Pieter Jongeling vond in het beginsel zijn kracht

Pieter Jongeling was rekkelijk als kamerlid, streng als vrijgemaakt-gereformeerde. Zijn biograaf zet hem goed neer, maar is soms slordig.

Al direct in het begin van zijn boek komt auteur Herman Veenhof met de vraag naar de actuele naamsbekendheid van Pieter Jongeling (1909-1985), in het derde kwart van de vorige eeuw parlementariër, hoofdredacteur en kinderboekenschrijver.

In zijn honderdste geboortejaar zal Jongeling in die laatste hoedanigheid bij het grote publiek nog de meeste faam genieten: hoeveel Nederlanders hebben niet in hun jeugd ’Snuf de hond’ gelezen? Onder het pseudoniem Piet Prins schreef Jongeling negen delen in deze reeks: spannend, in helder Nederlands én – tot ergernis van de ’officiële critici’ – moraliserend, omdat hij „in elk boek iets van de hand des Heren [wilde] laten zien”.

Als hoofdredacteur van het Gereformeerd Gezinsblad (het huidige Nederlands Dagblad) en als Tweede-Kamerlid voor het Gereformeerd Politiek Verbond (GPV), een van de partijen waaruit de ChristenUnie is voortgekomen, was het voor lezer en toehoorder steeds zonneklaar dat Jongeling in de eerste plaats Gods plan met de wereld wilde uitdragen. In de krant schreef hij voor het ’eigen’ vrijgemaakt-gereformeerde volksdeel stelliger en strenger dan hij op het Binnenhof sprak. Daar had hij immers vooral met andersdenkenden te maken en stelde hij zich bewust opener op, het woord van historicus en geloofsgenoot A.Th. van Deursen indachtig: „Het is beter rekkelijk in de politiek te zijn en precies in de kerk dan andersom”.

Dat een dergelijke houding zijn partij en hem geen windeieren legde, bleek in 1971, toen het GPV, na acht jaar een eenmansfractie te zijn geweest, een tweede zetel verwierf, waardoor ook niet-vrijgemaakte kiezers Jongeling hun stem moesten hebben gegeven.

Zijn authentieke (geloofs-)houding was er intussen medeoorzaak van dat Jongelings invloed in de politiek relatief beperkt bleef. Wel kon hij op kamerbrede waardering en erkenning rekenen, maar grote parlementaire successen oogstte hij zelden; het tegenhouden, samen met anderen, van een hogere kiesdrempel viel wellicht nog als eerste daaronder. Veelmeer overtuigen zijn enorme werkkracht en kennis op velerlei gebied die hij, als parlementariër én als hoofdredacteur tentoonspreidde. Geen wonder dat hij lichamelijk ’op’ was, toen hij in 1977 afscheid van Den Haag nam.

Zijn geloof hield Jongeling (mede) op de been tijdens de verschrikkingen van het concentratiekamp Sachsenhausen, waar hij vanwege illegale activiteiten voor de Antirevolutionaire Partij (ARP) van juli 1942 tot april 1945 gevangen zat en tijdens de beruchte Todesmarsch naar Schwerin. Het is bijna niet voor te stellen dat Jongeling daar, via gesmokkelde briefjes en codetaal, precies op de hoogte was van de toestand in Nederland, meer bepaald tot het conflict binnen de gereformeerde kerken. Journalist Veenhof maakt duidelijk dat in Jongelings ogen de ’vrijmaking’ onvermijdelijk was: „De Wet van Jongeling was: gaat het slecht in de kerk, door afval van binnenuit, dan gaat het slecht in de wereld. Andersom hoeft niet per se.” Daarom was zo’n kerkscheuring-in-oorlogstijd voor Jongeling minder vreemd dan voor menig buitenstaander. Opvallend genoeg voerde hij een aantal jaren later een grotere innerlijke strijd, toen hij met de ARP brak.

De grote verdienste van het boek is dat de hoofdpersoon een ’echt’ mens van vlees en bloed wordt. De auteur kon bij zijn onderzoek over Jongelings persoonlijk archief beschikken en voerde gesprekken met verscheidene van diens tijdgenoten, onder wie zijn kinderen. Onmiskenbaar heeft Veenhof sympathie voor zijn held, maar anderzijds is hij niet blind voor ’s mans beperkingen. Zo was Jongeling een goede spreker, maar een matig debater; hij kon met warmte anderen toespreken, maar was veel zakelijker in gesprekken mét anderen en waar hij na de oorlog geen haatgevoelens jegens ’de’ Duitsers koesterde, reageerde hij tegenover overlevenden van de kampen en lijders aan het KZ-syndroom vaak afstandelijk.

’De mens achter de politicus’ komt dus goed uit de verf, andere aspecten blijven helaas onderbelicht. Dat geldt minder voor de destijds in GPV-kring geruchtmakende ’kwestie-Holwerda’ (de man kon in 1951 geen GPV-lijsttrekker worden. Veenhof nuanceert de rol van Jongeling in deze affaire, maar kan het definitieve antwoord ook niet geven), maar de ’scheuring’ in de vrijgemaakte kerk in de jaren zestig, Jongelings relatie met collega-parlementariërs en zijn bijna dertigjarige hoofdredacteurschap verdienen meer aandacht en toelichting. Hinderlijk zijn daarnaast slordige formuleringen (wordt na verkiezingen een kabinet ’ontbonden’?), niet nader geduide personen, een onvolledige bibliografie en vooral het ontbreken van een consequente bronvermelding. Wanneer het ten slotte de bedoeling was Jongeling „in zijn eigen tijd [te] laten staan” (waarvoor veel valt te zeggen!), dan is een afsluitend hoofdstuk over wat hij anno 2009 van partij, kerk en krant zou vinden, in feite misplaatst.

Wie evenwel bereid is dat voor lief te nemen, krijgt een waardig portret voorgeschoteld van iemand die, in navolging van zijn grote voorbeeld Groen van Prinsterer, niet in een zelfgekozen isolement, maar in het beginsel zijn kracht heeft gezocht – en gevonden.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden