Picasso putte uit occulte bron

Het artistieke Parijse milieu van begin 20ste eeuw was doordrenkt van de esoterie. Ook de schilder Pablo Picasso heeft zich hieraan rijkelijk gelaafd en is zelfs lid van een occulte orde geweest. Deze invloed is zo ingrijpend geweest, zegt de Nederlandse kunsthistorica Marijo Ariëns-Volker, dat Picasso's bekende schilderij 'Les Demoiselles d'Avignon' (1907) en ander werk slechts vanuit de symboliek van tarot, kabbala en alchemie echt begrepen kan worden.

Acht jaar nam Marijo Ariëns' onderzoek naar de occulte inspiratiebronnen van Picasso in beslag. De promotiecommissie van de Vrije Universiteit Brussel was onder de indruk van het proefschrift en kende de kunsthistorica er de 'hoogste onderscheiding' (cum laude) voor toe. De commissieleden waren het er unaniem over eens dat, 'hoewel het onderwerp verder onderzoek en discussie vraagt, kunsthistorici niet meer om dit aspect van Picasso's werk heen kunnen'.

In haar fraaie Haagse herenhuis vertelt Ariëns (1945) hoe zij tot haar onderzoek is gekomen. ,,Tijdens mijn afstudeerproject, een monografie over de Nederlandse interbellum-schilder Dirk Nijland, raakte ik geboeid door het magisch realisme van die tijd. Men ging weer figuratief schilderen -'Retour a l'ordre', zoals Jean Cocteau het noemde. Zo zag het er tenminste uit, maar het was geen gewoon realisme. Wat is hier werkelijk aan de hand, wat zit hier achter, vroeg ik me af.''

Haar speurtocht bracht Ariëns al snel in Frankrijk, het centrum van de kunstwereld toen. Via Cocteau kwam ze vanzelf uit bij Picasso, een centrale figuur in het Parijse artistieke milieu. Om meer inzicht te krijgen in de occulte stromingen die begin vorige eeuw in de Parijse kunstenaarswereld letterlijk 'in de mode' bleken te zijn, ging ze te rade bij een keur aan kenners: de Franse spil in het onderzoek naar de esoterie Antoine Faivre, de godsdienstwetenschapper Jean Pierre Laurant, die de kringen van de Eglise Gnostique in kaart heeft gebracht, en occultismekenner Robert Amadou. In Den Haag dook ze in de bibliotheek van de vrijmetselaars en ze sloot zich aan bij een onderzoeksgroep van filosofen, filologen en kunsthistorici van de Universiteit van Amsterdam.

Een 'woest interessant' onderzoek, zoals ze het zelf noemt, dat zich door haar interdisciplinaire aanpak niet beperkt tot een fragment -de interpretatie van één schilderij- maar een heel tijdsbeeld artistiek en levensbeschouwelijk inkleurt. Tot in detail geeft Ariëns informatie over de occulte stromingen en ordes die rond 1900 in het Parijse actief waren en over de tijdschriften, zoals L'Initiation, die esoterische ideeën onder een breed publiek aan de man brachten.

Van groot belang was de theosofisch geïnspireerde Ordre Martiniste, in 1884 opgericht door Gérard Encausse, bijgenaamd Papus, een van de invloedrijkste occultisten van het fin-de siècle. Vanwege de chaine de silence, de ketting van stilzwijgen die de leden van de orde nooit doorbraken, is het niet met zekerheid vast te stellen, maar waarschijnlijk is het deze orde geweest waarvan Picasso in zijn kubistische periode lid was.

,,De martinisten kenden net als de vrijmetselaars drie graden van inwijding: de 'leerling', 'gezel' en 'meester' van de vrijmetselaars heten bij de martinisten 'lid', 'ingewijde' en 'inwijder' oftewel Superieur Inconnu, dat werd afgekort tot SI. Op enkele schilderijen en vooral in collages van Picasso zijn deze letters terug te vinden'', heeft Ariëns ontdekt. En er is meer: op sommige doeken zijn zwarte oogmaskers afgebeeld, zoals die worden gedragen in de martinistische loges; her en der zwerven martinistische tekens rond, op het doek La cuisine zelfs een hele keukenvloer vol. Ook de winkelhaak, symbool van de vrijmetselaars, is een terugkerend thema. Op één collage staat zelfs met koeienletters OR MA -OR(dre) MA(rtiniste)- wat aan een van Picasso's vrienden de opmerking ontlokte dat de schilder 'reclame maakte voor de orde'.

Naast de martinisten waren ook de 'Ordre kabbalistique de la Rose-Croix', die een organische samenwerking aanging met de martinistenorde, en de aan het martinisme verwante Eglise Gnostique invloedrijk. Laatstgenoemde recruteerde veel van haar bisschoppen uit de Ordre Martiniste.

Toespitsend op de kring rond Picasso noemt Ariëns rollen de namen van bekende kunstenaars over elkaar heen; de een blijkt nog beter ingevoerd in de geheimen en de symboliek van het occultisme dan de ander. Picasso's belangrijkste inspiratoren zijn volgens haar de schrijver Alfred Jarry en de schilders Paul Gauguin en Paul Cézanne, en zijn tijdgenoten en vrienden, de schrijvers Max Jacob, Guillaume Apollinaire en André Salmon.

,,Picasso dweepte met het werk van Gauguin, die al jong op de hoogte was van bepaalde facetten van het occultisme. En hij heeft nooit onder stoelen of banken gestoken dat de invloed van Cézanne, die tot in detail het alchemistische proces heeft geschilderd, van cruciaal belang is geweest voor zijn ontwikkeling. Picasso's vrienden Salmon, Apollinaire en Jacob, refereren letterlijk aan de Ordre Martiniste en aan de alchemie en kabbala, ontdekte ik tijdens mijn onderzoek. Dat was een heel mooie vondst. Salmon had openlijk contact met Papus. Max Jacob schrijft dat Picasso de tiara -ritueel attribuut uit de martinistische loge- heeft overgenomen van Alfred Jarry. Salmon noemde Jacob, die een groot kenner was van de mystiek en de kabbala, 'Picasso's muze' en schreef over Picasso's atelier in Le Bateau Lavoir: 'Hier, in de gangen der duisternis, leefden de echte aanbidders van het vuur'. Hij noemt Picasso zelfs 'le Prince Alchimique'.''

Er is ontzettend veel onderzoek gedaan naar Picasso, maar omdat kunsthistorici doorgaans niet bekend zijn met de geschiedenis van esoterische stromingen, zijn deze duidelijke aanwijzingen in occulte richting de critici ontgaan. ,,Daarom heeft nooit iemand echt de vinger kunnen leggen op de bronnen van Picasso'', zegt Ariëns. ,,Onderzoekers laten precies het stuk weg waar het antwoord in staat.''

De Franse martinisten, rozenkruisers en gnostici van begin vorige eeuw behandelden alchemie, kabbala en tarot als analoge systemen, die ze onder één noemer brachten. Dat mengsel van symboliek uit de kabbala, tarot en alchemie waardoor Picasso zich in zijn kubistische werk liet inspireren, levert volgens de kunsthistorica de sleutel tot de ware bedoelingen van de schilder met zijn bekende schilderij 'Les Demoiselles d'Avignon'. ,,André Breton, paus en ideoloog van het surrealisme, haalde kunsthandelaar Doucet over om het doek te kopen. Hij schreef: 'Als dit doek ons ontgaat, gaat het grootste deel van ons geheim mee'. Maar díe zin lieten de kunsthistorici weg.''

Het slotstuk van Ariëns' onderzoek, een case-study waarin zij de sluier van geheimzinnigheid weghaalt, wijkt zwak uitgedrukt nogal af van de receptiegeschiedenis van het doek tot nu toe. Gezien door de occulte bril waarvan zij - met een overvloed aan materiaal - aantoont dat ook Picasso die destijds op had, wijst het doek Ariëns in een heel andere richting dan het 'filosofische bordeel' waarvoor het lang is aangezien. Ondersteund door haar bestudering van de honderden schetsen en voorstudies ontdekt zij in het schilderij 'Afrikaanse kunst' noch'syfilislijders'. ,,Geen 'naakte lijven', maar 'naakte feiten': tekens en cijfers.''

De houdingen van de vrouwenfiguren op het doek zijn volgens de onderzoekster, via vormgelijkenissen met de Hebreeuwse letters aleph, héth en shin, te herleiden tot de Hebreeuwse letters die het tetragrammaton vormen, Jod-Hé-Vau-Hé -de onuitsprekelijke naam van God, het 'Geheime Woord' uit de kabbala. Bovendien corresponderen de letters en hun cijferwaarde met de eerste vier kaarten van de tarot, die ook op symbolische wijze Gods onzegbare naam weergeven.

Zonder het illustratieve beeldmateriaal uit Ariëns' proefschrift -dat voorlopig nog niet in een handelseditie verschijnt- is het moeilijk uit te leggen, maar haar interpretatie komt verbluffend aannemelijk over. Voor alles heeft zij vanuit de kabbalistische symboliek een verklaring: het gordijn achter de vrouwen, de kleuren, de stand van de neuzen, het heldere rechteroog van de hurkende figuur. 'Al mediterend', zoals zijn vriend Salmon schreef, heeft Picasso volgens Ariëns in dit schilderij de teksten van de Zohar (kabbalistisch geschrift) 'op geniale, minutieuze en tegelijk humoristische wijze met verf tot leven gebracht'.

Dat hij er de geheime naam van God mee wilde weergeven, moet volgens haar in de ogen van velen een blasfemische daad zijn geweest. ,,Wat ook de geheimzinnigheid en zwijgzaamheid rond het schilderij kan verklaren. Picasso heeft zelf nooit een duidelijke uitleg aan het doek gegeven.''

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden