Piket vreest jonge horde talenten niet

Op de vraag wie de sterkste Nederlandse schaker van het moment is, is slechts één antwoord mogelijk. Sinds Jeroen Piket zich in 1994, onder meer via een strafexercitie in het toernooi van Dortmund - hij bleef coryfeeën als Adams, Karpov en Timman ruim voor - een tijdje bij 's werelds beste tien spelers schaarde, geldt de vroegere kroonprins als de nieuwe leider van de natie. De 26-jarige grootmeester over zijn ambities, de waarde van een NK en het strenge leefpatroon van de topspeler.

De speler die prolongatie van de nationale titel vooralsnog in de weg staat is Ivan Sokolov. De Bosniër presteerde het in zes rondes evenzoveel punten te bemachtigen en toont ondanks twee daaropvolgende remises nog geen teken van verzwakking.

Bessel Kok, ooit geestelijk vader van de Grandmasters Association en in Amsterdam als gast aanwezig, ziet nog maar één remedie om de geweldenaar tot staan te brengen. Voor de laatste ronde op donderdag staat de kraker Piket-Sokolov gepland. “We moeten woensdagavond maar eens een geschikt restaurantje voor Ivan uitzoeken”, suggereert Kok met een knipoog, subtiel verwijzend naar een strijdwijze met alcoholische wapens.

Op een van de eerdere rustdagen tijdens de strijd om het nationaal kampioenschap betreedt diezelfde Sokolov de zithoek van het hotel waar de deelnemers zijn gehuisvest. Hij komt zijn maatje Piket ophalen. De twee concurrenten stappen gezamenlijk in de gereedstaande auto. Het voorval is illustratief voor de aimabele sfeer bij het NK. Spelers die elkaar achter het bord op leven en dood bestrijden trekken er net zo gemakkelijk samen op uit.

Daaraan ontleent het toernooi zijn aantrekkingskracht, vindt Piket. Vier keer behaalde hij de landstitel, van verzadiging is echter nog geen sprake. “De charme van het toernooi”, zegt hij, “is dat iedereen elkaar goed kent. Dat hoort bij een NK. Het is alle Hollanders tegen elkaar. Een concurrentieslag tussen mensen die elkaars vrienden of collega's zijn, waarbij verschillende schakers in staat zijn het toernooi te winnen.”

Kansberekening

Met nog drie speeldagen te gaan stelt de tussenstand de titelverdediger in het gelijk. Vooraf zouden veel kenners de kansberekening van Piket echter hebben weggehoond. Het behalen van de titel in 1990, '91 '92 en '94 bestempelde hem dit jaar bij voorbaat tot de torenhoge favoriet. Een ongemakkelijke positie, erkent de Leiderdorper. “Spelers hebben de neiging zich in hun voorbereiding te richten op de sterkste speler van het gezelschap. Dat automatisme zie je altijd.” Piket weet waar hij over praat. Toen het VSB-toernooi voor de deur stond stelde hij zich ook als eerste op Kasparov in. De studeerkamer-investeringen leidden niet in het minst tot zijn eigen verrassing tot een overwinning op de wereldkampioen in de tweede turnus van de vierkamp.

Het nationale kampioenschap moet het gewoontegetrouw met minder publieke belangstelling doen dan de internationale evenementen. Piket: “Het is misschien iets typisch Hollands om een toernooi minder interessant te vinden als er geen buitenlanders meedoen. Ik krijg ook regelmatig de vraag 'waarom doe je mee?' Ik vind die deelname niet meer dan normaal. Nederland is een goed schaakland, dan is het prettig een sterk NK te hebben. Het prijzengeld en de organisatie zijn goed. Ik ervaar het als een uitdaging voor die éne plek te spelen. Als ik hier geen eerste word, ervaar ik het echt als een verlies, terwijl in andere toernooien een tweede plaats best bevrediging kan geven.”

Er zijn vele jaren overheen gegaan eer Jeroen Piket zich de status van beste Nederlander heeft kunnen aanmeten. Vanaf zijn vijftiende waren het steeds de kleine stappen voorwaarts die zijn carrière kenmerkten. Piket heeft er alle vertrouwen in dat hij in de toekomst zijn opwachting zal maken in de kandidatenmatches. Hij is 26, heeft geen uitgesproken zwaktes in zijn spel en gaat er van uit dat zijn beste jaren nog moeten komen. Om zich te wapenen voor de krachtenslopende tweekampen heeft hij zich - gesteund door schaakmaecenas Joop van Oosterom - sinds 1993 gestort op het spelen van oefenmatches. Tegen Kortsjnoi (2-6), Polugajevski (4 1/2-3 1/2), Ljubojevic (6-2) en Sjirov (2 1/2-5 1/2) streed hij met wisselend succes. Piket: “Mocht het ooit zover komen dat ik me plaats voor de WK-cyclus, dan kan die ervaring van belang zijn. Botwinnik heeft al gezegd dat het verstandig is tweekampen te spelen. Timman heeft ook jaren via de KRO-trainingsmatches nuttige ervaring opgedaan. Vandaar dat Van Oosterom tegen mij zei 'het is goed voor je'. Dit jaar staan er nog tweekampen op het programma tegen Judit Polgar en Jan Timman. Dat laatste duel valt buiten het kader van de cyclus, maar het is wel een ontmoeting waar prestige aan verbonden is.”

Tijdens het NK blijft die interessante tweestrijd voor de achtste keer achterwege. Toch denkt Piket niet dat Timman de confrontatie ontloopt. “Als ik hem zie, zegt hij dat hij het jammer vindt dat hij niet mee doet. Feit is wel dat hij in dit toernooi alleen maar iets te verliezen heeft. De kans dat hij kampioen wordt is niet groter dan voor de andere favorieten. Zo zijn de krachtsverhoudingen op dit moment. Zijn afwezigheid is misschien jammer voor het toernooi, de titel heeft daarom niet minder waarde. Voor de deelnemers maakt het weinig uit dat hij er niet is.”

Dat er internationaal gezien een contingent jonge spelers is, dat zich met sneltreinvaart omhoog werkt op de schaakladder, baart Piket weinig zorgen. “Het is een ontwikkeling van de laatste jaren dat jonge schakers zich direct met de topspelers meten. Ik geloof niet dat die jonge horde op een bepaald moment over me heen zal walsen. De snelheid waarmee je je ontwikkelt is niet alleen zaligmakend. Goed, ik heb er tien jaar over gedaan, maar het is toch zo, dat je het schaken op een bepaalde manier moet leren. Je kunt je niet alles eigen maken, het komt ook aan op talent. Het gevaar achter een supersnelle ontwikkeling is dat je eerder verzadigd raakt. Kijk naar Kasparov, die klaagt nu al dat hij na zijn dertigste dingen begint te vergeten.”

Piket bespeurt bij de generatie die achter hem zit een heel ander leefpatroon. “Die zijn prof van kinds af aan. Als ik naar Peter Leko kijk, weet ik niet wat ik zie. Die jongen is veertien, vijftien jaar en schaakt al vijf jaar. Je ziet hetzelfde bij de Polgars. Ik wil dat overigens niet veroordelen. Zij hebben hun schoolopleiding deels gemist, maar door hun reizen hebben ze veel meegepikt, ze spreken hun talen goed, dus wat komen ze tekort? Ik denk alleen dat de benadering van het spel soms wat te eenzijdig is. Het speelse leren is ook belangrijk. Het lanterfanten, het gewoonweg veel partijen spelen, zoals Short bijvoorbeeld gedaan heeft, is soms waardevoller dan de fixatie op computer-databases. Tegenwoordig tikken die dertienjarigen je naam en ze kennen al je openingen. Maar of dat voldoende is? Je zult toch tevens je eigen arbeid erin moeten stoppen. Kramnik is iemand die mijns inziens een goede tussenvorm heeft gevonden. Die werkt hard, maar heeft ook een eigen stijl ontwikkeld.”

Bij romantici onder de schaakadepten wordt wel eens betreurd dat de periode van de bohémiens uit vroegere decennia achter de rug is. Die wereld van bon-vivants liet zich ook buiten het bord doorgaans niet onbetuigd. Donner schuwde de politieke statements niet, Prins vocht zijn Don Quichote-strijd met de bondsbonzen en zelfs rond Timman hing lang de mystieke sfeer van de avontuurlijke wereldreiziger. Daarmee vergeleken luidt de huidige schaakkolonie een ander, soberder tijdperk in. Jeroen Piket schaart zich onder de generatie van de werkers.

Strijdlust

“De leefstijl van toen kun je je niet meer permitteren. Er waren in de tijd van Donner genoeg goede schakers, maar als je de interzonale toernooien van toen vergelijkt met die van nu, dan constateer je dat grootmeesters fouten maakten die je nu zelfs bij hoofdklassers niet meer ziet. Het was de tijd van het pure amateurisme. De strijdlust is waarschijnlijk ook toegenomen. Met de verbeterde voorwaarden via sponsoring kun je het niet meer maken op snelle remises aan te sturen. Dat levert je subiet een slecht imago op. Ik ben niet zo single-minded dat het schaken mijn leven beheerst, maar je moet er veel tijd in steken. De informatiestromen gaan veel sneller. Het PCA-toernooi in Novgorod was nog maar net afgelopen en ik had via internet de partijen al. Met dat informatiegeweld krijgen vooral oudere spelers het steeds moeilijker. Het is leuk dat een enkeling als Kortsjnoi zich van de onvermijdelijke neergang niets aantrekt. Maar die heeft dan ook nog diezelfde blinde bezetenheid als de jonkies. Voor hem bestaat er niets buiten de sport. Dat vind ik prachtig, zulke schakers zijn in mijn ogen uniek.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden