Pieter Bogaers 1924-2008

Al tijdens de oorlog stoomde hij zichzelf klaar voor de wederopbouw. Pieter Bogaers ging de woningnood met ongekende energie te lijf.

Toen in 1963 een minister, gesteund door een interdepartementale commissie, voor een internationaal getint prestigeproject gelden aan de begroting van Volkshuisvesting meende te kunnen onttrekken, had hij buiten Pieter Bogaers, zijn ambtgenoot op dat departement, gerekend. Deze wist in een emotioneel betoog de anderen ervan te overtuigen dat juist buitenlanders onder de indruk zouden komen, wanneer een land vanwege zijn woningnood voor een andere dan de gebruikelijke luxueuze ontvangst moest kiezen. Hotels, ook buiten Den Haag, en een grote tent voor de pers op het Malieveld konden heel goed als vervanging dienen. Bogaers: „Reactie? Alle commissieleden waren opgelucht. Er was geen centje pijn.”

Behalve dat het verhaal kenmerkend is voor Bogaers’ inventiviteit en overredingskracht, illustreert het vooral de gedrevenheid waarmee de minister de grote woningnood, hét probleem in de jaren zestig, wilde aanpakken. Tegen talloze andere voornemens die ten koste van ’het bouwvolume’ zouden gaan stelde hij zich teweer – dikwijls met succes.

Tijdgenoten hadden overigens zo hun problemen met Bogaers. De latere premier Piet de Jong had het over ’een merkwaardig man met een one track mind’ en Jelle Zijlstra vond hem ’een prima vent’, maar met het oog op zijn voortdurende vraag om meer geld, ’een roofridder voor de schatkist’. In de kabinetten-Marijnen (1963-1965) en -Cals (1965-1966) vertaalden veel collega’s zijn bevlogenheid met ’gedram’, terwijl vakbondsman Jan Mertens in zijn memoires liet optekenen: ’Hij leek een puffende bulldozer’.

In één adem voegde Mertens daar echter aan toe: „Bovenal ontzag hij zichzelf niet.” Bogaers was een meester in het cijfer- en rekenwerk, maar het belangrijkste was dat hij successen boekte. De huizenproductie steeg na zijn aantreden explosief: van 80.000 in 1963 tot 115.000 woningen twee jaar later. Begin 1964 werd bovendien de eerste ’Bogaers-woning’ opgeleverd: een huis met een maximale koopsom van 14.000 gulden, dat zich van andere koopwoningen onderscheidde door een gunstige prijs-kwaliteitverhouding en een relatief korte bouwtijd. Iemand rekende voor dat op een gegeven moment elke vierenhalve minuut een splinternieuwe woning werd opgeleverd. Bogaers’ Katholieke Volkspartij (KVP) afficheerde trots: ’En Bogaers – hij bouwt voort’. Zo werd de dringend gewenste doorstroming op de stagnerende woningmarkt een beslissende impuls verleend.

Waar kwam die bevlogenheid vandaan? Twee gebeurtenissen in het leven van de jonge Bogaers zijn daarvoor van grote betekenis geweest. Opgegroeid in een groot katholiek gezin van een grossier ging hij na zijn gymnasiumopleiding in 1941 economie studeren in Tilburg. Toen hij tijdens de oorlog moest onderduiken, studeerde Bogaers met dubbele ijver verder: „We waren nog de enigen die boeken leenden”.

Het belangrijkste oogmerk was om na de bevrijding ’klaar te zijn voor de wederopbouw’. De vergaarde kennis bracht hij vanaf 1948 in de praktijk, onder meer als economisch adviseur en later als directeur van het wetenschappelijk bureau van de Katholieke Arbeiders Beweging.

Wellicht nog belangrijker voor zijn denken was een reis in 1952 naar de Verenigde Staten, waar Bogaers in aanraking kwam met de participatiegedachte. In zijn openbare functies propageerde hij later hartstochtelijk het spreiden van verantwoordelijkheden en bevoegdheden. Hij voorspelde win-winsituaties in bedrijven, waarbij meer aandacht voor persoonlijk geluk en welzijn onder werknemers bijna automatisch tot betere bedrijfsresultaten zouden leiden.

’Geef elke mens meer ruimte om mens te zijn’ – onder dat motto probeerde Bogaers het toen heersende arbeidsethos een wending te geven. Hij stimuleerde mensen om ’eruit te halen wat erin zit’, ook wanneer zij zichzelf nauwelijks van hun talenten bewust waren.

Eenmaal minister van volkshuisvesting en bouwnijverheid (1963), pakte hij de woningnood in feite ook op die voor die tijd idealistische manier aan. Door het verhogen van de status van de bouwvakker en door hem met betere en modernere gereedschappen te laten werken, moest de huizenproductie ook wel omhoog gaan – hetgeen gebeurde, al moesten collega-ministers daarvoor meer dan eens tandenknarsend geld van hun begrotingen inleveren.

De voortijdige val van het kabinet-Cals in de ’Nacht van Schmelzer’ (van 13 op 14 oktober 1966) betekende voor Bogaers in meer dan één opzicht een streep door de rekening. Zijn ambitieuze woningbouwprogramma was, na een driejarig ministerschap, nog bij lange na niet voltooid. Voorts had Bogaers kort daarvoor zijn Tweede Nota inzake de Ruimtelijke Ordening van Nederland gepresenteerd (de aanduiding ’Bouwnijverheid’ in de naam van zijn departement was inmiddels toepasselijk vervangen door ’Ruimtelijke Ordening’). Het was een plan met een groot visionair gehalte, waarin Bogaers ’nieuwe stedelijke vestigingen’ en ’groeikernen’ introduceerde: zij moesten de tot het jaar 2000 te verwachten toename van de bevolking in de grote steden opvangen. Niet ten onrechte wordt hij wel beschouwd als geestelijk vader van Lelystad en Almere en stond hij aan de wieg van de opkomst van steden als Purmerend en Zoetermeer.

Maar minstens zo belangrijk was – met de wetenschap van vandaag is dat vast te stellen – dat pas op 43-jarige leeftijd Bogaers’ nationale politieke rol op dat moment al was uitgespeeld. Het vertrouwen in ’zijn’ KVP was, door het optreden van fractieleider Norbert Schmelzer en het ’zomaar’ overgaan van partijgenoten in opeenvolgende kabinetten, ernstig beschadigd. Als progressief katholiek politicus had Bogaers zijn lot verbonden aan dat van minister-president Jo Cals, in meer dan één opzicht een geestverwant, en hij weigerde dan ook over te stappen naar een kabinet zonder de Partij van de Arbeid.

Het volgende dramatische moment diende zich al vrij spoedig aan. Het rommelde al een tijdje binnen de KVP, waarbij de linkervleugel, waartoe Bogaers behoorde, de partij wilde omvormen tot een progressieve christelijke volkspartij. Gesteggel om een mogelijk KVP-vicevoorzitterschap van Bogaers in de winter van 1967-1968 was de druppel die de emmer bij veel ’KVP-radicalen’ deed overlopen. In februari 1968 zegden dertig vooraanstaande leden, onder wie een viertal Kamerleden, hun partijlidmaatschap op. „Met iets van de weemoed die aan vertrek eigen is”, nam ook Bogaers afscheid van de KVP, ofschoon hij zich tot het uiterste had ingezet de hervormingen bínnen de partij te realiseren.

Van de Politieke Partij Radikalen (PPR), zoals de nieuwe groepering zich ging noemen, werd Bogaers in april de eerste voorzitter. Ruim twee maanden later legde hij die functie op medisch advies alweer neer (’Onze goede Pieter [bevond] zich op de rand van de overspannenheid’, wist vakbondsvoorzitter Mertens). Maar tijdens en na zijn herstel ontwikkelde de PPR zich niet op de manier die Bogaers graag zag. De christelijke grondslag – voor Bogaers bij zijn vertrek uit de KVP een belangrijke voorwaarde om met de radicalen mee te gaan – was geheel buiten beeld geraakt en deelname aan buitenparlementaire acties vond in zijn ogen geen genade. Bovendien zal meegespeeld hebben dat geestverwanten als Mertens, de jonge Ruud Lubbers en vooral zijn vriend Cals de KVP ondanks alles trouw waren gebleven. In oktober 1970 bedankte hij voor de PPR, was vervolgens een tijdje politiek dakloos, om ten slotte in 1973 terug te keren naar de KVP. Die partij was zojuist toegetreden tot het centrum-linkse kabinet-Den Uyl.

Mede gezien zijn kwetsbare gezondheid betekende het voorzitterschap van het gewest Gooiland (1968-1974) Bogaers’ laatste grote openbare functie. Niets tegen Hilversum en omstreken, maar eigenlijk was die baan ver onder het niveau van deze man ’van legendarische kracht en betekenis’, zoals Jan Joost Lindner zei in de Volkskrant.

In 2004 verschenen Bogaers’ ’halve memoires’, die enigszins teleurstelden, omdat ze slechts de periode tot zijn aftreden als minister beslaan en een nogal wijdlopig karakter dragen. De lezer was al door de titel van het boek (’Herinneringen van Pieter Bogaers, bouwminister’) erop voorbereid dat hij vooral zijn beleid op Volkshuisvesting nog eens wilde toelichten, maar mogelijk wordt Bogaers’ visie op en herinneringen aan de dramatische gebeurtenissen van na ’de Nacht’, de ’radicalentijd’ en de komst van het CDA op termijn ook openbaar.

Petrus Clemens Wilhelmus Maria (Pieter) Bogaers werd op 2 juli 1924 in Cuijk geboren. Hij overleed op 5 juli 2008 in Amersfoort.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden