Plan de Sánchez wacht op rechtvaardigheid

Vandaag is het precies 25 jaar geleden dat het regeringsleger van Guatemala een bloedbad aanrichtte in het dorp Plan de Sánchez. De overlevenden in het dorp zochten én vonden hun recht, maar volledige schadevergoeding bleef uit.

Bas den Hond

De achterbak van de vrachtwagen is tot in de hoeken gevuld met staande passagiers en elke kuil in de zandweg brengt een been, heup of elleboog in contact met die lange blanke die ze nog nooit gezien hebben in de camion naar Plan de Sánchez. Maar ze glimlachen en kletsen vrolijk door, in het Spaans of in de Maya-taal Achí, de maistros en maestras van de scholen bovenop de berg.

De zandweg is steil: schuin achter de camion zakt het streekcentrum Rabinal zienderogen weg in zijn brede vallei. Aan de bergkant van de weg groeit een droog bos waar om de kilometer een enkele koe haar kostje bij elkaar graast.

Dan houdt het bochtendraaien even op. Een paar huizen staan langs de weg, de vrachtwagen stopt, mensen klimmen eruit, een paar kinderen komen erbij want de school is nog net iets verderop in Plan de Sánchez.

Aan het eind van een smal bospad, verder omhoog, verdedigen ganzen met grote inzet een klein boerenerf. Hun kuikens lopen er, een vierkante meter gesorteerde bonen droogt in de zon en in de schaduw van een afdak ligt een baby te slapen. Hier woont Buenaventura Manuel Jerónimo, die alles heeft gezien, met zijn vrouw en zeven kinderen.

Die had hij nog niet op 18 juli 1982, vandaag precies 25 jaar geleden. Dat was de dag dat het leger naar zijn dorp kwam, enkele granaten afvuurde en de toegangswegen afsloot. Hij was 24 en ongetrouwd. Zijn moeder stuurde hem het bos in. De militairen hadden het altijd vooral op de mannen en jongens uit de kleine Maya-gemeenschappen gemunt. Ze verdachten hen van samenwerken met de linkse guerrillastrijders die toen in het binnenland vochten tegen het leger. Vrouwen zouden ze niets doen.

De geschiedenis van de moordpartij van Plan de Sánchez en van het unieke internationale proces dat de dorpelingen daarna tegen de staat Guatemala voerden, en wonnen, is er niet een die tot haar recht komt met een kop koffie in de zon en een van je zeven kinderen op schoot. Wie haar wil horen moet weer omlaag het pad langs, de zandweg over, een grashelling op en dan de kleine witte kapel in. Daar, tussen tekeningen van een heuvel met mensjes erop en helikopters waar soldaatjes uitkomen, staan 284 namen op de muur. Ook de moeder van Buenaventura Jerónimo staat erbij. Drie van zijn zussen. Twee zwagers. Zeven neefjes en nichtjes. De kapel is hun grafsteen.

Jerónimo: „Waar we nu zitten, daar stond het huis van mijn zus Rosa. Iedereen moest zijn familieleden halen. De kwetsbare groepen, kinderen, oude mensen en zwangere vrouwen, werden hier bij elkaar gezet. Ze zijn gemarteld en ondervraagd. Om vijf uur in de ochtend werden er twee granaten in het huis gegooid en daarna werden overlevenden beschoten. Alle kinderen van vijftien tot achttien jaar zaten in een ander huis. Zij waren vervolgens aan de beurt. En werden verkracht en vermoord. Zelfs kinderen van een of twee jaar werden niet ontzien en ondergingen hetzelfde gruwelijke lot.”

De dag erna gingen de naar het bos gevluchte mannen voorzichtig kijken. Militairen kwamen hen vertellen dat ze de lijken in een paar grote kuilen moesten gooien. Voor een begrafenis volgens de Maya-riten kregen ze geen tijd. Twee jaar lang durfden ze niet meer naar hun dorp terug te keren. Een aantal overlevenden vertrok naar een andere streek, Jerónimo en anderen leefden teruggetrokken in het bos. De huizen vervielen, het land raakte overwoekerd.

De problemen met het leger waren al jaren voor die julidag in 1982 begonnen zegt Jerónimo. Toen de, voornamelijk Indiaanse, bewoners van het binnenland van Guatemala zich gingen roeren. „De lonen waren onvoldoende voor eten en kleren, we leden honger en er waren veel ziektes. De plattelandsbevolking organiseerde zich, er waren betogingen in Guatemala-Stad. Maar de mensen in de regering wilden dat niet.”

„Ze begonnen ons te vervolgen, zeiden dat we lid waren van de guerrilla. Ze dwongen ons wacht te lopen in de Patrouilles voor Burgerlijke Zelfverdediging (PAC) die ze hadden ingesteld. Iedereen moest de gemeenschap helpen door daar lid van te worden. Wie dat niet wilde, vluchtte ’s nachts naar de bergen om niet opgepakt te worden.”

Twee machtswisselingen – in 1978 werd Fernando Lucas García president en in 1980 generaal Ríos Montt – verergerden de terreur alleen maar. „Er kwamen nachtelijke overvallen, daarna complete slachtingen. Hele dorpen werden weggevaagd: Agua Frio, Xotaq, Rio Negro, Xokok. In de stad Rabinal is verschrikkelijk gemoord. Het was een vuile oorlog. Het ging niet om uitwassen, maar om het uitroeien van het Indiaanse ras.”

De nieuwe machthebber vanaf 1983, üscar Mejía Victores, was ook betrokken bij moordpartijen, maar kondigde wel een algemene amnestie af. Jerónimo: „We kregen meer vertrouwen en gingen terug naar ons dorp. Bang waren we nog steeds, maar ze zouden ons niet vermoorden vanwege die amnestie. We moesten wel weer lid worden van de burgerpatrouilles, en ik moest zelf een tijd het leger in.”

„Langzaam kwamen ook andere overlevenden terug. En in 1992 riepen mensenrechtenactivisten, die protesteerden tegen de straffeloosheid in Guatemala en zich bezighielden met het onderzoeken van massagraven, ons op om een klacht in te dienen.”

Dat deden de inwoners van Plan de Sánchez, maar wel in angst. „De militairen, en de leiders van de nu opgeheven burgerpatrouilles, die werken hier nog steeds. Ze doden je niet meer, maar ze houden je wel in de gaten. Als we aan het vergaderen waren, kwamen ze vragen waarom we daar zaten. Er waren veel bedreigingen. Toen we eindelijk onze vermoorde familieleden mochten opgraven en onder de kapel ter aarde bestellen, kregen we de boodschap: we gaan jullie meteen mee begraven.”

„Toch begonnen we met de processen. De mensenrechtenorganisatie CALDH ging met ons samenwerken en gaf de stappen aan. Naar de politie, de rechter, het Hooggerechtshof. Toen we daar niet slaagden, werd dat het Inter-Amerikaanse Hof voor de Mensenrechten in San José in Costa Rica. En dat heeft uiteindelijk geoordeeld dat Guatemala alle rechten van de overlevenden moet eerbiedigen.”

In een hoekje van de kapel, lang niet zo prominent als de tekeningen, de 284 namen of het beeld van Christus, ligt een bord dat vastlegt hoe drie inwoners van een klein Mayadorp, sommigen analfabeet, sommigen geen andere taal machtig dan het Achí, in het vliegtuig naar Costa Rica stapten en daar voor de rechters hun getuigenis aflegden. De foto’s zijn verbleekt, een paar ontbreken. Het is ook alweer drie jaar geleden dat Jerónimo die reis maakte.

Buiten de kapel gaat het dorp zijn gewone gang. Vrouwen lopen met mandjes mais op hun hoofd naar de plek waar die gemalen wordt. De kinderen komen omlaag hollen uit de school. Maar Jerónimo is nog niet uitverteld. Kijk even naar die ondiepe kuilen in het grasveld, een favoriete plek voor allerlei onkruid. Daar lagen al die lichamen. En dat heel gewone stukje gras langs het pad verderop: daar heeft hij een klein verkracht meisje gevonden.

Een gerechtshof, zelfs als het in het beschaafde Costa Rica staat, kan van zo’n geschiedenis nauwelijks de scherpe kanten afhalen, laat staan iets wezenlijks herstellen.

Jerónimo: „De economische genoegdoening die het hof heeft bevolen, die is de staat nu wel aan het geven. Maïs, bouwmaterialen, geld. Maar we hebben nog niet alles gehad, want Guatemala werd daarna getroffen door orkaan Stan. Toen werd er gezegd dat het geld naar de slachtoffers daarvan moest. We hebben uiteindelijk ons geld gehad in februari en december 2006 jaar. December komt de laatste termijn. Maar ze willen geen rente betalen.”

„Andere onderdelen van het vonnis zijn niet uitgevoerd. We zouden een ziekenhuis krijgen voor de overlevenden met artsen en verplegers. Maar dat is er nog niet. Een drinkwaterleiding evenmin. We weten niet precies wat de regering van plan is en waar het geld blijft. Er is veel corruptie. Dus dan vragen we weer aan internationale organisaties of ze druk willen uitoefenen.”

„Het belangrijkste is dat we nog steeds worden vervolgd en bedreigd. Ríos Montt is vrij man, üscar Mejía Victores is vrij. Fernando Lucas Garcia is nooit berecht, hij is dood. We krijgen nog steeds bedreigingen. Vorig jaar, na een vergadering, kregen we een granaat toegestuurd. Ik word nog regelmatig begeleid door internationale vrijwilligers. Door hun aanwezigheid is het moeilijker mij iets aan te doen.”

Op bevel van het Inter-Amerikaanse Hof heeft de regering excuses gemaakt. De vicepresident is in 2005 naar de kapel gekomen en heeft namens Guatemala om vergiffenis gevraagd.

Hij kwam overigens per helikopter, niet over de steile zandweg vanuit Rabinal. Een verstandige keus, ziet iedereen die Plan de Sánchez een keer bezocht heeft. Want je weet nooit of het regent. Bovendien herinnert iedere kuil aan dat verre Hof in Costa Rica dat drie jaar geleden beval dat er geasfalteerd moest worden.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden