Essay

Plat is het nieuwe diepzinnig

Beeld RV

Na eeuwenlange waardering voor diepgang, koesteren we nu oppervlakkigheid als ideaal.

Zoals u weet zijn er twee manieren om iets te verstoppen. De eerste is om het zo diep mogelijk weg te stoppen op een zo geheim mogelijke plek. De tweede manier is om dat wat je verborgen wilt houden zo in het zicht te leggen dat niemand op het idee komt dat je niet wilt dat het gevonden wordt. Hiding in plain sight heet dat in het Engels - we hebben er geen Nederlands equivalent voor.

Het verschil tussen de twee manieren ligt ten grondslag aan de grap die Sigmund Freud in een van zijn boeken vertelt. Twee Joden ontmoeten elkaar in de trein. ‘Waar ga je naartoe?’ vraagt de een. De ander antwoordt: ‘Naar Pinsk’. Waarop de eerste zegt: ‘Je zegt dat je naar Pinsk gaat omdat je mij wilt laten geloven dat je naar Minsk gaat. Maar ik weet dat je naar Pinsk gaat. Waarom lieg je tegen mij?’’’

Instinctief

Ikzelf vind hiding in plain sight een veel interessantere en spannender manier van verstoppen dan de diepwegstopmanier - maar ik constateer dat hij het volkomen aflegt tegen onze neiging ‘diepte’ hoger aan te slaan dan ‘oppervlakte’. Om een of andere reden zijn we, net als de Jood in Freuds grap, gaan geloven dat wat aan de oppervlakte ligt niet de waarheid kan zijn - louter en alleen vanwege het feit dat het aan de oppervlakte ligt. En dus duiken we, zodra er iets gezocht moet worden - of het nu iets waardevols, de waarheid, of ‘verlichting’ is - instinctief de diepte in.

Een mooi voorbeeld daarvan zijn de pogingen te achterhalen of Donald Trump met de Russen heeft samengespannen om Hillary Clinton te verslaan. De heilige graal voor de onderzoekscommissies die proberen die vraag te beantwoorden is een veronderstelde ultrageheime ontmoeting tussen Donald Trump en een gezant van Poetin. Die willen ze vinden!

Maar we kunnen allerminst uitsluiten dat het een-tweetje tussen de Russen en Trump zich niet in een geheim achterafkamertje, maar recht voor de camera voltrok. Eind juli 2016 bijvoorbeeld, midden in de verkiezingscampagne, zei Trump tijdens een nationaal uitgezonden tv-toespraak over Clintons e-mails: “Rusland, als jullie meeluisteren, ik hoop dat jullie die 30.000 zoekgeraakte e-mails kunnen vinden.”

Die driftig gravende onderzoekscommissies zouden er daarom goed aan doen rekening te houden met de mogelijkheid dat Trump slim genoeg was om wat hij te verbergen had gewoon voor de televisie te zeggen. Het is zelfs niet uit te sluiten dat Trump - een kind tenslotte - oprecht gelooft dat je alleen schuldig kunt zijn aan dingen die je stiekem gedaan hebt, en dat het loutere feit dat hij de Russen in plain sight uitnodigde tegen Clinton samen te spannen naar zijn gevoel bewijst dat hij gelijk heeft als hij oreert dat hij niets misdaan heeft.

Diepte en waarheid

Ons geloof dat de waarheid onmogelijk aan de oppervlakte kan liggen zit, kortom, heel diep. Dat is natuurlijk een paradox en alleen al het feit dat ik me genoodzaakt voel het zo, als een paradox dus, uit te drukken bewijst dat mijn stelling juist is: om duidelijk te maken dat hier echt iets aan de hand is, moet ik me van het woord ‘diep’ bedienen. Er is echter geen enkel logisch verband tussen ‘diepte’ en ‘waarheid’. Het feit dat iets ‘diep’ is zegt niets over de waarde ervan, net zomin als het feit dat iets aan de oppervlakte ligt betekent dat het weinig om het lijf heeft.

De overtuiging dat wat werkelijk de moeite waard is in de diepte - of in ieder geval niet aan de oppervlakte - ligt, gaat terug op wat Plato daarover zei. Hij stelde dat de dingen waar we met onze ogen of ons verstand ‘zomaar’ bij kunnen, de dingen die zich ‘gratis’ aan ons aandienen, waar we geen moeite voor hoeven doen, de dingen dus die aan de oppervlakte liggen, niets meer zijn dan armzalige afspiegelingen van diepere waarheden.

Het vermogen de oppervlakte niet al te serieus te nemen, hooguit als toegangspoort tot wat werkelijk waardevol is, was ook in Plato’s tijd al heel wat meer dan louter een intellectueel tijdverdrijf. Wie erover beschikte, de ‘metafysicus’, was beter tegen het leven opgewassen dan wie gevangen bleef in oppervlakkigheid.

Hoe nuttig dat vermogen kon zijn, bleek toen de Atheners in een strijd op leven en dood met de machtige Perzen verwikkeld raakten. In hun wanhoop vroegen ze het orakel van Delphi hoe ze zich het Perzische leger van het lijf moesten houden. Antwoord: ‘door een houten muur op te richten’. Gelukkig was de Atheense leider Themistokles metafysicus genoeg om voorbij te gaan aan de oppervlakkige letterlijkheid van dat antwoord en kon hij zijn stadgenoten ervan overtuigen dat het orakel eigenlijk bedoelde dat de Atheners hun vloot van houten oorlogsschepen moesten uitbouwen. Het bracht hun een van de spectaculairste zeges uit de wereldgeschiedenis.

Oberfläche

Al stond ‘diep’ sinds Plato oneindig veel beter aangeschreven dan ‘oppervlakkig’, er zijn tal van pogingen gedaan tot een herwaardering van oppervlakkigheid te komen. Een ervan is ondernomen door Sigmund Freud. We zijn gewend hem als een graver te zien, die in de krochten van het bewustzijn wroet en daar van alles aantreft wat het daglicht niet kan verdragen. Maar dat beeld klopt niet. Zo rond 1910 kwam Freud tot het revolutionaire inzicht dat wat er echt toe doet en werkelijk pijnlijk en niet verwerkt is, aanwezig is in de oneffenheden, de onheusheden en de oneigenlijkheden die zich concreet in het contact tussen mensen voordoen. Het is Freuds beroemde notie van ‘overdracht’. Voortaan raadde Freud zijn discipelen aan op te houden met graven en zich te bekwamen in de contra-intuïtieve kunst an die Oberfläche zu bleiben - gevoelig te zijn voor de eigenaardigheden die zich in het hier-en-nu tussen patiënt en analyticus voordoen.

Uit dat overdrachtsidee van Freud blijkt dat oppervlakkigheid helemaal zo oppervlakkig niet hoeft te zijn. Want het bijzondere van overdracht is dat het weliswaar een oppervlaktefenomeen is maar dat in en op dat oppervlak van alles tot uiting komt, dat, anders gezegd, dat oppervlak zelf een soort diepte heeft.

Het overdrachtsidee confronteert ons met het feit dat er twee soorten oppervlak zijn. Sommige oppervlakken sluiten de binnenkant radicaal van de buitenkant af, maar er zijn, ten tweede, ook oppervlakken die een interface tussen binnen- en buitenkant vormen. En dat laatste is bij overdracht het geval.

Hermetisch en haptisch

Ik stel voor om de eerste soort - de oppervlakken dus die binnen- en buitenkant radicaal van elkaar afsluiten - ‘hermetisch’ te noemen en de tweede soort oppervlakken, die als interface functioneren - ‘haptisch’. Een wuivend korenveld, zoals je dat bij mij in Groningen ’s zomers ziet, is typisch ‘haptisch.’ Verpakkingen, dakbedekkingen en condooms zijn ‘hermetisch’ - of proberen dat te zijn. De Deltawerken zijn hermetisch, de Wadden haptisch. Die twee soorten corresponderen met twee zintuigen: het hermetische oppervlak met ‘zien’ en het haptische met de tastzin.

Het interessantste oppervlak ter wereld, het oppervlak waaraan veruit het meest te beleven valt, is de huid. Zeggen dat de huid een interface, een contactvlak, is, is zelfs een grof understatement. Als ik in een meizonnetje buiten zit, reikt mijn huid zo begerig naar de buitenwereld uit en is hij anderzijds zo ten volle bereid die buitenwereld in de armen te sluiten dat van een duidelijke grens tussen ‘ik’ en ‘wereld’ geen sprake meer is. En neem vrijen: als we vrijen ‘ademen’ we elkaar via de huid ‘in’ en gaan we via de huid in elkaar op.

Beeld RV

De huid, kortom, is geen verpakking maar een korenveld. Niet een deltawerk maar een Waddenzee. De huid is een mixed zone, een plaats waar binnen- en buitenwereld elkaar ontmoeten. Een eindeloze hoeveelheid werkwoorden laat zien hoe binnen- en buitenwereld op dat haptische oppervlak contact met elkaar maken: aaien, drukken, krabben, schrobben, pulken, strijken, kloppen, slaan, kriebelen, knijpen, snijden, wrijven, likken, knabbelen, prikken.

Touchscreen

U, lezer, was het helemaal met mij eens toen ik zei dat het interessantste oppervlak ter wereld, het oppervlak waar het meest aan te beleven valt, de huid is. Maar ik weet eigenlijk wel zeker dat de meerderheid van de mensen die dit katern niet lezen voor iets heel anders zouden stemmen. Voor hen is niet de huid maar het scherm, het beeldscherm, en dan vooral het touchscreen het oppervlak par excellence.

Het fascinerende ervan is dat het onmiskenbaar een interface is, maar dat het anders dan de interfaces die ik eerder noemde - de huid en het korenveld - allerminst een haptisch oppervlak is. Op het touchscreen van je telefoon is weliswaar van alles te zien, en het staat buiten kijf dat het toneel is van een orgie van interactie, maar uitreiken naar het meizonnetje zie ik een touchscreen niet zo snel doen. Bovendien schermt een touchscreen zijn binnenkant radicaal van zijn buitenkant af. Sterker nog: het probeert het feit dat er een binnenkant is zoveel mogelijk te doen vergeten. De binnenkant van onze telefoon krijgt pas realiteitswaarde als het toestel het begeven heeft.

Een touchscreen is dus een hermetisch oppervlak dat zich als haptisch voordoet. Het is puur projectie, het heeft geen enkele diepte. Je ziet mensen die niet met touchscreens zijn opgegroeid wel eens hard op het schermpje drukken - zij kunnen of willen niet wennen aan het feit dat touchscreens bedrieglijk onhaptisch zijn. En in plaats van de eindeloze hoeveelheid werkwoorden die laten zien hoe de huid kan worden beroerd, zijn er bij het touchscreen slechts twee nodig: tikken en swipen.

Louter oppervlakte

Het is eigenlijk heel passend dat de wereld waar dat tikken en swipen toegang toe geeft ook louter oppervlakte is. En met ‘louter oppervlakte’ bedoel ik niet dat die wereld ‘niet veel voorstelt’, maar dat hij fundamenteel anders gestructureerd is dan de kenniswereld uit de tijd dat er nog geen internet was. Die oude kenniswereld had diepte: als je wilde weten wat Plato over ‘eeuwige vormen’ of Freud over oppervlakkigheid gezegd had, dan moest je de boeken in om dat, als het meezat, diep in deel zoveel van hun verzameld werk te vinden.

Het verdwijnen van die oude wereld is niet een gevolg van het internet zelf, maar van de grootste revolutie in de kenniswereld sinds de uitvinding van de boekdrukkunst: Google. Maar om te laten zien waarom de zoekmachine van Larry Page en Sergej Brin - de oprichters van Google - zo revolutionair was, moet ik eerst iets in herinnering brengen wat zelfs degenen die het meegemaakt hebben allang vergeten zijn. Wie weet nog dat er in de verre prehistorie van het internet - in de dagen dat er een bevel uitging van keizer Augustus, en Quirinius het bevel over Syrië voerde - nog andere zoekmachines waren? Een van de bekendste heette Altavista. We kunnen het ons nu niet meer voorstellen maar Altavista had een soort redacteuren in dienst die de zoekresultaten in volgorde van belangrijkheid plaatsten. En volgorde van belangrijkheid = hiërarchie = diepte.

Page en Brin besloten het zonder redacteuren te doen en zich te verlaten op algoritmes. Google is een reusachtig netwerk van verbindingen tussen sites. Het belang, de waarde, van die sites doet niet ter zake, alleen de bezoekersaantallen bepalen op welke plaats een site in de rij met zoekresultaten komt te staan. Omdat Google geen hiërarchie en geen privileges kent, zich niet uitspreekt over de inhoud van al die sites en geen van de sites als intrinsiek ‘beter’ waardeert, liggen ze allemaal aan de oppervlakte. Google is voor 100 procent oppervlakte. En de beweging waar dat gigantische oppervlakte toe uitnodigt, hebben we met een treffend woord ‘surfen’ genoemd.

Afscheid

Ondertussen zijn we al surfend en swipend iets ongelooflijks aan het doen: we nemen zo afscheid van Plato’s overtuiging dat de waarheid ergens in de diepte ligt. Ik zei eerder dat ons geloof dat de waarheid onmogelijk aan de oppervlakte kan liggen heel diep zit - maar het heeft er alle schijn van dat we al surfend en swipend de oppervlakkigheid aan het omarmen zijn waar we eeuwenlang niets van moesten hebben.

Toch is die oppervlakkigheid waar we ons al na een luttel aantal jaren zo geweldig bij thuis voelen, niet die van het wuivende korenveld. Het is een oppervlakkigheid die er weliswaar ‘haptisch’ uitziet, maar die ‘hermetisch’ is. En omdat we onvermijdelijk gaan staan naar dat waar we ons bij thuis voelen, worden we ook zelf hoe langer hoe hermetischer. Is onze huid bijvoorbeeld nog wel zo onhaptisch als hij was? Gaat hij niet steeds meer lijken op de gebotoxde, hermetische huid van een hardbody pornoster? En kunnen we ons nog wel verstoppen als we de diepte vaarwel gezegd hebben en zoekmachines hiding in plain sight onmogelijk maken? 

Psycholoog en historicus Eelco Runia (1955) is schrijver.

Lees ook: Intenser, rijker en gelukkiger leven? Zet je smartphone eens uit

Leef zeven dagen zonder smartphone, vroeg techniekfilosoof Hans Schnitzler aan studenten. De een raakte in vervoering van een wandeling in het park, een ander kreeg te horen dat hij prettiger in de omgang is zonder het apparaat.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden