Plantenrechten

Op YouTube is een filmpje te zien van een groepje bezoekers aan een woud dat daar tussen de bomen zit te weeklagen en te wenen. Titel: ’Extreme environmentalists crying for the trees in North Carolina’. Ze menen het echt, zo te zien. Op een zeker moment staat een vrouw op, klopt zich op de borst, en schreeuwt dat ze van de bomen houdt en niet wil dat ze doodgaan. Een ander legt troostend een hand op haar rug. Misschien moeten ze maar naar Zwitserland verhuizen, want de Zwitsers hebben sinds 2008 een wet die de rechten van planten beschermt. Het parlement daar vond dat je ook planten pijn kunt doen en vernederen. Plantenproeven mogen nog wel, maar je mag ze niet laten lijden. Bij sceptici is intussen wel de vraag gerezen of je dan voortaan nog wel wortels mag koken. Het toepasselijke verhaal is hier van Alfred Döblin, ’Die Ermordung einer Butterblume’. Een welgedane heer, die de stad zojuist verlaten heeft omdat die hem zenuwachtig maakt, loopt door een weiland. ’Plotseling zag meneer Michaël Fischer, terwijl zijn blik afwezig langs de rand van de weg dwaalde, hoe een gezette figuur, hijzelf, een stap terug deed van het gras, zich op de bloemen stortte en een boterbloem zomaar het hoofd afsloeg.’ Overmand door spijt en angst keert hij later naar de plek des onheils terug om boete te doen: ’Hij moest ze hier in het bos eigenlijk condoleren, de zusters van de dode. Hij vestigde er de aandacht op dat het ongeluk gebeurd was bijna zonder zijn toedoen, herinnerde aan de droevige staat van uitputting, waarin hij omhooggeklommen was’. Het befaamde gedicht ’Jonge sla’ van Rutger Kopland herinnert er ook aan, al wordt daarin stevig gediscrimineerd: ’Alles kan ik verdragen, het verdorren van bonen, stervende bloemen, het hoekje aardappelen, kan ik met droge ogen zien rooien, daar ben ik werkelijk hard in. Maar jonge sla in september, net geplant, slap nog, in vochtige bedjes, nee’. Aan dit alles moest ik denken toen ik afgelopen week voor de taak stond mijn grasveld te maaien. Het was mijn eerste lentegras – nooit eerder bezat ik een tuin. Bezaaid met paardebloemen, vergeet-mij-nietjes, boterbloemen en her en der nog wat blauw spul erdoorheen. Iemand vertelde me eens dat onkruid maar is wat je als onkruid beschouwt. Ik vond het een prachtig gezicht, het herinnerde me aan paradijselijke weiden uit mijn jeugd. Moest ik daar een bloedbad aanrichten? Het gras begon al te hoog te worden, dat zag ik ook wel, straks zouden er halmen gaan groeien die het idyllisch tafereel zouden veranderen in een kabouterwoud aan naargeestige grauwe stengels. Het móest dus, maar ik merkte dat ik de neiging had omzichtig om ieder bloempje heen te maaien en verdriet te hebben van hun afgerukte kopjes. Ook het selectiemechanisme stak tijdens mijn werkzaamheden de kop op, want de brandnetels, toch ook natuur, maaide ik genadeloos weg. Vreemde gewaarwording, het mooie wel, het lelijke niet. Het schijnt op den duur allemaal te wennen. De natuur maakt hard, zeggen ze. Voorlopig ben ik nog wat te gevoelig voor dit bedrijf.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden