Opinie

Pleidooi voor een Westerse islam

Foto: Patrick Post

Studentenvoorman Harun Yildirim was vijf jaar geleden fundamentalist, nu bepleit hij een westerse islam. En hij noemde zichzelf toen nog Nederlander. Nu niet meer. Wat is er in die tijd gebeurd? "Mijn denken is veranderd."

Het was 2006. Als student nam ik deel aan een programma in de Verenigde Staten. Tijdens de verschillende onderdelen werd ik gepresenteerd als de Dutch representative. Zo was ik nog nooit aangekondigd; ik was er trots op. Harun, Nederlander - het was voor het eerst dat ik mezelf zo noemde. Wat is er nu mooier dan op zo'n manier je land te vertegenwoordigen en te dienen? Steeds weer vertelde ik hoe fijn het was om met een afwijkende achtergrond in The Netherlands te wonen. Immers, dat maakte voor Nederlanders niet veel uit. Het ging uiteindelijk om je kwaliteiten, je capaciteiten, je vaardigheden.

We zijn nu vijf jaar verder. Ik zal mezelf hier niet meer hardop als 'Nederlander' afficheren. Wat is er in die tijd gebeurd?
Jarenlang, zeker sinds de opkomst van Pim Fortuyn, hebben politiek en samenleving gehamerd op integratie van minderheden. Een lang proces waarbij twee groepen die elkaar aanvankelijk afwijzen, elkaar aanvaarden en daardoor samensmelten. Dat was het doel, maar precies het tegenovergestelde heeft zich voorgedaan. Het benadrukken van integratie heeft voor veel onbegrip, ongenoegen en ongeduld gezorgd.

De spelers in de politieke arena zijn voor een deel gewisseld, Fortuyn is vermoord, Geert Wilders is tot in het hart van de macht doorgedrongen en gedoogt het huidige kabinet. Het debat over integratie woedt nog altijd voort. Maar het is scherper geworden, extremer. Het karakter ervan is veranderd. "Verander, pas je aan of rot op", is de leuze.

Maar terugkijkend zie ik dat ook ikzelf me schuldig ben gaan maken aan wat ik anderen verwijt. De afgelopen jaren heb ik aan allerlei tafeltjes en op podia gezeten, voor discussies over het samenleven van autochtoon en allochtoon. En veel van mijn gesprekspartners heb ik uitgemaakt voor splijtzwam, omdat ze het hadden over 'wij' en 'jullie' en zo de tweedeling in Nederland vergrootten.

Bijna ongemerkt ben ik autochtonen over een kam gaan scheren. En ik ben de enige niet. Door het groeiend electoraat dat rechtser dan rechts stemt, zie ik een groeiend aantal autochtonen dat de aanwezigheid van allochtonen minder verrijkend vindt, om het voorzichtig te zeggen. Zij slagen er kennelijk in om het etiket 'Nederlander' voor zich op te eisen. Ik voel me daar slecht bij thuis.
Er is nog een reden waarom ik het niet meer over mijn lippen krijg om te zeggen: Ik ben Nederlander. De Turks-Nederlandse gemeenschap waar ik deel van uitmaak, accepteert dat niet langer. Als ik het toch zeg, dan word ik op de vingers getikt. "Je bent toch een Turk, geen Nederlander - je hoort toch niet bij Wilders?" En zo houden rechtse autochtonen en Turkse allochtonen elkaar in de tang.

Die eis, om altijd maar je Turkse identiteit voorop te stellen, leefde toen ik in 2006 naar Amerika reisde lang niet zo sterk. Toen zag ik het Nederlanderschap als een onderdeel van een cultuur die stond voor openheid, voor tolerantie, met een rijke geschiedenis, met kunst en literatuur.

Ik betrap me erop dat ik mezelf inmiddels heb gereduceerd tot de nationaliteit van mijn beide ouders. De Tuncers en de Yildirims zijn Turken. Daarom zou het voor mij liegen zijn als ik beweerde dat ik een Nederlander ben.

Al jaren ben ik voorzitter van de Studenten Unie Nederland (SUN), een vereniging van islamitische studenten. Daar merk ik hoe de maatschappij en de islamitische studentenpopulatie zijn veranderd. Door alle commotie over integratie hebben wij, de bestuursleden van SUN, ervoor gekozen om de identiteit van onze leden te vormen en te versterken. En dan bedoel ik niet de Nederlandse, maar de Turkse of Marokkaanse - dat is de etnische achtergrond van onze leden. Het bindend element tussen ons is een religie: de islam. Dat was enkele jaren geleden minder prominent aanwezig. Onze religiositeit is manifester geworden. Zo heeft onze studentenvereniging, net als verwante organisaties, een sterk besef van identiteit gekweekt.
De SUN-leden, onderdeel van de nieuwe Nederlandse elite van allochtonen huize, hebben in de afgelopen jaren door onze activiteiten en projecten verbanden leren leggen tussen hun studie en de westerse maatschappij aan de ene kant en de islamitische geschiedenis aan de andere. Dat leverde interessante inzichten op in het werk van denkers, filosofen, uitvinders en schrijvers - allemaal moslims.

Dat laatste was uitdrukkelijk de bedoeling. Ooit hoefde dat allemaal niet zo, maar nu vroegen de studenten erom en wij hielden er als bestuur rekening mee: waar het ook over zou gaan, er moest altijd aandacht besteed worden aan de connectie met de islamitische identiteit.

Nu ik de balans opmaak, zie ik het succes: we hebben het besef van identiteit versterkt. Maar de prijs is hoog geweest. Misschien wel te hoog. Want al die belangstelling voor moslimfilosofie, voor moslimgeschiedenis en moslimcultuur resulteerde in minder aandacht voor de westerse denkers, voor de Nederlandse cultuur.

Mijn onbehagen daarover wordt versterkt door een pijnlijk fenomeen: hoogopgeleide jongeren met een Turkse achtergrond emigreren en vestigen zich in het land van hun ouders. (Daarin verschillen ze van 'Mocro's'; die blijven liever hier, want het gaat in Marokko slechter dan in Turkije.) Ze wenden zich letterlijk en figuurlijk af van Nederland.
De verklaring daarvoor vinden ze in het veranderde klimaat in Nederland. Maar ik zie een andere oorzaak die minstens zoveel verklaart.

Ik denk dat wij zijn doorgeschoten in de vorming van een islamitische identiteit. Er is niets mis met het kennen van je eigen achtergrond, van de cultuur van je ouders en het islamitisch geloof, maar dat hoeft niet samen te gaan met het afwijzen van de binding met Nederland. Wat daarvoor nodig is, is niet minder, maar een ándere identiteit. En daarvoor is een Nederlandse islam essentieel.
Een paar jaar geleden was het voor mij volslagen ondenkbaar dat ik zou pleiten voor een westerse islam. In het voorjaar van 2005 schreef ik in dit katern dat ik probeerde 'de ware islam na te leven en uit te dragen'. En dat de Koran 'absoluut niet openstaat voor verschillende interpretaties'. Ik reageerde op artikelen, waarin de islam verantwoordelijk werd gesteld voor (terroristisch) geweld dat in zijn naam is gepleegd.

Nog steeds vind ik niet alle kritiek op mijn religie steekhoudend, maar in 2005 vond ik het onbestaanbaar dat er welke kritiek dan ook op geleverd kon worden.

Toen ik net begon met mijn studie rechten, was ik helemaal gefixeerd op wat er gezegd en geschreven werd over mijn Turkse of islamitische achtergrond - ik hoorde enkel en alleen het negatieve daarin. Het ging zover dat ik eerlijk gezegd de redelijkheid verloor. Tot een docent Europese Rechtsgeschiedenis een college gaf over de periode na de inname van Constantinopel (nu Istanbul) in de vijftiende eeuw. Hij wijdde er lovende woorden aan, zo positief dat ik het eerst niet kon geloven. Het opende me de ogen: zo kun je wetenschapper zijn. Met een onbevangen blik. Dat wilde ik ook.

Zo begon ik te lezen, literatuur, artikelen van andersdenkenden, mijn belangstelling voor andere culturen groeide. Ik leerde mezelf te bekijken door de ogen van mijn opponenten en ontdekte bondgenoten waar ik ze niet had verwacht. Laatst las ik 'Turken, moslims en anderen' van Voltaire, een vermaarde atheïst, een voortrekker en vader van de Franse Revolutie. Hij levert commentaar op tijdgenoten die over Turken en moslims schrijven zonder er ooit maar eentje gesproken te hebben.

Ik was tot die tijd, om het maar heel simpel te formuleren, een fundamentalist. Geen heel gevaarlijke, maar wel een moslim die volhield dat de islam zich niet aanpast aan mensen, maar dat mensen zich dienen aan te passen aan de islam. Dat was voor mij een ondeelbare eenheid, een massieve, onveranderlijke kubus. En de Koran stond zeker niet 'open voor verschillende interpretatie', schreef ik in 2005. Nu ben ik overtuigd van de waarde van pluraliteit - als de uitleg maar enigszins herkenbaar blijft en de gemeenschap samenbindt.

Ben ik dan nu een vrijzinnige moslim? Nee. Ik beschouw mezelf als pleitbezorger van een 'contextuele islam'. Ik wil rekening houden met de omstandigheden waarin we in Nederland leven, met de cultuur, de literatuur, de democratische verworvenheden. En daar past dat beeld van die kubus niet meer bij.

Dat is trouwens niet zo'n nieuwe gedachte. Mijn denken is veranderd tijdens onze studentenactiviteiten. Bij het vormen van ons identiteitsbesef maakten we kennis met islamitische denkers en schrijvers die in contact traden met andere moslims én niet-moslims.
Zo leidde Tariq Ramadan in 2008 bij ons een cursus over identiteit. Deze Zwitserse filosoof moest in 2009 opstappen als 'bruggenbouwer' in Rotterdam, waar hij gasthoogleraar was. Hij raakte in opspraak toen hij meedeed aan een programma op de Iraanse tv. Het ironische is dat ik juist door hem geïnteresseerd raakte in de Nederlandse identiteit. Hij spoorde ons aan om ons te verdiepen in literatuur, in wetgeving, in geschiedenis, in de rol van de westerse overheid. En, zei Ramadan, wil je hier geaccepteerd worden, dan moet je eerst zelf volop meedoen.

Een andere inspiratiebron is Abdalla Ibn Battuta geweest, een veertiende-eeuwse jurist uit Tanger. In Nederland is hij geen onbekende: een Groningse faculteitsvereniging is naar hem genoemd. Ibn Battuta bereisde Noord- en West-Afrika, Zuid-Europa en Azië - hij maakte meer kilometers dan zijn tijdgenoot Marco Polo. Op zijn reizen leerde hij geloofsgenoten kennen, ieder met hun eigen manier van leven. Als rechter moest hij beoordelen of dat binnen de islam aanvaardbaar was. Eerst had hij grote moeite met die 'wonderlijke leefwijzen'. Maar hoe meer hij reisde, hoe meer begrip hij kreeg voor 's lands wijs, 's lands eer.

In 1352 bezocht hij Mali, een van de 'negerlanden'. Daar aanvaardde hij - met tegenzin - dat zwarte meisjes poedelnaakt rondliepen en dat de West-Afrikaanse moslima's geen hoofddoeken droegen 'hoewel ze de gebedsvoorschriften strikt naleven', schrijft Ibn Battuta in zijn reisverslag. Hun echtgenoten vonden het best, al kenden ze de Koran uit hun hoofd en waren ze goed op de hoogte van de jurisprudentie. "Ook eten veel zwarten beesten die niet ritueel geslacht zijn", en dat waren ook nog eens haram (onreine) dieren: honden en ezels.

Ibn Battuta viel van de ene verbazing in de andere, het meest nog wel over de schokkende omgang tussen de seksen. Mannen en vrouwen leefden niet in gescheiden werelden, maar gingen vriendschappelijk met elkaar om ('de mannen kennen geen jaloezie').
In islamitisch Mali was álles anders dan Ibn Battuta van huis uit gewend was en goedkeuren deed hij het niet. Maar ik beschouw de benadering van deze rechter wel als een subtiele vorm van tolerantie, want hij trad niet bestraffend tegen het afwijkende gedrag op.

Ibn Battuta's reis is mijn reis geworden. De problemen waar wij, Nederlandse moslims, tegenaan lopen, zijn heel anders dan die van geloofsgenoten elders. Of uit andere tijden. Onze mentaliteit en omstandigheden verschillen, ons denken is anders - dat laat geen eenvoudig, fundamentalistisch beroep op de oude traditie toe. We zullen onze eigen religieuze oplossingen moeten zien te vinden.
Het resultaat zal een westerse islam zijn. Alleen als die geworteld raakt in eigen - hier dus Nederlandse - bodem, dan is hij levensvatbaar, een blijvend onderdeel van dit land, een verrijking ook voor de samenleving. Daar hebben wij moslims veel belang bij. We wonen hier, we werken hier, we zijn hier meestal ook geboren, maar hier alleen maar verblijven omdat dat economische voordelen heeft, is voor de toekomst te mager.

Hoe moet het verder met onze samenleving en de moslims daarbinnen?

Van de nadruk op identiteit komen we niet zomaar af. Dat hoeft ook niet, we kunnen er zelfs goed gebruik van maken. Waar wij als studentenvereniging - en dat gaat ook op voor andere islamitische organisaties - wel van afmoeten bij het bedenken van programma's voor studenten, is het eenzijdig gehamer op 'islamitische identiteit'. Want er is zoveel meer.

Ik heb liever dat we de werkelijkheid onder ogen zien. De Turks-Nederlandse gemeenschap blijft maar wijzen naar de oude glorietijd van het grote Turkse rijk. Als we toen steden, ja, zelfs landen konden veroveren, dan worden we nu toch ook hier in Nederland heel groot? Dat werkt verlammend. Het is waar: een aantal Turken doet het als ondernemer heel goed, financieel gaat het ze voor de wind. Maar hoe komt het dat de Marokkaanse gemeenschap het in cultureel opzicht zoveel beter doet, met schrijvers, cabaretiers, voetballers?

Marokkaanse Nederlanders zijn individueel veel beter geïntegreerd dan Turkse. Dáár moeten we het over hebben. Over hoe je een goeie schrijver wordt, of een topadvocaat. Niet steeds maar weer over de islam - Joden zijn vaak succesvol en die brengen toch ook niet steeds hun religie naar voren?

Moslim zijn en burger van dit land gaan prima samen. Onze identiteit, onze manier van denken en leven, kan daarbij aangevuld worden met de schatten van de westerse cultuur. Ik wil met jonge studenten graag de grondleggers van het Westen bestuderen, het werk van Montesquieu, Locke, Hobbes, Spinoza of Hugo de Groot. Zij hielpen mij op de reis.

Neem het goede eruit, verwerp het slechte. Door die intellectuele zoektocht kunnen wij de kloof tussen de wereld van allochtoon en autochtoon dichten. Lang hoeft het niet te duren voor we weer helemaal landgenoten zijn. Dan noem ik mezelf opnieuw Nederlander.

Harun Yildirim studeert rechten in Amsterdam. Hij is voorzitter van de Studenten Unie Nederland.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden