekende dat voor mij lag, door de grens. Met geen ander doel dan het dóórdringen in de duisternis met de lamp van het inzicht. Het vallen en opstaan, het steeds opnieuw vastlopen, de vertwijfeling soms, het is me allemaal niet vreemd. Het wandelen door Delft in de middagpauze, waarbij ik, als ik weer terug was op het laboratorium, vaak geen idee had waar ik was geweest. “Om het onderbewuste zijn werk te laten doen”, zoals Wiles het uitdrukte. En de schaarse momenten van grote vreugde om de lichtflits die doorbrak, de momenten die alles goedmaakten. Om de grote schoonheid, eenvoud en elegantie. Om de diepe verwondering. Het was er allemaal.

Geen enkele van de resultaten van mijn wetenschappelijk onderzoek in de afgelopen veertig jaar, neergelegd in een lange reeks van artikelen in wetenschappelijke tijdschriften, heeft, voor zover ik dat kan nagaan, ook maar iets bijgedragen aan de oplossing van welk concreet technisch probleem dan ook. De artikelen en voordrachten hebben, geloof ik, een zekere rol gespeeld in het wetenschappelijk discours in mijn vakgebied. Ze werden opgemerkt door vakgenoten die ze regelmatig citeren; over de bereikte score, zoals die tegenwoordig gemeten wordt in een getal, de citatie-index, mag ik niet ontevreden zijn. Maar aanwijsbare oplossingen voor concrete technische problemen? Nee. Sterker nog: daar heb ik zelfs niet naar gestreefd. In de ogen van de managers van onze huidige universiteitsfabriek mag ik vandaag terugzien op een nutteloos werkzaam leven.

Het zou mij daarom niet verbazen, dames en heren, als het hele betoog tot nu toe op u overkwam als een poging tot zelfrechtvaardiging van een oude man, die argumenten aanvoert om zijn mislukking goed te praten en er ook nog een positieve draai aan te geven. Ik kan het u niet beletten, en het u zelfs niet kwalijk nemen. Ik kan u slechts de wat machteloze verzekering geven dat ik denk dat het dieper gaat. De overtuiging die ik heb vertolkt heb ik mijn hele leven aangehangen en is tot vandaag ongeschokt. Deze: dat het de hoofdopgave van een echte universiteit is om afstand te nemen van de problemen van alledag, en vooral van de waan van de dag, en om vrij, onafhankelijk, diep en kritisch na te denken.

Ik dank u voor uw aanwezigheid en voor uw aandacht.

Dit is een bekorte versie van de tekst die prof. dr. ir. A. van den Beukel afgelopen vrijdag uitsprak.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden