Pijptabak

Begin augustus 1944 landden we met de Irenebrigade in Normandië en al anderhalve maand daarna trokken we als bevrijders en sigarettenleveranciers Nederland binnen. Roken was nog niet dodelijk. Al te gulle rondstrooiers waren snel door hun voorraad heen, maar gelukkig konden wij voor niet al te veel geld sloffen met duizend sigaretten uit Engeland laten overkomen. Soms werden ze in de haven gestolen, maar meestal konden we blijven roken en strooien. Van een ander deel zopen we volop bier bij de kastelein en maakten we ons geliefd bij meisjes met rokende vaders.

In afwachting van onze demobilisatie werden we na de bevrijding gehuisvest in de Haagse Alexanderkazerne en hoefden maar een enkele keer dienst te doen. Door oorlogservaringen losgeslagen jongeren zoals ik stortten ons in het uitgaansleven van een onttakelde stad die de trekken vertoonde van huidige derde-wereldsteden. In die zomer van 1945 werd er niettemin onafgebroken feest gevierd en wij waren de rijke binken die ons alles konden veroorloven. Voor één sigaret de man lieten we ons naar het centrum vervoeren en diep in de nacht weer ophalen. Soms slipte er een meisje mee naar binnen als een van onze maten als schildwacht dienst deed en de andere kant opkeek. De zolder van de kazerne stond nog leeg.

Overdag namen we deel aan de straatfeesten, dansten de jitterbug, slingerden de meisjes van ons af om hun borsten daarna des te steviger tegen ons aan te kunnen drukken. De avonden brachten we meestal door in een tent op het Spui waar Amerikaanse songs en vooroorlogse Nederlandse smartlappen werden gezongen, begeleid door samengeraapte bandjes. De meeste vrouwen die er kwamen droegen flodderige bloemetjesjurken en scheefgelopen schoenen.

Soms kwam ik dronken bij mijn ouders aan en sprak mijn moeder me namens de Heere Jezus aan op mijn gedrag. Het minste daarvan was nog dat ik de as van mijn sigaretten zomaar op haar vloerkleed aftipte en van het slordig ingepakte eetrantsoen dat ik had meegebracht de suiker door de bloem heen was gelopen.

In dezelfde staat bracht ik een eerste bezoek aan mijn oudere zus en zwager die in Breda woonden. Ook de vriend des huizes Scherpenzeel was daarbij aanwezig. Ze deden alsof ze niet merkten dat ik aangeschoten was en vroegen naar mijn ervaringen. Pas later hoorde ik iets over de verwarde, deels op natte dromen gebaseerde verhalen die ik had verteld. Ze gingen over willige meisjes die ik tijdens mijn tocht naar Engeland had ontmoet, over een dame die op de hertogin van Kent leek met wie ik had geslapen en andere Britse vrouwen die voor me waren gevallen. En hoe was het aan het front? vroegen ze en ik vertelde over een winkelmeisje in het Normandische Benouville dat me niet alleen maar camembert had verkocht.

Eén herinnering daaraan pijnigt me nog altijd. Ik zei dat ik nu miljonair kon worden als ik dat wilde. Ik kon sloffen van duizend sigaretten laten overkomen die in de zwarte handel wel even zoveel guldens opbrachten. Hebzuchtige militairen verkochten ze, maar ik deelde ze liever uit. Ik had hun al eerder van mijn Players laten roken en mijn zus had ervan moeten hoesten.

Eigenlijk rook ik liever pijp, zei de vriend des huizes, kun je ook pijptabak bestellen? Natuurlijk, zei ik, hoeveel pakjes zou u willen hebben? Hij gaf me honderd gulden en zei: Kijk maar hoeveel je er daarvoor kunt krijgen. Dat zou ik op de lijst nakijken en er dan zoveel mogelijk voor bestellen, spraken we af.

Nu was ik op dat moment bijna platzak en de slof die ik had besteld was nog niet aangekomen. Kort daarna ontmoette ik een meisje dat ik wilde versieren. Het bandje van een van haar laatste paar schoenen was gebroken en zo liep ze steeds met dat ene been te sloffen. Ik kocht nieuwe schoenen voor haar en een mooie handtas en omdat ik het aan het front was kwijtgeraakt ook een nieuw horloge voor mezelf. Daarna was het de moeite niet meer om er nog tabak voor te bestellen.

De volgende keer dat ik in Breda was vroeg mijn zwager: En is de tabak voor Dick Scherpenzeel al aangekomen? Ik schudde bedroefd mijn hoofd en sprak het vermoeden uit dat zijn tabak misschien in de haven was gestolen. Dat was mij ook een keer overkomen, loog ik.

Heel Europa zoop en naaide, schreef Remco Campert later over die tijd en over mijn aandeel daarin kan ik nog wel eens vergoelijkend praten. Zus, zwager en vriend zijn inmiddels overleden. En ik weet niet wat ik het liefst zou vergeten, dat ik de pijptabak niet bestelde of dat ik het hun nooit heb opgebiecht.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden