Plasterk ziet seksuele spoken (opinie)

De ’geseksualiseerde jeugdcultuur’ die minister Plasterk zorgen baart, komt slechts sporadisch voor.

In de emancipatienota ’Meer kansen voor vrouwen’ liet minister Plasterk zich onlangs bezorgd uit over de ’geseksualiseerde jeugdcultuur’. Al schrijft de minister dat sommige vrouwen die seksualisering als een bevrijding ervaren, toch ligt de nadruk veruit op de negatieve kant ervan.

Uit verschillende recente onderzoeken blijkt dat groepsverkrachtingen, loverboys, ongewenste seks via internet en meer van dergelijke uitwassen beperkt blijven tot de rand van de samenleving. De overgrote meerderheid van de jeugd is daar niet bij betrokken, noch is er sprake van moreel verval.

Wie op grond van uitwassen onder kleine randgroepen vreest dat er iets ernstig mis is met de seksuele moraal van de Nederlandse jeugd, is bevangen door morele paniek. Dat geldt vooral voor autoriteiten die uitwassen aan de rand willen aangrijpen om er algemeen beleid op te baseren. Het gaat om ouderen die vrezen de controle over jongeren te verliezen. Hun angst lokaliseren ze bij de jeugd: die kan vast geen ’nee’ zeggen tegen de nieuwe verleidingen.

Al meer dan een eeuw – vrijwel iedere keer nadat het emancipatieproces van jongeren, vrouwen en seksualiteit in een versnelling raakte – steekt dit angstig wantrouwen de kop op.

De Roaring Twenties bijvoorbeeld gaven zo’n versnelling te zien. Meisjes van goeden huize onttrokken zich toen aan het ouderlijk toezicht door naar openbare danslokalen te gaan. De morele opwinding daarover was zo heftig dat de regering een onderzoek liet instellen. De auteurs van het dansrapport stelden voor om jongeren en vooral meisjes te beschermen door elk danslokaal te voorzien van toezichthoudende dansmeesters. Vertrouwen in hun zelfbeheersing ontbrak, immers: ’haalt men de tucht weg, dan spuit de seksualiteit naar buiten’. Die reactie op de seksualisering van het dansen doet nu belachelijk aan.

Een ander moment, minder lang geleden, was in 1984, toen een ministeriële nota over seksueel geweld zich keerde tegen pornografie en tegen het ’proces van pornografisering in de media, in de reclame en in de zogenaamde massalectuur’. Emancipatie was wel oké, maar de bijbehorende seksualisering niet. Door seksualisering en emancipatie (van vrouwen en hun seksualiteit) zo lijnrecht tegenover elkaar te stellen, is het vrijwel onmogelijk ze te zien als twee deelontwikkelingen in hetzelfde proces.

De nota over seksueel geweld had dezelfde status als het regeringsrapport over het dansvraagstuk uit 1931 en als de recente emancipatienota van minister Plasterk. Alle drie geven namens de regering uiting aan bezorgdheid over de jeugd te midden van processen als seksualisering, informalisering en democratisering. De drie rapporten bieden zicht op drie momenten van versnelling in die processen: naarmate vrouwen en jongeren zich aan het machtsoverwicht van mannen en ouderen/ouders onttrokken, werden de omgangsvormen informeler en erotischer of seksueler.

Het zijn overgangsperiodes met snel opschuivende vrijheidsgraden en wellustgrenzen. En telkens bleken veruit de meeste vrouwen en jongeren in staat zichzelf te beschermen, dwang te vermijden en te koersen op wederzijdse instemming overeenkomstig het principe dat ’nee’ vóór gaat. De basis van die zelfbescherming ligt thuis, in een opvoeding gericht op het stimuleren daarvan.

Vanwege het directe verband tussen vrouwenemancipatie en seksualisering zullen pogingen om de seksualisering in te dammen al gauw de vrouwenemancipatie aantasten. Het lijkt daarom effectiever het beleid te richten op het ondersteunen van ouders. Zij kunnen hun kinderen stimuleren vrijmoedig en gezaghebbend ’nee’ te zeggen.

Minister Plasterk, daarentegen, wil jongeren beschermen tegen uitwassen van seksualisering door ouders te ’ondersteunen bij het stellen van normen of grenzen’. Hier ligt de nadruk eenzijdig op repressie: ouders steunen hun kinderen te leren gehoorzamen.

Toch heeft leren gehoorzamen maar voor betrekkelijk kleine groepen probleemjongeren prioriteit. Voor de overgrote meerderheid is doortastende zelfsturing belangrijker. Dit beleid is dus gericht op de rand terwijl het als algemeen jeugdbeleid wordt gepresenteerd.

Onlangs is de EO begonnen met een serie over zeven jongeren die 40 dagen lang aan seksuele onthouding doen en zo ten voorbeeld worden gesteld aan de jeugd. In een persconferentie zei de directeur van de EO dat seks „een consumptieartikel is geworden. Meisjes geven hun lichaam weg voor een breezer.” Later bleek uit een onderzoek van dezelfde EO dat 84 procent van de respondenten zegt seksueel trouw te zijn.

De moraalridders die in de nota ’Meer kansen voor vrouwen’ aan het woord komen doen weinig anders dan de EO: ze baseren hun morele verontwaardiging op misstanden aan de rand en suggereren voortdurend dat ze voorkomen in het hele land. Vallen ze door de mand, dan zet de angst die ze aanbliezen zich om in wantrouwen jegens hun gezag – een averechts effect. Vertrouwen komt te voet en gaat te paard.

Ook loze dreigementen met ’keiharde maatregelen’ stimuleren een gezagscrisis. Zo opperde minister Rouvoet onlangs het plan om de televisievertoning van een al 35 jaar beroemde pornofilm te verbieden. De jeugd leren gehoorzamen was hem niet genoeg, nee, hij wilde hen ook de mogelijkheid ontnemen om niet te gehoorzamen.

Dit preventief ingrijpen tot achter de voordeur vloog collega Plasterk naar de kee. Hij beet terug dat daarvan geen sprake kan zijn. De winnaar is ’Deep Throat’, de gezagsdragers leden gezichtsverlies.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden