Piccoli is altijd goed

Een zomer lang kan worden genoten van zijn indrukwekkende kale hoofd, zijn grijze bakkebaarden, zijn volle wenkbrauwen, de eeuwige Gitane tussen zijn lippen. Het Filmmuseum wijdt een omvangrijk retrospectief aan Michel Piccoli.

Het Filmmuseum heeft er inmiddels een traditie van gemaakt grote Europese acteurs een zomer lang in de schijnwerpers te zetten. Zo stond in voorgaande jaren het werk van Marcello Mastroianni, Catherine Deneuve en Sophia Loren centraal.

Met Catherine Deneuve was Michel Piccoli vaak samen te zien. In Luis Bunuels Gouden Leeuw-winnaar 'Belle de jour' (1967) bijvoorbeeld, een prikkelende studie van bourgeois-verveling en dubbele moraal. Deneuve speelt de gesoigneerde doktersvrouw die, gedreven door masochistische verlangens, zichzelf prostitueert in een Parijs' bordeel.

Piccoli maakt er zijn opwachting als goed geklede bordeelbezoeker. Het is geen grote rol, wel een kenmerkende, omdat het perfect beheerste spel met uiterlijke klasse en innerlijke nood als een rode draad door zijn lange carrière loopt. In feite is Piccoli de ideale vertolker van Bunuels bordelen bezoekende bourgeois. Zo op het eerste gezicht een piekfijn heerschap - keurig kalend en statige in een maatpak gestoken - maar ondertussen . . .

De hechte vriendschap tussen Piccoli en Bunuel, de Spaanse meester van het surrealisme, leidde tot zeven samenwerkingen, waarvan het Filmmuseum er deze zomer vier vertoont. Naast 'Belle de jour', zijn dat 'Le charme discret de la bourgeoisie' (1972), 'Le journal d'une femme de chambre' (1964, met Jeanne Moreau) en niet te vergeten 'La mort en ce jardin' (1956), waarin de nog onbekende Piccoli naast Simone Signoret de karakteristieke, want meerlagige, rol van hypocriete priester speelt.

Het is een bekende uitspraak van Piccoli dat hij zijn rollen niet sorteert op de kwaliteit van het scenario, maar op de kwaliteit van de regisseur. Met Bunuel wilde hij altijd samenwerken omdat diens ideeën hem bevielen. En hetzelfde geldt voor Marco Ferreri en Claude Sautet, regisseurs met wie hij bevriend raakte en waarmee hij meerdere films maakte.

Zo was hij samen met Marcello Mas troianni te zien in Ferreri's 'La grande bouffe' (1973), de film waarin vier heren van stand zich een weekeinde opsluiten op een kasteel om al neukend, drinkend, vretend, boerend en windend hun ondergang tegemoet te gaan. Een instant schandaalsucces, door velen niet begrepen als allegorie, maar als toppunt van smakeloosheid. Piccoli werd op straat uitgemaakt voor 'vuile smeerlap'. Zijn repliek luidde dat hij er niet was om mensen gerust te stellen, maar uit hun verstarring te halen.

Hij was een jaar voor 'La grande bouffe' te zien in Claude Faraldo's 'Themroc' (1972), een anarchistische klucht die vrijwel geheel van dialoog was verstoken, en waarin Piccoli vooral grommend werd opgevoerd. Maar die even bizarre productie was aan het grote publiek blijkbaar voorbij gegaan.

Piccoli zocht veelal het gezelschap van 'auteurs', regisseurs die hun scenario's vaak zelf schreven en die in een sterk visueel handschrift hun kritische visie op de maatschappij neerzetten. Jean Renoir (met wie hij in 1955 het frivole 'French cancan' maakte) en Jean-Pierre Melville (die hem in 1962 een kleine rol gaf naast Jean-Paul Belmondo in de gangsterfilm 'Le doulos') zijn goede, vroege voorbeelden van regisseurs die tot de Franse auteurscinema worden gerekend.

Hoewel Piccoli direct na de Tweede Wereldoorlog zijn debuut maakte (in de enigszins vergeten oorlogsfilm 'Sortilèges' van Christian Jacque) zou het nog tot 1963 duren voor hij zou doorbreken. Piccoli was achtendertig jaar toen hij in Godards Moravia-verfilming 'Le mépris', een grote internationale co-productie in Technicolor en Cinéma scope, zijn opwachting maakte als de afgewezen echtgenoot van een in de eerste scène al stralend blote Brigitte Bardot. Piccoli schreef met 'Le mépris' geschiedenis; hij was de enige tegenspeler van BB die geen liefdesscène met haar had.

Piccoli's personages gaan tegen de keer in, steeds weer. Ze zijn nooit eenduidig of eendimensionaal, altijd is er een onderstroom of onderliggende laag die door zijn subtiele spel aan de oppervlakte komt.

Groots was hij onder regie van zijn derde favoriete regisseur Claude Sautet die hem eind jaren zestig, begin jaren zeventig meerdere keren als tegenspeler van Romy Schneider opvoerde. In 'Les choses de la vie' (1969) zien we Piccoli als gescheiden architect wakker worden naast zijn nieuwe liefde Romy Schneider. Het is Piccoli ten voeten uit. Een mannelijke man. De kale kruin, de grijze bakkebaarden, de mooie donkere wenkbrauwen. Op de blote bast een flinke bos haar. Tussen de smalle lippen de eeuwig brandende, filterloze Gitane.

En toch blijft Piccoli in wezen een kleine jongen, zoals hij daar staat en zoals hij de woedende uitval van Romy Schneider verderop in de film over zich heen laat komen, omdat hij maar geen keuze kan maken tussen zijn oude en zijn nieuwe leven. In 'Les choses de la vie' ga je zielsveel van hem houden, omdat hij alle menselijke twijfels vertegenwoordigt, en invoelbaar maakt.

In Sautets 'Max et les ferrailleurs' (1970) zijn Michel Piccoli en Romy Schnei der opnieuw gekoppeld, dit keer als politiecommissaris en prostituee. De commissaris die undercover een bende criminelen probeert op te rollen en daarmee het respect van zijn collega's hoopt terug te winnen, heeft in de prostituee zijn ultieme contactpersoon gevonden. Hij laat haar raden naar zijn beroep. Advocaat? Journalist? Dokter? Juwelier? Politicus? Bankier? Het is een prachtige scÃœne, omdat de man, zoals door Piccoli gespeeld, alle uiterlijke kenmerken van maatschappelijk succes draagt, maar in 'werkelijkheid' een weinig succesvolle, gekwetste commissaris is, die moreel in hoge nood verkeert.

Zelfs in zijn meest monumentale rol weigert Piccoli te epateren. In het vier uur durende 'La belle noiseuse' (1991) van Jacques Rivette, een schitterende film over de totstandkoming van een kunstwerk en de druk die de buitenwereld daarop uitoefent, is Piccoli te zien als de kunstschilder Edouard Frenhofer, ploeterend en worstelend in zijn atelier en een bijna mythische dans ontketenend met zijn naaktmodel Emmanuelle Béart. Het is alsof het schildersatelier geleidelijk verandert in een martelkamer, en het is Piccoli die de foltering van het scheppingsproces belichaamt.

In zijn nieuwste film 'Je rentre a la maison' (2001) van de Portugese meester Manoel de Oliveira, die vorige week in première ging, is Piccoli ouder geworden. Hij speelt ook een acteur die met ouderdom en verlies te maken krijgt. De bakkebaarden zijn wit. Maar Piccoli is nog steeds Piccoli. Met zijn wat melancholieke kop, zijn scherpe blik en zijn talent om van kleine scènes heel grote te maken. Zoals hij daar na het verlies van zijn echtgenote, dochter en schoonzoon zit, in dat kleine Parijse café, met zijn vaste kopje koffie en zijn vaste krantje, en hoe hij in de dwangmatige handhaving van de orde der dingen een diepe ontroering weet te leggen.

Zoeken naar een Amerikaanse equivalent van Piccoli valt niet mee, alhoewel Gene Hackman aardig in de buurt komt. Het is geen opvallend mooie man, wel een energieke acteur zonder poeha. Een beetje zoals Piccoli dus, die eigenlijk altijd goed is, in eoofdrollen en bijrollen, aan de zijde van talentvolle en minder talentvolle regisseurs. Een acteur die er steeds voor heeft gewaakt zich te laten vastpinnen op bepaalde rollen en die zichzelf fris hield door van een schitterende, kleurrijke musical van de Franse meester Jacques Demy ('Les demoiselles de Rochefort', 1967) over te stappen naar een curiosum van de Italiaanse horrorregisseur Mario Bava ('Diabolik', 1968). Een acteur die altijd achter de facades van het bourgeois-bestaan wilde kijken, als een kind van zijn tijd, de jaren zestig en zeventig. Een groot acteur die in onze beleving maar niet ouder wordt, misschien omdat hij al kalend was, toen we hem leerden kennen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden