Platteland verdient beter dan de stad

Rinus Vermuë is verslingerd aan het platteland. De boer en filosoof heeft niets op met de moderne verheerlijkers van de stad. En met de denkers die het buitengebied als een geriefszone voor de stad beschouwen. Vermuë’s bede is: Spaar ons voor de beschavingsmachine die vanuit de stad over het boerenland heen wil razen.

Voor randstedelingen is een dorp een groep huisjes waarin een achterlijke bevolking woont, met drie of vier kerken en wat scholen in het noorden of oosten van het land. De lage zolderingen noodzaken de bewoners plat te praten en schol en geprakte aardappelen te eten. Er heerst een verstikkende sociale controle. Het waait er altijd. Daardoor hebben de mensen er schuin leren fietsen tot hoeken van wel 45 graden met het wegdek. In deze kunst zijn zij zo bedreven geraakt dat je op een windstille dag een fietsende plattelander kunt herkennen, behalve natuurlijk aan zijn klompen en de druppel aan de neus, aan een naar links of rechts hellende rijstijl.

Tja, als je zo over het platteland denkt, kom je natuurlijk al gauw tot de conclusie dat de stad, aan het andere eind van het woonspectrum, het centrum van beschaving is. In de stad, die ontmoetingsplaats van verschillende mensen, meningen en culturen, is beschaven een werkwoord. Wie de beschaving aan het werk wil zien moet naar de stad. Van het platteland daarentegen valt weinig beschaafds te verwachten. Het beste wat het kan overkomen is dat de stad zijn beschavingsdeken uitrolt over zijn periferie en er een grote stad van maakt met parkjes, randmeren en industrie. Of, zoals René Boomkens het stelt: ’de periferie vervult een belangrijke culturele functie in het stedelijk veld: ze biedt ruimte en rust aan vermoeide stedelingen, naast specifieke agrarisch-industriële functies als glastuinbouw en grootschalige veehouderij’.

Voor Boomkens hebben de plattelanders geen enkele inbreng. De functies die het platteland voor zichzelf zou kunnen hebben – bedrijvigheid, leefmilieu, landschappelijke waarde, om maar wat te noemen – worden ontkend of over het hoofd gezien.

Veelzeggend is dat Boomkens spreekt over de stad als een beschavingsmachine. Inderdaad, een machine die niets ontziend de periferie met alles wat daarin woont, opslokt en aan zich onderwerpt. Het doet denken aan wat de Amerikaanse historicus Lewis Mumford in The Myth of the Machine schrijft over beschavingen. Hij kenschetst een beschaving als een megamachine die probeert de mens te mechaniseren tot radertjes in een hiërarchische samenleving.

Mumford onderscheidt in deze megamachine twee afdelingen: een arbeidsmachine, die het werk verricht dat nodig is om bijvoorbeeld een piramide of een moderne heilstaat te bouwen, en een onderwerpingsmachine, die de rest in het gareel moet houden en nieuwe slaven moet bemachtigen. Alleen zo kan een grote beschaving overleven.

Analyseerde Mumford beschavingen tegen de achtergrond van de Koude Oorlog, Boomkens schrijft tegen de achtergrond van de wereldwijde verstedelijking. Maar Mumfords megamachine en Boomkens’ beschavingsmachine vertonen frappante overeenkomsten. De arbeidsmachine die bij de farao’s de ontzagwekkende piramides bouwde, is nu nodig om de financieel-economische voorspoed van de al even ontzagwekkende steden op gang te houden.

En de onderwerpingsmachine, die bij Mumford een militair apparaat was, is bij Boomkens een ambtelijk apparaat, maar niet minder oorlogszuchtig. Het platteland verdwijnt als het aan Boomkens ligt geheel onder een stedelijk netwerk: ’eigenlijk zouden we heel Nederland als één stedelijk knooppunt moeten zien, van Cadzand tot Roodeschool, en van Vaals tot Den Helder’.

De alom aanvaarde mythe dat het beschavingsideaal van enerzijds voorspoed en anderzijds onderwerping, onontkoombaar en uiteindelijk heilzaam is, noemt Mumford ’de mythe van de machine’. Het lijkt erop dat ook hedendaagse denkers over de stad deze mythe aanhangen.

Waarom is de stad dan een beschavingsmachine? Het antwoord van Boomkens is: „simpelweg omdat ze ’verdichtingsmachines’ zijn: ze brengen de meest uiteenlopende culturen, stijlen, sociale lagen en professionele activiteiten bij elkaar in een kleine ruimte.”

Maar steden* zijn dat niet juist vergaarbakken van probleemwijken, zwarte scholen, omheinde elitebuurten, sloppenwijken en getto’s? Liggen daar niet mensen wekenlang dood in huis, zonder dat de buren iets in de gaten hebben? Steden zijn in deze optiek eerder segregatiemachines, de mensen leven volstrekt langs elkaar heen.

De stad herbergt weliswaar allerlei culturen en stijlen, rangen en standen, maar de ene groep weet van de andere niet hoe het er toegaat. Er is geen dialoog en de burgemeester die het waagt te zeggen dat hij de boel bij elkaar wil houden, valt hoon ten deel. Moeten we deze beschavingsmachine toestaan het buitengebied, dat bekend staat om zijn saamhorigheid, binnen te vallen?

Door het platteland te reduceren tot zijn functie voor de stad zou het wel eens precies die waarden kunnen verliezen die de stad er zo graag zoekt.

De stedeling zoekt er natuur, liefst op een recreatieve manier. Maar ach, wat is natuur dan nog in Nederland? Sinds in 1871 het laatste oerbos bij Beekbergen werd gekapt, is alles hier cultuur, de landerijen, de houtwallen, de plassen, de heide. Men denkt in de natuur te staan, maar staat oog in oog met het cultuurlandschap. Dat is voor niemand een probleem: het is dan wel geen oernatuur, je ziet de natuur er nog doorheen.

Wie denkt in Frankrijk nog echte natuur te zien, komt ook bedrogen uit: daar is, met uitzondering van de hoge bergen en enkele moerassen, alles de vrucht van een eeuwenlange omgang van de boer met de aarde, zoals Ton Lemaire opmerkt in ’Wandelenderwijs’. De in Frankrijk woonachtige filosoof van het landschap vindt deze zichtbare band juist de charme van het platteland en betwijfelt of we die dialoog met de aarde wel kunnen verbreken ’zonder ons van onszelf af te snijden’. Het onmatige beschavingsideaal kan daarom beter een halt worden toegeroepen, want ’niet de mens is de maat van alles, maar de aarde is de maat van de mens’. Volgens deze visie zou de stad met zijn expansionistische politiek een deel van het menszijn vernietigen, en wel de band van de mens met de aarde en de natuur.

Dat is niet denkbeeldig. In ’Het laatste kind in het bos’, een bestseller in Amerika, noteert Richard Louv de opmerking van een jongetje dat liever niet buiten kwam omdat daar zo weinig stopcontacten waren. Louv schrijft dat kinderen in toenemende mate getroffen worden door een ’natuurtekortstoornis’; ze komen zo zelden in de natuur, dat ze nauwelijks beseffen ermee verbonden te zijn. Zo raken ze volgens Louv nooit vertrouwd met de simpelste inzichten.

In zijn boek klaagt een hoogleraar neurologie, Frank Wilson, dat geneeskundestudenten tegenwoordig zo wereldvreemd zijn. Een hele generatie groeit op zonder ooit in een achtertuin of een bos gedoold te hebben. Ze hebben nooit geknutseld of iets geheveld, misschien zelfs nooit een waterslang op een kraan aangesloten. Hoe breng je hun aan het verstand dat het hart werkt als een pomp? Hun hele leergeschiedenis bestond uit indirect learning, via computers en simulaties. Volgens de neuroloog missen ze iets essentieels: het leren door directe ervaring.

Als dat waar is, kan de stad meer leren van het platteland door het te beschouwen als een achtertuin die door anderen beheerd wordt, en waar de stedeling welkom is, dan van een platteland dat men probeert te maken zoals zichzelf. Leren heeft niet alleen te maken met veel onderwijs, maar ook met het opdoen van de meest uiteenlopende kennis. Die moet niet door een beschavingsmachine worden gelijkgeschakeld tot digitale data.

Dat Boomkens niet zo zeker is of het beschavingsideaal haalbaar is, laat hij merken. Aan het eind van zijn betoog noemt hij het een uitdaging van de komende jaren: ’Dan zal blijken of de stad nog steeds een beschavingsmachine is; de stad kan ook een verzameling middeleeuwse burchten worden, waar alles in het teken van bewaking, controle en beveiliging staat’.

Ja, laat ons achterlijke platteland er dan maar liever helemaal buiten. De stad kan zijn beschavingsdrang beter op zichzelf richten.

Rinus Vermuë is biologische boer en filosoof te Luttelgeest. Vrijdag verdedigt hij het platteland in Café Meer!

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden