Pioniers van de kunst

De Hermitage in Amsterdam komt met zijn tweede grote tentoonstelling, met zo’n 75 werken uit Sint-Petersburg van fauvisten en kubisten als Matisse en Picasso.

Het geeft direct een gevoel van herkenning, dezelfde werken maar dan in een andere, modernere en beter verzorgde omgeving. Bij een tweedaagse zwerftocht vorig jaar juni door het gigantische complex van de Hermitage in Sint-Petersburg waren de doeken in de zalen van de tweede verdieping al opgevallen. Prachtige werken van Matisse, Picasso, Kandinsky en anderen hingen daar alsof het de gewoonste zaak van de wereld was; elk museum in de wereld zou met grote jaloezie naar deze verzameling van vooral Franse kunst uit het begin van de vorige eeuw kijken.

En nu hangen zowaar 75 van deze meesterwerken in de, zeg maar, dependance van het Petersburgse museum: de Hermitage aan de Amsterdamse Amstel. Daar staart ze weer wat hautain en uitdagend voor zich uit, de prachtige ’Dame met zwarte hoed’ van Kees van Dongen (uit 1908), maar dan hier op vertrouwde bodem. Het is alsof een oude geliefde thuiskomt, hier op de tentoonstelling over fauvisten en kubisten van 1900 tot 1914: ’Matisse tot Malevich, Pioniers van de moderne kunst uit de Hermitage’. En het lijkt alsof de ’Dame’ hier nog mooier uit de verf komt in de met zorg belichte grote zaal van de Hermitage dan in de Petersburgse zalen, die nodig aan eenopknapbeurt toe zijn.

Ernst Veen, de directeur van de Hermitage, moet in Sint-Petersburg zo’n zelfde gevoel hebben gehad toen hij de werken daar op de bovenzalen van de Hermitage zag hangen. Henk van Os, gastconservator van de tentoonstelling, weet te melden dat Veen destijds helemaal uit zijn dak ging bij het zien van de prachtige schilderijen. „Zou het niet geweldig zijn om deze meesterwerken in Amsterdam, te tonen?!”, had Veen geroepen.

Van Os: „We bedachten daar en toen dat de collecties van de Hermitage complementair zijn met alles wat aan kunst in Nederland te zien is. We voelden ons de jongetjes die voor een ijswinkel verlekkerd naar plaatjes van heel dure ijsjes staan te kijken die we van onze calvinistische ouders niet mochten consumeren. Zoveel luxe, calme et volupté zou niet goed voor ons zijn.”

En nu, zoveel jaren na deze gebeurtenissen, hangen de werken dan in de ’ijssalon’ van Ernst Veen in een tentoonstelling die wordt begeleid door Albert Kostenevitsj, de hoofdcurator Moderne West-Europese schilderkunst van de Hermitage in Sint-Petersburg. De meeste schilderijen die nu tot half september in Amsterdam te zien zijn, komen uit de verzamelingen van de Russische textielhandelaren Sergei Ivanovitsj Sjtsjoekin (1854-1936) en Ivan Abramovitsj Morozov (1871-1921), die in het begin van de vorige eeuw met hun verzamelwoede en hun kijk op de kunst, een inspiratiebron wilden zijn voor een nieuwe generatie Russische schilders.

En het is waar, schilders als Kandinsky en Malevitsj hebben zich inderdaad laten inspireren door de werken die in de villa’s van Sjtsjoekin en Morozov hingen. Vandaar dat ook deze Russische schilders te zien zijn op de Amsterdamse expositie. Al is Malevitsj, die in de titel van de tentoonstelling wordt genoemd, is helaas met één schilderij (het sluitstuk) wat mager vertegenwoordigd.

In Moskou, in de bar koude januarimaand, verzorgde Albert Kostenevitsj een rondleiding langs de huizen annex paleizen van Sjtsjoekin en Morozov en vertelde daar uitgebreid over deze bijzondere verzamelingen die vooral werden verdeeld over de twee belangrijkste Russische musea, waar westerse kunst uit de vorige eeuw is te vinden. Naar de Hermitage in Sint-Petersburg gingen 75 schilderijen van de twee verzamelaars; de andere kwamen merendeels terecht in het Moskouse Poesjkinmuseum. De schilderijen werden pas in 1956, drie jaar na de dood van Stalin weer in het openbaar getoond. De Sovjetcommunisten waren niet zo dol op dat ’moderne’ werk. Kostenevitsj toont ons in het Poesjkin dit indrukwekkende resterende deel, een superieure presentatie van Europese schilderkunst uit de twintigste en negentiende eeuw.

Kostenevitsj troont ons ook mee naar het huis van Sjtsjoekin. We blijven op veilige afstand staan. Immers, sinds het door de communisten werd ingenomen, is het ministerie van defensie er gevestigd. In de tijd van Gorbatsjovs perestrojka, in 1987, wilde Kostenevitsj een foto van het huis maken, geïnteresseerd als hij was in het verleden van de verzamelaar. Hij werd direct gearresteerd. Ook nu waarschuwt hij om beslist geen foto te nemen. Het kan ook in het huidige Rusland nog steeds tot grote problemen leiden.

Sjtsjoekin had zijn huis destijds (begin vorige eeuw) vol hangen met doeken van ’moderne’ Franse meesters. De werken die we nu prachtig verzorgd met flinke ruimte ertussen in de Amsterdamse Hermitage zien, hingen daar bijna lijst aan lijst tegen elkaar, zoveel schilderijen had de verzamelaar in zijn toch niet zo kleine Moskouse optrekje. Hij had een passie voor Claude Monet, iets later richtte hij zich vooral op Cézanne, Van Gogh en Gauguin, en daarna kwam de periode van Matisse, Derain en Picasso.

Van Matisse alleen al had hij maar liefst 37 schilderijen; hij zag in hem de voorman van een nieuwe beweging en raakte bevriend met hem. In Rusland werd Sjtsjoekin echter uitgelachen om zijn bizarre smaak. Het beroemde schilderij ’De rode kamer (harmonie in rood)’, topstuk op de tentoonstelling in Amsterdam, hing prominent in de eetzaal van Sjtsjoekin. De verzamelaar had een schilderij in blauw besteld, maar het werd rood. Sjtsjoekin was verbijsterd en diep onder de indruk tegelijkertijd. Zoveel rood was in de Europese schilderkunst nog nooit gebruikt. Het huis van Sjtsjoekin werd een podium voor de meeste gedurfde kunst in het Europa van die tijd. Jonge Russische kunstenaars raakten in de ban van de werken, die bij de heersende klasse, bij de gegoede burgerij van Rusland weinig genade konden vinden.

Maar ook Sjtsjoekin zelf, die vooral op zijn eigen smaak afging, had nog wat moeite met het ’modernisme’, vooral het kubisme. Picasso met zijn ’visie op de hel’ kon hem niet zo bekoren – in zijn ogen was Picasso met zijn kubistische werk in die tijd de ’totale tegenpool’ van Matisse. Vrienden raadden hem aan toch maar een doek van die Picasso aan te schaffen.

Sjtsjoekin ging overstag, maar hing het werk (het zou gaan om ’Vrouw met waaier’ uit 1908) in een halfdonkere gang. In zijn ogen was het gewoonweg een dissonant tussen al die andere werken. Maar hij liep er elke dag langs en kon er zijn blik niet meer van afhouden, raakte als het ware gehypnotiseerd door het schilderij. Sjtsjoekin destijds: „Hij kreeg mij helemaal in zijn macht, en ik begon schilderij na schilderij te kopen en keek naar geen andere kunstenaar meer. Zo komt het dat in mijn galerij 51 schilderijen van Picasso zijn – veel meer dan van alle andere meesters.”

Sjtsjoekin kreeg het moeilijk na de Russische revolutie van 1917 toen de bolsjewieken de macht grepen. Zijn huismuseum werd hem ontnomen, genationaliseerd. Hijzelf moest genoegen nemen met de bediendenkamer. Arrestatie dreigde elk moment. De verzamelaar vluchtte naar Parijs.

De zeventien jaar jongere Ivan Morozov had niet zo’n grote collectie als Sjtsjoekin. Ook hij richtte zijn huis, tegenwoordig Academie voor Schone Kunsten, in als een museum. Hij was vooral geïmponeerd door Cézanne. Hij ging niet zoals Sjtsjoekin op zijn eigen intuïtie af, maar liet zich meer leiden door kunstkenners, critici en schilders.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden